De nieuwe, onbekende weg:

Jozua 3:4b:

“Want gijlieden zijt door die weg niet gegaan gisteren en eergisteren.”

Wij worden in het derde hoofdstuk van het boek Jozua bepaald bij een vreugdevolle dag voor het volk des Heren, onder het Oude Verbond.

Het was voor dat volk zeer zeker 'een dag die de Here gemaakt had', want, de belofte die de Heer aan Abraham had gedaan, namelijk dat zijn zaad het land Kanaän tot een erfelijke bezitting zou ontvangen, ging nu in vervulling.

En, omdat de geschiedenissen van het Oude Verbond geen op zichzelf staande geschiedenissen zijn, maar ook nú voor ons nog een rijke betekenis hebben, willen wij, in dit korte schrijven, gaan bezien welke betekenis en waarde de bovengenoemde dag ook nu nog voor ons heeft.

Juist voor ons, omdat wij weten, en aan de tekenen der tijden kunnen zien, dat ook onze “onze woestijnreis” bijna ten einde is.

Veertig lange jaren verbleef het Oude Verbondsvolk in de woestijn nadat het door de machtige arm van de Heer uit het land van Egypte was verlost.

Om hen van de tyrannie van de Farao te redden, voerde de Heer het volk door de wateren van de Rode Zee, en, toen het aan de overzijde was gekomen, toen was het een vrij volk.!

In 1 Korinthe 10:1,2 onderwijst apostel Paulus ons, dat dit het schaduwvoorbeeld is van de Heilige Waterdoop, want, bij het ontvangen van deze waterdoop worden wij immers verlost van de macht van de duivel en gebracht tot de vrijheid der kinderen Gods.

Laten wij echter wel goed opmerken, dat de Here God niet zomaar zonder meer Zijn volk naar de beloofde erve laat vertrekken.

Al was dit volk nu verlost van de Farao en tot de vrijheid gebracht, het was toch ook niet meer dan een wilde horde die daar verder trok door de woestijn.

Nee, Hij leidde hen naar de berg Sinaï om ze daar de Wet op de stenen tafelen te geven; en, van nu af aan was het werkelijk een volk, een nationaliteit.

En, omdat het zijn Wet van de Here God ontving, was het een theocratisch geleid volk.

Hierin ligt voor het Nieuw Testamentische volk een belangrijke aanwijzing, namelijk, dat het werk Gods niet ten volle aan ons wordt vervuld dan alleen door het ontvangen van de Doop.!

Daarom lezen wij dan ook in de Heilige Schrift, dat de dicipelen, ná de Doop, door de handoplegging der Apostelen, verzegeld werden met de Heilige Geest. Handelingen 8:17 en Handelingen 19:6.

Hiermede wordt de belofte van de Heer die wordt uitgesproken in Jeremia 31:33,vervuld: “Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Zo zien wij het volk van Israel dán weer gelegerd en dán weer trekkende door de woestijn; nu niet meer als een horde, maar als een goed geordend leger, zich scharende onder zijn banieren terwijl het Heiligdom Gods, de Tabernakel, zich in het midden daarvan bevond.

Vele dingen zijn er in die tocht van veertig jaren geschied, en, zij die eertijds uit Egypte uittrokken zijn er niet meer, evenals er bij het einde van dit tijdperk een geheel ander volk, hun nakomelingen, in hun plaats is getreden.

Eindelijk is dan, na de moeilijke en veelbewogen woestijnreis de dag aangebroken dat het volk in het beloofde land Kanaän zal ingaan.

Achter die brede, zilveren strook , de rivier de Jordaan, die daar glinsterend in het landschap lag, flauw zichtbaar, het Beloofde Land.

Maar, hóe zouden zij erin komen.?

Want, terwijl in andere jaargetijden van het jaar de waterstand van de Jordaan zo laag was dat men er op vele plaatsen door heen kon waden, was het water nu hoog, van oever tot oever. vers 15.

Hóe dat grote volk nu aan de overzijde moest komen, dat was een probleem dat niet zomaar op te lossen was.

Maar, de Heer sprak tot Jozua: “Deze dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israel, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal gelijk als Ik met Mozes geweest ben.”

Jozua zend nu zijn ambtslieden door het leger om aan het volk bekend te maken hoe men zich zal moeten gedragen en waarop zij moesten letten.

