"Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen,als zij tot zeven dagen omringd waren geweest." Hebr. 11:30.
Eénmaal is er een strijd ontstaan tussen het licht en de duisternis. De vorst der duisternis is uit het licht van de Hemel neergestort en heeft in zijn val later ook de mens medegesleurd. Sindsdien is ook op de aarde de strijd tussen licht en duisternis gaande.
De Here God is groot, barmhartig, goedertieren en genadig, doch Hij is óók rechtvaardig.
Hij is rechtvaardig in al Zijn werken en handelen; tegenover als Zijn schepselen, ja, zelfs óók tegenover Zijn tegenstanders en vijanden.
Het is bij de mensen een veel voorkomend verschijnsel, dat zij, wanneer zij met een bepaalde macht zijn bekleed en over anderen zijn gesteld, dat zij die macht vaak misbruiken en het recht verkrachten; vooral tegenover hen, die zij niet mogen lijden of waarmede zij niet goed kunnen opschieten.
Dít hebben wij echter van de Here God, de Rechtvaardige, nooit en te nimmer te verwachten, neen, beide schepselen, de engelen zowel als de mensen die van zo een hoge scheppingsorde zijn dat zij een vrije wil hebben ontvangen waardoor tevens de mogelijkheid bestaat dat zij dien ten kwade zullen aanwenden, moeten vroeg of laat getuigen.
"En ik hoorde den Engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Here, Die is en Die was en Die zijn zal,dat Gij geoordeeld hebt; ja Here, Gij Almachtige God,Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig." Openb.16:5-7
En de overwinnaars aan de glazen zee, zingen: "Groot en wonderlijk zijn Uwe werken Here, Gij Almachtige God;rechtvaardig en waarachtig zijn Uwe wegen, Gij Koning der heiligen." Openbaring 15:3.
Zowel de engelen als de mensen, zijn allebei schepselen die met de Here God in conflict zijn gekomen en die, wanneer zij de Here God de oordelen zien voltrekken, getuigen dat Hij rechtvaardig is.
De rechtvaardige Here God handelt nooit met onrecht of met partijdigheid, en, wat Hij verovert, dat geschiedt langs de weg van rechtvaardigheid en van wettigheid.
Een duidelijk voorbeeld hiervan vinden wij in de zending van Zijn Zoon. Neen, niet door verkrachting van recht en van billijkheid of door misbruik van macht tegenover Zijn tegenstander, maar wel door de weg van vernedering, door lijden, door smart en door dood, deed Hij de duivel beschaamd de nederlaag lijden.
De lezer zal zich wellicht afvragen wat dit gehele betoog toch wel te maken heeft met de tekst die aan het begin van dit schrijven is geplaatst. Het is echter wel degelijk nodig om het voorgaande te betrekken bij de bespreking van de tekst,want het onderwerp handelt toch immers over het in bezit nemen van het land Kanaän door het volk van Israél?
Op bevel van de Here God moesten de inwoners van het land Kanáan verbannen en verdreven worden terwijl de Here God aan Zijn volk de overwinning beloofde.
In gesprekken met anders denkenden, wordt deze handelwijze van de Here God heel vaak door hen bekritiseerd, want, om aan Zijn vrienden het beloofde land te geven laat Hij Zijn vijanden daaruit wegjagen en verdrijven. Deze handelwijze van de Here God wordt dan als onrechtvaardig veroordeelt, als een willekeurige daad van machtsmisbruik.
Echter het antwoord dat de Heer destijds aan de Sadduceën gaf: "Gij dwaalt, niet wetende de Schrift.", dat kunnen wij ook aan deze mensen geven; want, wanneer wij nauwkeurig de Schriften lezen, dan komt juist ook in deze zaak Gods grote rechtvaardigheid aan het licht.
De Here God brengt immers Abraham naar het land Kanaän en belooft hem om aan hem dit land tot een erfdeel te geven.
Maar Abraham daarentegen heeft altijd in dat land als een vreemdeling gewoond.!
De Here God zegt tegen hem dat Hij dat land als een erfdeel aan zijn nakomelingschap zal geven. Maar, wáárom dan niet direct aan Abraham, doch pas aan zijn nakomelingschap en dan nog wel in de verre toekomst?
Het antwoord op deze vraag vinden wij opgetekend in Genesis 15:16: "want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen."
Hoewel de Amorieten en de zes andere volkeren die het land bewoonden, goddeloze zondaars waren die steeds verder van God afdwaalden en van Hem vervreemdden, tóch wachtte Hij, omdat de Here God óók tegenover Zijn vijanden rechtvaardig is. totdat de ongerechtigheid van die volken haar toppunt bereikt zou hebben; want eerst dán zou het oordeel dat over hen kwam, volkomen gerechtvaardigd zijn.
Maar, daarmede liet Hij óók Zijn vriend Abraham lang, zeer lang op de vervulling van de belofte wachten.
