Jozua 8:30-35
Ná de inneming van Ai, waarover wij kunnen lezen in Jozua 8:1-29, trok Jozua met het ganse volk op naar de bergen Ebal en Gerizim om te doen wat Mozes geboden had in Deuteronomium 11:29,30:
"En het zal geschieden als de Here uw God u zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat om dat te erven, zult gij de zegen uitspreken op de berg Gerizim en de vloek op de berg Ebal. Zijn zij niet aan gene zijde van de Jordaan, achter de weg van de ondergang der zon, in het land der Kanaaänieten die in het vlakke veld wonen tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van Moré.?"
Wij lezen hier nog uitvoeriger over in Deuteronomium 27.
Nú had de Here God Zijn beloften aan Israel vervuld en Zijn volk doen ingaan in het beloofde land Kanaän.
Jozua heeft het kamp te Gilgal opgebroken en trok met het volk naar Sichem, dat tussen de bergen Ebal en Gerizim was gelegen.
Uit de geschiedenis blijkt dat de Here God deze reis voorspoedig maakte want wij lezen tenminste niet dat ook maar enig volk zich opmaakte om hen te verhinderen om bij die plaats te komen. Eérst moeten wij echter nog wel opmerken, dat wij hier met een historische plaats te doen hebben, want dáár, bij de eikebomen van Moré, was eens de woonplaats van Abraham en die had dáár voor de Here die daar aan hem verschenen was, een altaar gebouwd.
Het was dáár aan die plaats, dat de Here God aan Abraham beloofde dat Hij aan hem en zijn zaad het land Kanaan zou geven tot een eeuwige erfenis; een land, overvloeiende van melk en honing. En dáár, aan die plaats had de Here God met Abraham het verbond opgericht.
Wat lag er dus nu meer voor de hand, om nú, nu de beloften die aan Abraham waren gedaan, in vervulling gingen, daar, op die gewijde plaats en dankbaar aan de Getrouwe Verbonds-God, het verbond met Hem te vernieuwen.?
Daartoe richtte Jozua een Altaar op, een altaar van gehele stenen waarover geen ijzer bewogen was, en, daarop offerden zij aan de Here hun brandofferen en hun dankofferen.
Oók schreef Jozua de Wet Gods over op grote stenen, die daar opgericht werden. Deuteronomium 27:2,3.
Een altaar heeft voor een godsdienstig volk een grote betekenis.
Met de bouw van een altaar was de geschiedenis begonnen.
Abel en Kain hebben bij de altaren de Naam van de Here God aangeroepen; en, door de eeuwen heen is het gegaan van altaar tot altaar.
Noach hief zijn handen op bij het altaar, en, Abraham bouwde ter plaatse waar de Heer aan hem verschenen was, een altaar; deze geloofsheld werd het vergund om bij het altaar de Dag des Heren te mogen zien, waarover hij zeer verblijd is geweest. Johannes 8:56.
Deze heerlijke openbaring werd aan Abraham gedaan toen hij op de berg Moria het altaar gebouwd had om, op Gods bevel, zijn enige zoon, de zoon der belofte, te offeren.
Tóen heeft de Here God Zichzelf reeds een Lam ten brandoffer voorzien. Genesis 32.
Daarná hebben Izaäk en Jacob, bij de altaren, zich vastgeklemd als ziende de Onzienlijke, tot eindelijk in het voorhof van het Heiligdom het brandofferaltaar werd opgericht waarop dagelijks het offerbloed werd geplengd, dat een schaduwvoorbeeld was van het Lam Gods dat te komen stond om de zonden der wereld weg te nemen, waarom hun telkens werd toegeroepen: "Laat u met God verzoenen, en offert uzelf een levend brand- en dankoffer."
Het altaar was de stille, heilige stem Gods die getuigde: "Ik ben uw God, gij zijt Mijn volk."
Geen enkele godsdienst kan zonder altaar bestaan; zelfs de heidenen hebben, in hun blindheid, nog naar het altaar getast, en, uit bange voorzorg in Athene een altaar gebouwd voor de onbekende god.
Uit godsdienstig oogpunt waren deze heidenen de moderne heidenen van onzen tijd ver vooruit, de moderne heidenen, die de zogenaamde "bloedtheologie" verwerpen, dat wil zeggen het geloof in de kruisverdienste van Christus en dan zónder verzoening de macht willen hebben om kinderen Gods te worden.
Het altaar dat Jozua tussen de Ebal en de Gerizim oprichtte, was het begin van de geschiedenis van Israel in het land Kanaän; en later, wanneer het gehele land zou zijn ingenomen, dan zou ook dít altaar geen dienst meer doen wanneer eenmaal de Tabernakel te Silo zou zijn opgericht.
Jozua maakte dit altaar van ruwe stenen waarover geen ijzer bewogen was; dit duidde op Christus, die niet alleen het Offer is, maar óók het Altaar, en, die hier op aarde kwam zonder gedaante of heerlijkheid. Jesaja 53:2,3.
Aan deze gewijde plaats, tussen de Ebal en de Gerizim bouwde Jozua dus dit altaar; en, tegen de hoogten van Gerizim zouden strak lieflijk de woorden van zegen weerklinken; tegen de rotsen van de Ebal zouden de vloeken der Wet weerkaatsen, die vloeken, die zeer zeker over Israel, dat van zijns vaderen dagen af tegen de Here God rebelleerde, zouden komen indien niet het verzoenend altaar tussen deze beide bergen stond.
Wij moeten hetgeen daar gebeurde ons ongeveer zó voorstellen:
De Levitische priesters, met de Ark de Verbonds in hun midden van het dal te Sichem. Aan weerskanten daarvan, gelegerd tegen de terrassen der beide bergen, het volk met zijn oudsten, zijn ambachtslieden en rechters, aan de ene kant de ene en aan de andere kant de andere helft.
In Deuteronomium 27, lezen wij over deze opstelling dat op de helling van de berg Gerizim de stammen van Levi, Juda en Issaschar, Jozef en Benjamin, (Jozef, zoals die vertegenwoordigd was door Efraïm en Manasse), waren opgesteld.
En, op de helling van de Ebal de stammen van Ruben en Gad, Aser en Zebulon, Dan en Naftali.
Deze laatsten zouden de vloek uitspreken, waarvan wij lezen in Deuteronomium 27; de eersten de zegen die wij kunnen lezen in Deuteronomium 28:1-14.
De zegen en de vloek werden uitgesproken bij monde van de priesters, en het volk bevestigde de zegen- en de vloekformules met het telkens uitspreken van het "Amen".
Door dit "amen", nam Israël de gehele Wet, mét haar zegen en haar vloek, voor haar rekening.
Het verdient onze opmerking, dat de stammen van de zonen van Lea en Rachel, daar stonden om te zegenen, en dat stammen van de zonen der dienstmaagden daar stonden om te vloeken, met dien verstande, dat, waar de zonen der vrijen meerder waren dan die der dienstmaagden, er van de zonen der vrijen er twee moesten worden toegevoegd aan die der dienstmaagden om op de Ebal en de Gerizim beide, zes stammen te verkrijgen.
Zo zien wij Ruben, die door bloedschande zijn eerstgeboorterecht verbeurd had, zie Genesis 49:4, en Zebulon, als de jongste zoon van Lea, bij de zonen van de dienstmaagden plaats nemen.
Tevens valt nog op te merken, dat er eigenlijk zeven stammen waren om te zegenen: Jozef in Efraïm en Manasse.
De zegen heeft, Gode zij dank, altijd de vloek overtroffen.!
Geheel het volk van Israel was tegenwoordig, zowel de mannen als de vrouwen en de kinderen; ook waren er onder hen nog vreemdelingen, want, er waren toch steeds niet-Joden onder het volk, namelijk zij, die tot de God van Israel bekeerd waren.
Later werden zulke bekeerlingen Jodengenoten genoemd. Handelingen 2:10.
Zó gelegerd en opgesteld, met de Ark des Verbonds in het midden, staande bij het Altaar, en omringd door de priesters, werd de Wet Gods aan het volk voorgelezen.
Er was niet één woord, hetwelk Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid liet voorlezen. Op deze wijze werd het land gewijd tot een land, waar de Heer door Zijn Woord en Ordeningen zou regeren als een Koning die recht en gerechtigheid uitoefende.
Wat moet dit, in dat dal, een indrukwekkende plechtigheid zijn geweest.
Het is net, of er hier iets doorschemert van de dag waarop de Here God als de geslachten der mensen zal oproepen om voor Zijn troon te verschijnen. Openbaring 2:11-14,15.
Toen het Tienstammenrijk zich van het huis Davids afscheurde, bouwde het ándere altaren; Jerobeam bouwde altaren te Bethel en te Dan.
Hoe kwaad dit was in de ogen des Heren, mag blijken uit het woord van de man Gods uit Juda, de man Gods, die gezonden was om tégen het altaar te Bethel te profeteren. 1 Koningen 13.
Een zoon uit het huis Davids zou op dat altaar mensenbeenderen verbranden, wat later dan ook is geschied. 2 Koningen 23:15,16,20; en, een ergere verontreiniging was niet denkbaar.!
Het Tienstammen Rijk, evenals ook Juda, zijn later om hun zonden weggevoerd, vér van het altaar des Heren.
De profeet Amos had de Heer zien staan op het altaar. Amos 9:1, en, de plaats waar de Here God staat, ís het altaar.
Amos zag echter dat de Verbonds-God optreedt als Rechter, die een onderzoek opent.
Israel had het altaar Gods verloochend en ontheiligd door zijn eigen altaren te gaan bouwen; wél kwam het volk om op het altaar des Heren zijn offeranden te brengen, maar zij brachten niet zichzelf, want, in plaats van een levend, van dankbaarheid trillend hart, gaven zij aan de Heer bokkenbloed en stierenvlees en dáárom was de toorn des Heren tegen hen ontstoken.
De profeet Hosea had het voorzegd: "De kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten.....zonder offer..." Hosea 3:4, "en, alzo is geschied".
Na de terugkeer der Joden, hebben de Samaritanen de berg Gerizim voor heilig gehouden omdat hunne vaderen daar hadden aanbeden. Johannes 4:20.
Dit duidt hoogst waarschijnlijk op hetgeen was voorgevallen bij de bergen Ebal en Gerizim, onder leiding van Jozua.
De tijd werd vervuld en de Here Jezus kwam als het Lam Gods, en stierf op Golgotha en volbracht aldus de gehele Oud-Testamentische offerdienst.
De Nieuw-Testamentische Gemeente heeft dóór Christus' offerwerk en Zijn Hogepriesterdienst, een ánder altaar, Hebreeën 13:10, waarbij zij gedurig de beker der verlossing mag opnemen en de Naam des Heren aanroepen. Psalm 16:13.
De Here Jezus heeft de vloek op het kruishout gedragen en ons een zevenvoudige zegen nagelaten in de gaven van de Heiligen Geest.
Wie nu zulk een altaar heeft, hoeft niet meer te vrezen, maar zal gedurig Gode loven omdat Hij het zó gedaan heeft.
Zó zal de Gerizim ten allen tijde tégen de Ebal getuigen en het "Vrede zij ulieden" zal bij dit altaar immer worden gehoord.!