“Wanneer gij de Ark des Verbonds des Heren uws God ziet, en de Levitische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats en volgt haar na, dat er nochthans ruimte zij tussen ulieden en dezelve, bij de tweeduizend ellen in de maat, en nadert tot dezelve niet, opdat gij die weg weet die gij gaan zult, want gijlieden zijt die weg niet gegaan, gisteren en eergisteren. (de verzen 3 en 4).

Het volk moest dus letten op de Ark des Verbonds, én op de weg die deze ging zou ook het volk gaan, met inachtneming van de gestelde tussenruimte.

De Ark des Verbonds:

De Ark was het voornaamste voorwerp van de gehele Tabernakeldienst, en, in Exodus 25:10-22 vinden wij een beschrijving van deze kist.

Zij was gemaakt van duurzaam hout en geheel bekleed met zuiver goud; de twee stenen tafelen waarop de Wet van God geschreven stond, lagen daar in.

De Ark was afgedekt met een deksel, “verzoendeksel” genaamd; op dat verzoendeksel waren twee gouden Cherubs of engelen geplaatst wier vleugels zich uitgespreid boven het verzoendeksel verhieven, terwijl hun aangezicht naar elkander toegewend was.

Dat de Ark het voornaamste voorwerp van de hele Tabernakeldienst was, wordt begrepen uit de woorden des Heren: “Aldaar zal Ik bij u komen en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubs die op de Ark der Getuigenis zijn.”

In verband met deze belofte lezen wij onder andere: dat, wanneer het land van Juda in grote moeilijkheden is gekomen, de koning Hiskia het Huis Gods binnentreedt en zegt: “O, Here der heirscharen.! Gij God Israëls, Die tussen de cherubs woont.”

En,Psalm 99:1 zegt: “De Heer regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubs.”

Het is dus wel duidelijk waarom de Ark het voornaamste voorwerp in de Tabernakel was, zó zelfs, dat deze zónder Ark waardeloos zou zijn.!, want zij was immers de zichtbare tegenwoordigheid van de Here God temidden van Zijn volk.

Het is daarom dat de Ark met de grootste eerbied en zorgvuldigheid behandeld moest worden; een vergrijp hiertegen werd door God zwaar gestraft.

Wanneer men zich gelegerd had en de Tabernakel opgesteld was, dan stond de Ark, geheel afgezonderd, in het Heilige der Heilige.

Aan de voorzijde was de Ark aan het oog onttrokken door een kleed, de voorhang.

Wanneer men nu verder reisde, dan werd ook het Heiligdom uit elkaar genomen en ineengerold; de Ark moest echter, ook tijdens het reizen, aan het oog onttrokken blijven, en zij werd dan geheel in het kleed van de Voorhang gewikkeld.

Zij werd door vier priesters aan de draagbomen gedragen, zonder dat de Ark dus gezien kon worden.

Zó zagen de Israëlieten de Ark op die grote dag waarover dit geschriftje gaat.

De Ark zou voorop gaan en het volk zou nauwkeurig op haar letten en haar volgen.

Wanneer wij nu deze beschrijving van de Ark lezen en de gewichtige betekenis die zij had in het rijk der schaduwen, dan vinden wij daarin een treffend beeld van onze Here Jezus Christus in Zijn omwandeling op de aarde.

Hij was immers de waarachtige tegenwoordigheid Gods onder de mensenkinderen: “Het vlees geworden Woord heeft onder ons gewoond en tot ons de woorden Gods gesproken.”

In de Ark lagen de twee tafelen van de Wet Gods, waarom zij ook wel de Ark der Getuigenis werd genoemd.

In Christus vinden wij de vervulling van de woorden in “Ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen, en Uwe wet is in het midden des ingewands.”

De heerlijkheid van de Ark bleef voortdurend verborgen achter het voorhangskleed, en, zo zien wij ook dat de goedheid van Christus verborgen bleef achter het kleed van ons vlees ---is: voorhang volgens Hebreeën 10:20, hetwelk Hij had aangenomen.

Op de morgen van dien grote dag zag het volk de Ark, gedragen door de priesters; zij staarden haar na terwijl zij al verder en verder ging.

Zij ging rechtstreeks naar de Jordaan, het brede water dat hen scheidde van het land aan de overzijde.

Nu volgde het volk de Ark, de voorgeschreven afstand in acht nemende en daarbij voortdurend de Ark in het oog houdende.

