Met het in bezit nemen van het land Kanaän door het volk van Israél werd het komende koninkrijk van de Here Jezus Christus uitgebeeld in de vervulling van de belofte: "De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heren en van Zijnen Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid." Openbaring 12:15.
In verband met deze geschiedenis en in de toepassing daarvan zoals wij die toen beschreven, willen wij nu nog op een geheel andere bijzonderheid letten die zich in datzelfde verhaal voordoet, en proberen om te zien wat voor een voorbeeld er in deze geschiedenis voor ons te vinden is.
Vóórdat het volk van Israël over de Jordaan was getrokken, stuurde Jozua vanuit Sittim twee verspieders om het voorste land en in het bijzonder de eerste belangrijke stad daarin die zij zouden moeten veroveren, te gaan verkennen.
Dit was een zeer moeilijk en gevaarlijk werk waarbij ze de grootste voorzichtigheid in acht moesten nemen. Zij stelden hierbij hun levens in de waagschaal want als ze ontdekt zouden worden dan zouden ze dat zeer zeker met de dood moeten bekopen.
Jozua wist, uit ervaring, wat dit voor de mannen zou kunnen betekenen toen hij hen voor deze moeilijke taak uitkoos en hen uitzond.
Jozua was immers zélf indertijd één der mannen geweest die door Mozes werden uitgezonden om het land Kanaän te gaan verspieden. Zie Numeri 13:8,16.
En hoewel de namen van de beide door Jozua uitgekozen mannen ons niet worden genoemd, wij kunnen er echter wel zeker van zijn dat Jozua toen hij ze uitkoos, wel degelijk rekening gehouden heeft met hun bekwaamheden; doch, dat hij er ook wel rekening mee hield dat het mannen zouden zijn die in het volle geloof en vertrouwen op de Here God, deze taak moesten gaan verrichten.
Ondanks alles, hoe voorzichtig zij ook te werk waren gegaan, toen zij in Jericho waren, werden zij ontdekt.
Men was er zelfs achter gekomen waar zij hun tijdelijke intrek hadden genomen; dit werd meteen aan de koning van Jericho overgebracht en deze nam toen meteen zijn voorzorgsmaatregelen: Hij gaf de opdracht om direct naar de plaats te gaan waar de beide verspieders zich ophielden en hen gevangen te nemen.
Rachab, de bewoonster van het huis, rook echter op tijd onraad en verstopte de beide Israëlieten op het dak van haar huis onder een hoop vlas-stoppelen en leidde de mannen van de koning op een dwaalspoor, door aan hen te vertellen dat de beide mannen wel bij haar waren geweest, doch dat zij de stad Jericho al vóór het vallen van de avond via de stadspoort hadden verlaten en zich op weg hadden begeven in de richting van de Jordaan.
Om geen tijd te verliezen, haastten de mannen van de koning zich de stad uit om de beide verspieders achter na te gaan en ze te achterhalen.
Rachab maakte van deze gelegenheid gebruik om de beide mannen te vertellen dat zij zo spoedig mogelijk een goed heenkomen moesten gaan zoeken om hun leven te redden.
Zéér merkwaardig is het nu volgende gesprek van Rachab met de beide Israëlieten waardoor haar vreemde gedragslijn ons duidelijk gaat worden, en, bovendien krijgen wij uit haar openhartige getuigenis een zeer duidelijk inzicht in de gemoedsgesteldheid van de inwoners van het land Kanaän ten opzichte van het naderende Israëlitische volk.
"Ik weet, aldus deze vrouw, dat de Here u dit land gegeven heeft en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat alle inwoners dezes land voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Want wij hebben gehoord, dat de Here de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht toen gij uit Egypte ging, en wat gijlieden de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die aan gene zijde van de Jordaan waren, welke gijlieden verbannen hebt. En, als wij het hoorden, zo versmolt ons hart en er bestaat geen moed meer in iemand vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de Here, ulieder God, is een God bóven in de Hemel en beneden op de aarde."
Hoe zeer waren de grote daden des Heren met Zijn volk, overal onder de volkeren verspreid geworden.
Zozeer zelfs, dat de sterke Kanaaänieten zeer bevreesd waren voor dat zwervende Israëlitische volk, dat reeds zó dicht bij de poorten van hun stad was gekomen.
En, dat zij een zeer diepe indruk op Rachab hadden gemaakt, dat blijkt ons uit het volgende gesprek, want de Kanaaänieten hadden verschillende afgoden die zij zeer hoog vereerden maar tegen de Israëlieten zegt zij: "ulieder God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde."
Vér bóven alle goden stond de God van Israël.!
" Ik weet", zegt zij, "dat de Here u dit land gegeven heeft".
Wát een geloof spreekt er uit deze woorden en wát een vertrouwen blijkt zij te hebben in de Almachtige God, de God van Israël.!!
Dit was waarachtig géén lippentaal maar een diepste belijden vanuit de grond van haar hart!!
Dat dit zo was, dat toonde zij wel zeer duidelijk door haar daden,want door het verbergen van de twee verspieders en door hen te helpen om te ontvluchten, stelde zij immers haar eigen leven ook in de waagschaal?.
Wanneer haar daad ontdekt zou worden; en, hoe gemakkelijk kon dit wel niet gebeuren, dan zou het haar leven gekost hebben.
Zij nam echter de beide verspieders met vrede op in haar huis.
Wanneer de apostel Jacobus veel en veel later in Jacobus 2:25 betoogt dat het geloof met de werken gepaard moet gaan, dan stelt hij ook Rachab tot een voorbeeld: "En desgelijks ook Rachab de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen en door een andere weg heeft uitgelaten?".
Door haar geloof stelt zij thans haar leven in gevaar om het straks te behouden; door haar geloof weet zij,dat de Here het land aan Israël zal geven; dán zullen de stad en haar inwoners vernietigd worden.
Bij dat komende oordeel zoekt zij nu haar behoudenis en zegt dan tot de beide mannen: "Nu dan, zweert mij toch bij de Here, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid zult doen aan mijns vaders huis en geeft mij een waar teken, dat gij mijn vader en moederin het leven zult behouden, alsook mijn broeders en zusters met alles wat zij hebben, en dat gij onze zielen van de dood redden zult."
De mannen beloven haar op hun erewoord dat zij voor haar behoudenis zullen zorgdragen; de vrouw zal de mannen vanuit het venster van haar huis dat op de muren van de stad was ingebouwd doormiddel van een scharlaken snoer neerlaten langs de buitenkant van de muur.
De mannen spreken met haar af, dat dit zelfde snoer het verlangde teken zal zijn, en, wanneer de stad door de Israëlieten belegerd en ingenomen zal worden dan moet Rachab het scharlakensnoer uit haar venster hangen.
Op deze wijze en met deze afspraken redden de twee mannen hun leven en verbergen zich, op aanraden van de vrouw Rachab, nog drie dagen in het gebergte om niet door hun achtervolgers gevonden en gevangengenomen te worden.
De stad Jericho werd verwoest en al haar inwoners zijn daarbij omgekomen, maar Rachab, die het scharlakensnoer uit haar venster liet hangen, is met haar huis, gespaard gebleven. Jozua 6:21-24.
Van de stad Jericho en haar inwoners werd gezegd: "En als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand vanwege ulieder tegenwoordigheid".
Echter, toen het bekend werd dat er twee verspieders in de stad aanwezig waren, moesten deze, op last van de koning, gevangen genomen worden.
En, toen Israël tegen de stad ten strijde trok, "sloot Jericho de poorten toe en was gesloten voor het aangezicht der kinderen Israëls." Jozua 6:1.
De koning van de stad Jericho heeft geen gezanten uitgezonden en heeft niet begeerd hetgeen tot vrede dient. Lukas 14:32.
Rachab daarentegen heeft haar huis voor de Israëlieten opengesteld en hen met vrede ontvangen.
Toen Jericho de poorten sloot, heeft zij haar venster geopend en het scharlaken snoer uitgehangen.
Oók dít deel van deze geschiedenis heeft voor ons zijn profetische betekenis.
De twee verspieders worden uitgezonden vanuit Sittim; dat was dus ten tijde toen Israël zich nog in de woestijn bevond.
Deze woestijnreis van het oude volk van God is het beeld van de strijdende kerk op aarde.
Aan het begin van deze woestijnreis zond Mozes de twaalf verspieders uit naar het land Kanaän.
Op bladzijde 3 van het werkje "Apostelen of niet" stelt apostel Schwartz deze twaalf verspieders als voorbeeld van het twaalfvoudig apostolaat dat in de aanvang der kerk werd uitgezonden in de wereld.
Aan het einde van de woestijnreis worden door Jozua twee verspieders naar Kanaän gezonden om met name Jericho te verkennen.
In het zevende, of laatste tijdvak der genadebedeling worden door de Heer der Kerk Zijn twee getuigen uitgezonden in de straten van de grote stad. Zacharia 4:14; Openbaring 11:3,4; Openbaring 11:8.
Het Apostolisch Profetisch getuigenis verkondigd in de wereld dat de ongerechtigheden voor God indachtig zijn geworden en dat de oordelen elkander zullen opvolgen en de ondergang nabij is.