Wanneer de nakomelingschap van Abraham in de woestijn op weg is naar het beloofde land, dan schijnt de ongerechtigheid van de inwoners van het land Kanaän haast haar toppunt--volheid-- te hebben bereikt.
Wij krijgen daarvan enigszins een indruk wanneer wij de woorden des Heren lezen die wij opgetekend vinden in Deut.18: 9-12. "Wanneer gij komt in het land dat de Here God u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen dier volken.Onder u zal niet gevonden worden die zijn zoon of dochter door het vuur doet doorgaan; die met waarzeggerijen omgaat; een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar, of bezweerder die met bezweringen omgaat; of die een waarzeggende geest vraagt; of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt; want al wie zulks doet is den Here een gruwel, en, om dezer gruwelen wil verdrijft hen de Here uw God voor uw aangezicht uit de bezitting."
Handelt de Here God rechtvaardig ten opzichte van Zijn vijanden en wacht Hij met de voltrekking van Zijn oordeel totdat zij hun ongerechtigheid volkomen gemaakt hebben; evenzo is de Here God doende om Zijn volk vóór te bereiden om waardig te zijn om de goddelozen te verdrijven en het land Kanaän als een erve uit de hand van God te ontvangen.
Hoewel geen mens om zijn rechtvaardigheid voor de Here God kan bestaan, zie Deut.9:1-5, is de Here God tóch bezig om Zijn volk op te voeden en te leren om met de Here God te wandelen en alleen op Hem te vertrouwen.
Daartoe liet Hij het honger lijden en dorsten en gaf het brood en water en kastijdde het volk als een zoon dien Hij aannam en dien Hij liefhad. Deut.8:2-6.
Zeer zeker geldt ook hier het geschrevene in Openbaring 22:11: "die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde."
Uiteindelijk zien wij dan toch, na vele jaren van zwerven in de woestijn, het Israelitische volk voor de ingang van het beloofde land Kanaän staan, en nú zullen zij het in bezit moeten nemen.
De éérste stad die voor hen lag, was de koningsstad Jericho, een zeer sterke vesting; en, wanneer wij ons een denkbeeld willen vormen van de gesteldheid en van de inwoners van die stad en dat land,dan hebben wij slechts te luisteren naar de mededelingen van de twaalf verspieders die eertijds door Mozes waren uitgezonden om het land te bezien. Numeri 13:27-33.
Het land was dicht bevolkt door grote sterke volksstammen en er waren vele grote steden, gebouwd als vestingen. Bovendien bevonden zich onder die volken ook reuzen, kinderen Enaks, mannen van een geweldige lichaamsafmeting.
Van deze geweldenaren waren de 12 verspieders zeer geschrokken en zij zeiden: "Wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzó waren wij óók in hunne ogen."
Even zo als het reeds in de oude wereld was, toen de kinderen Gods als eenvoudige herders in tenten leefden, waren de kinderen der wereld bezig om voor zich vaste steden te bouwen en zich in eigen kracht sterk en groot te maken.
Zó was het óók hier, en nu stond het volk van God, na veertig jaren in de woestijn te hebben rondgezworven als een Nomaden-volk, tegenover een sterk volk dat in grote steden woonde die waren voorzien van alle voordelen door de uitvindingen en door het menselijk vernuft van dien tijd.
En tóch zou dit land veroverd moeten worden.!
Echter, de Here God zou aan Zijn volk tonen dat niet zij het waren die het land door hunne kracht zouden innemen, maar dat het God Zélf was, Die het aan hen zou geven, ondanks het feit, dat de poorten van Jericho gesloten werden toen het volk van Israél in aantocht was.
Vandaar dan ook de wonderlijke manier waarop zij, volgens het bevel van de Heer, Jericho zouden belegeren.
In opdracht van de Heer, moesten vier priesters de Ark des Verbonds dragen; zij moesten worden voorafgegaan door zeven priesters met bazuinen, en, achter de Ark volgden dan de krijgslieden in hun volle wapenrusting.
In deze volgorde en opstelling moesten zij éénmaal per dag om de muren van de stad henentrekken.
Dit trekken moesten zij zes dagen herhalen.
Echter, op de zevende dag, moesten zij niet eenmaal, maar zevenmaal deze omgang doen en aan het einde van de zevende omgang, wanneer Jozua zou roepen: "Juicht", dan zou ál het volk juichen en de Here God zou de muren doen ineenstorten.
Voor het verstand is deze manier van belegeren een volstrekte dwaasheid en wij kunnen er dus wel zeker van zijn, dat tijdens deze dagen dat zij om de stad heenliepen, er van achter de geweldige muren wel een hoongelag zal zijn opgestegen.
Máár. dáárom is het juist zoals onze tekst luidt: "Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen,als zij tot zeven dagen omringd waren geweest."
Het volk van Israél geloofde in de almacht van de Here God; en, dit geloof was nog kort geleden versterkt toen zij droogvoets door de Jordaan trokken terwijl de Ark in het midden van de bedding van de rivier stond.