De priesters naderden het water, en, dán geschiedt het grote wonder, het wonder van Gods Almacht: de wateren vloten voor het aanschijn van de Arke Gods en daar werd een weg geopend door de bedding van de Jordaan.!

De Ark werd verder gedragen, tot in het midden van de bedding van de rivier en daar bleven de priester, met de Ark, staan.

Het volk volgde de weg van de Ark, dóór de bedding, en, halverwege gekomen ontmoette het de Ark met de priesters, maar verder ging het, naar de overzijde, naar het Beloofde Land, naar het einde van de woestijnreis.

De woestijnreis eindigde met een wonderlijke, bovennatuurlijke weg; een weg, die nog nimmer was gegaan, gisteren, noch eergisteren.

Deze weg had de Here God door Zijn Almacht voor Zijn volk gemaakt om hen het Beloofde Land in te voeren.

En, deze vreugdevolle dag der overwinning van het Oud-Testamentische volk, is voor ons een voorbeeld van die dag waarnaar wij verlangend uitzien.

De woestijnreis van het Nieuw-Testamentische volk, die voor bijna tweeduizend jaren geleden is aangevangen, spoedt zich ten einde; de tekenen der tijden spreken hierin een duidelijk taal.

En, o ja, wij zien het, aan het einde van onze weg ligt het brede water van de Jordaan.

Wateren hebben in de Heilige Schrift verschillende betekenissen; zij kunnen ook de dood betekenen.

In deze betekenis --- de dood---, vinden wij ze bij de geschiedenis van Jona, in Jona 2,wanneer hij in de zee geworpen wordt: “Ik riep uit de benauwdheid tot de Here en Hij antwoordde mij. Uit de buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem, want Gij had mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën.”

In diezelfde betekenis spreekt ook de Here Jezus tegen het boos en overspelig geslacht dat van Hem een teken verlangt, over het verblijf van Jona in de vis. Mattheus 12:40.

De wateren betekenen voor Jona dood en verderf, en, wij zien allen aan het eind van onze woestijnreis de Jordaan voor ons liggen: de wateren des doods.

Zo is het met het aardse leven, want het einde daarvan is de onverbiddelijke dood.

Werden in de oude wereld de mensen meestal zeer oud, tóch lezen wij steeds weer: “en hij stierf”.

Ja, de geschiedenis van de mensheid leert ons: het is de weg van alle vlees.

Die weg is zeer oud want hij dateert vanaf de val der mensheid; de bezoldiging van de zonde is de dood, dus een oude zeer bekende weg.

Maar er is een andere, een nieuwe , een nu nog onbekende weg; want wanneer de woestijnreis ten einde is, dan zal de Here God met Zijn volk die weg gaan.

En, in verband met ons voorbeeld, moeten wij hierbij letten op onze Ark die ons voorgaat.

De Here Jezus heeft de dood de doodsteek toegebracht, en, nadat Hij gesproken had: “Ik ga heen om u plaats te bereiden en wanneer Ik u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben”, is Hij, als de Overwinnaar van de Olijfberg af, ten Hemel gevaren.

En op die weg, die Hij gegaan is, daarop hebben wij te letten.

Wel zal er een ruimte van ongeveer tweeduizend jaren blijven tussen Hem, Die ons voorgaat en ons, maar Zijn volk zal aan het einde van de woestijnreis dezelfde weg gaan.

De Heer zal hun een pad slaan door de Jordaan, of beter gezegd: Hij zal hen levend veranderen en verheerlijken en aan de dood doen ontvlieden.

Die weg zal een bovennatuurlijke weg zijn; een weg geschonken door de macht van onze God.

De priesters, in hun lange witte klederen, gingen voor en stonden rondom het volk toen het voorbijtrok.

In onze toepassing zien wij in hen het beeld van de ontslapenen die naar het Schriftwoord in 1 Thessalonicenzen 4:13-17, de eersten zullen zijn in de opstanding.

De Ark stond halverwege op het pad door de Jordaan.

In overeenstemming daarmede lezen wij in 1 Thessalonicenzen 4:17: ”dat wij alsdan worden opgenomen in de wolken, de Here tegemoet in de lucht.”

De tekenen der tijden die wij in onze dagen kunnen aanschouwen, leren ons dat onze woestijnreis haast teneinde is, en dat de tijd niet ver meer is dat de Heer Zijn kinderen tot Zich roept.

Bereidt u, want de Heer komt.!

MARAN-ATHA.