Evenals de twee verspieders door de dienaren van de koning vervolgd werden en door die vervolging gehinderd werden om hun werk in de stad Jericho voort te zetten, ja, zich zelfs drie dagen schuil moesten houden zo zullen ook de "twee getuigen" door de anti-christelijke macht "drie dagen en een halve" in hun getuigenis gedood worden en zich verborgen moeten houden tussen de anti-christelijke staten bergen.
Maar, evenals Rachab de beide verspieders in vrede in haar huis ontving, zo zullen er, vóórdat de getuigen drie dagen en een halve dood zullen liggen, nóg meer van zulke Rachabs gevonden worden die het Apostolische-Profetisch Getuigenis in en met vrede zullen ontvangen. Mattheus 10:11-15.
Dat zijn zij, die hun ogen zalven en dan de waarachtigheid zullen zien van de Here God onder Zijn uitverkoren volk.
Dat zijn zij, die geloven en dan inzien dat de machten in Kerk en Staat een vreselijke crisis tegemoet gaan en die zich niet ijdel vlijen met de hoop om deze crisis te kunnen bedwingen of dat deze crisis wel weer voorbij zal gaan.
Deze mensen zullen behoudenis zoeken bij de gezondenen van de Here God, "bóven in de Hemel en beneden op de aarde" en die zich dan laten verzegelen vóórdat de aarde beschadigd wordt.
Rachab stelde haar leven in de waagschaal omdat zij de verspieders met vrede ontving.
In Zijn rede over de eindtijd zegt de Here Jezus: "Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen;en zo wie het zal verliezen, die zal het in het leven behouden." Lukas 17:33.
Omdat zij het Lam volgen waar het ook henengaat, zullen zij dit leven moeten prijsgeven, maar dan ook behouden worden uit de ure der verzoeking die over de gehele wereld komen zal.
Bezien wij nog nog het scharlaken-snoer.
Dit snoer werd tot een waar-teken van behoud.
Scharlaken is een intense rode kleurstof, die, wanneer een stof daarin gedrenkt wordt, er niet meer uit te verwijderen is.
In Jesaja 1:18 wordt deze kleur vergeleken met de zonde.
Doch zij wordt daar óók genoemd in verband met de vergeving van de zonde: "Komt dan, en laat ons samen richten zegt de Here: al ware uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw."
Scharlaken rood wijst ons dus óók op zonden-vergeving.!!
In dat beeld komt het eveneens voor bij de reinverklaring van melaatsheid.
De priester moest bij de rein-verklaring van een melaatse óók scharlaken nemen. zie Leviticus 14.
Meerdere malen wordt in de Heilige Schrift de zonde melaatsheid genoemd.
Reinverklaring van de melaatsheid is dan het beeld van de zondevergeving.
Eén van de vier kleuren van de voorhang van de Tabernakel was scharlaken-rood. Deze vier kleuren stelden het viervoudige ambt van de Here Jezus Christus voor, en in het scharlakenrood wordt Hij uitgebeeld als de Grote Evangelist.
Het Evangelie is de blijde boodschap, de prediking van genade aan zondaren.
Het scharlaken-snoer was voor de beide verspieders tot hun behoudenis, tot redding van hun leven, en, zij stelden dit óók tot een waar-teken tot behoudenis van Rachab.
Zij hangt het snoer uit het venster, hiermede als het ware uitroepende: "Wees mij genadig".
Zo is ook het centrale punt van de prediking van het Apostolisch-Prpofetisch-Getuigenis: Christus en Dien gekruisigd.
En, dáárom prijst de geestelijke Salomo Zijn bruid met de woorden: "uw lippen zijn als een scharlaken-snoer en uw spraak is liefelijk." Hooglied 4:3a.
Rachab de hoer heeft gewoond temidden van het volk van Israël en zij is mede gegaan in de rust van het land Kanaän.
Later kwam zij in een echt-verbinbtenis met Salmon en werd toen de moeder van Boaz, die ons welbekend is uit het boek Ruth.
Deze Boaz was de overgrootvader van koning David, uit wien, voor zover het het vlees aangaat de Christus is voortgekomen.
Hieruit blijkt ons dat de Here Jezus Zich niet geschaamd heeft om deze vrouw Rachab, die een zondares was maar zich tot het geloof van de levende God had bekeerd, onder Zijn geslacht óp te nemen. zie Mattheus 1:5.
En, evenzeer heeft Christus Zich niet geschaamd om ons Zijn broeders te noemen, maar heeft ons vlees aangenomen op dat Hij ons, zondaren, door het geloof tot erfgenamen Gods zou maken en mede-erfgenamen van Christus.