Vol vertrouwen verlieten zij zich nu op de Here God toen Hij hun het bevel gaf om de Ark rondom de stad te gaan dragen.
En, de Here God heeft hun geloof beloond.!
Na de, schijnbare eindeloze, reis door de woestijn heeft het volk van Israél eindelijk rust gevonden in Kanaän.
Over deze rust wordt in Hebreeën 4 geschreven en daar wordt gezegd dat Jozua hen niet in de rust gebracht heeft, maar dat het wonen van Gods volk in Kanaän slechts een voorbeeld is van de rust die door de Wáre Jozua, betekent: Heer der verlossing, Jezus Christus, zou worden gebracht.
Het land Kanaän is dus, nadat het door Israél als beloofde erve in het bezit genomen was, het type en schaduwvoorbeeld van het komende Vrederijk op de aarde.
Hieruit volgt dan vanzelf dat het Kanaän dat daarvóór door zeven afgodische volkeren werd bewoond, een afschaduwing is van de wereld waarin wij nu nog leven.
Jericho met haar hoge en sterke muren en poorten laat ons de grote wereldmachten zien, want hoog en breed zijn de muren van eigen kracht en van mensenverafgoding, terwijl de poorten van het hart voor het getuigenis van God gesloten worden.
Achter die muren waant het volk zich, met de reuzen in hun midden, veilig en geborgen.
In het ons allen welbekende hoofdstuk, Jesaja 25, wordt het komende Koninkrijk van Christus op de aarde in heerlijkheid, getoond als een berg waarop de Here der Heirscharen alle volken een vetten maaltijd zal bereiden.
En, daar wordt óók geschreven over de stad, en, uit het verband blijkt ons, dat daarmede de goddeloze wereld bedoeld wordt, die bij de komst van het Vrederijk van Christus, ten onder zal gaan.
"Gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt, de vaste stad tot een vervallen hoop, het paleis der vreemdelingen, dat het geen stad meer is, in eeuwigheid zult gij niet herbouwd worden. Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen,vernederen, ja Hij zal ze ter aarde tot het stof doen reiken."
Het oordeel dat hier over een stad wordt uitgesproken in Jozua 6:20,21,24, is letterlijk aan Jericho vervuld want nu nog steeds is de stad een grote puinhoop.
Dáárom is Jericho, mede in verband met de stad genoemd in Jes.25, een getrouw en waar beeld van de grote wereldmachten en hun ondergang bij de komst van het Rijk van Christus.
Zoals het volk van Israél stond vóór de muren en poorten van Jericho, en werden uitgelachen, zo staan wíj in de wereld, mét het getuigenis dat ons van God is gegeven, want wat zijn wij klein tegenover de grote wereldmachten.!
Wat zijn wij toch nietig tegenover de reuzen van de aardse wetenschap en de macht en de heerschappij. Wij achten ons als sprinkhanen en zíj zien vanuit de hoogte op ons als sprinkhanen neer.
Wij zullen daar echter niet te veel aandacht aan besteden maar op de Heer vertrouwen, want, DOOR HET GELOOF zijn toch immers de muren van Jericho gevallen?.
Het Godgeheiligd zaad zal het gezegende aardrijk beërven en de overwinnaars zullen dan zingen: "Gij hebt ons, onze God, gemaakt tot koningen en priesters en wij zullen als koningen heersen op de aarde" Openb. 5:10.
Onze Ark der getuigenis, gedragen door de vier priesters, moet rondom de muren geleid worden want de Wet des Geestes moet uitgedragen worden door de van God geroepen Apostelen, Profeten, Evangelisten en Herders.
En, terwijl de priesters op de bazuin van het Evangelie blazen, zal het uitverkoren erfdeel des Heren hen volgen in de volle wapenrusting Gods. Efeze 6:11-17.
Dit is de opdracht des Heren, tótdat de Grote Jozua ons zal doen juichen, want de overwinning van Gods volk is de nederlaag en de ondergang der wereld. Het licht overwint de duisternis.
Reeds een zeer lange tijd wacht het volk van God op de vervulling van deze belofte, maar, de ongerechtigheid van deze wereld is nog niet tot het toppunt gekomen.
Hiervoor lezen wij wat er in 2 Thessalonicenzen 2 staat opgetekend: "De dag van Christus komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht en tekenen der leugen, en in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan."
Wanneer deze ongerechtigheid IN ZIJN VOLHEID zal geopenbaard zijn, dan zal de Here hem verdoen door de Geest Zijns monds en teniet maken door de verschijning Zijner toekomst.
Intussen gaat de Here God verder om Zijn volk te onderrichten, te beproeven en te louteren, zodat het bereid zal om de eeuwige erfenis te ontvangen,want ons geloof zal de wereld overwinnen.
En, opdat wij in dat geloof niet zullen verflauwen spreekt de Grote Overwinnaar tot onze bemoediging: "In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen".