In Jozua 6 en 7, en, óók op ándere plaatsen in de Heilige Schrift, kunnen wij lezen van- en over "de ban".
Het woord "ban" betekent: 'doden', óf, ook wel 'afsnijden'.
Het eigenlijke karakter van de tucht in het Oude Testament ligt hierin, dat de Here God Zijn volk naar buiten afzondert van de heidenen, en naar binnen heiligt tot Zijn dienst.
Evenmin als de opvoeding van de kinderen zonder tucht kan zijn, zo kan ook geen enkel volk, geen enkele natie, zónder tucht.
Dus, óók het volk van Israel, dat door de Here God in het Beloofde Land geleid werd, niet.
De ban was een straf die, door de Here God Zélf, als de Koning van Israel, in de Wet was vastgelegd en, zowel naar binnen als naar buiten werkte.
Naar buiten moest Israel de zeven Kanaänietische volkeren uitroeien.-zie daarvoor Deuteronomium 7:1-11 e.a.p., dit was de straf die volgde op de zonden van deze volkeren. Genesis 15:16.
Vanwege het gevaar van vleselijke vermenging en van afgoderij, moest Israel deze volkeren verbannen.
De Heer sprak: "Zij zouden uwe zonen van Mij doen afwijken, dat zij geen andere goden zouden dienen en de toorn des Heren zou tegen u ontsteken en u haast verdelgen."
Naar binnen gebruikte de Heer de ban als een middel om de zonden uit het midden van het volk weg te doen.
Een afgodendienaar, godslasteraar, tovenaar, waarzegger en duivelskunstenaar, en een doodslager, moesten 'gebannen', dat wil zeggen, 'gedood' worden.
Israel moest hierdoor blijk geven dat het zijn roeping getrouw was en dat het getrouw was aan de geboden des Heren.
Het onderwerp over de ban, bepaald ons in het bijzonder bij de geschiedenis van Achan.
De Heer had, bij de inneming van Jericho, uitdrukkelijk geboden in Jozua 7:17,18: "Deze stad zal den Heer verbannen zijn, zij, en ál wat daarin is; wacht u van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, nemende van het verbannene, en het leger Israëls niet stelt tot een ban, noch hetzelve beroert."
Achan was ongehoorzaam aan dit gebod des Heren, en, dáárom ontstak de toorn des Heren tegen Israel zodat, toen Israel tegen Ai ten strijde trok, het verslagen werd en 36 mannen in die strijd hun leven lieten.
Op het gebed van Jozua antwoordde de Heer: "Israel heeft gezondigd, nemende van het verbannene, en óók gestolen, óók gelogen."
Dit zijn zeer ernstige beschuldigingen die door de Heer tegen Zijn volk worden ingebracht.!
Israel heeft gezondigd, ofschoon er slechts één man deze misdaad had begaan.!
Hier is wel zeer duidelijk het Bijbelwoord van toepassing: "Eén dode vlieg doet heel de zalf des apothekers stinken."
De zonde van Achan was een "bondsbreuk", want, door het verbond met de Heer, had Israel de verplichting op zich genomen om Hem te gehoorzamen.
Israel was één lichaam, en íeder lid had toe te zien dat het lichaam niet werd geschonden.
Achan had echter gelogen en gestolen, máár, wíe had hij nu bestolen.?
Volgens Jozua 6:19, moest ál het zilver en het goud, en de koperen en ijzeren vaten uit Jericho, aan de Heer geheiligd worden.
Achan had echter een sierlijk overkleed, twéé honderd sikkelen zilver én een gouden tong van vijftig sikkelen, gestolen van datgene wat aan de Heer toekwam.
Achan had óók gelogen, dat wil zeggen, hij had zijn zonden bedekt gehouden, óók toen het volk van Israel bij Ai de nederlaag leed en er 36 mannen, om zíjn zonden, in de strijd waren gevallen, hij zweeg zelfs nog toen het lot werd geworpen.!
Hij bekende zijn zonden niet eerder dan dat hij, daartoe door het lot aangewezen, er niet meer onder uit kon komen.
Niet belijden, is liegen tegen de Here God.!
De Heer gaf aan Jozua het bevel om zo spoedig mogelijk maatregelen te nemen en de ban uit Israel wég te doen.
Zien wij nu eens verder, wat er met Achan gebeurt.
Hij staat vóór Jozua, als het ware door de Heer Zélf aangeklaagd; en, Jozua, de rechter wend zich tot hem met de woorden: "Mijn zoon, geef toch aan de Heer, de God Israëls, de eer, en doe voor Hem belijdenis, en geef toch te kennen wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet."
Welk een voortreffelijk rechter is toch Jozua, want, hij spreekt: "Mijn zoon", tot de schuldenaar die geheel Israel beroerde,
In dit woord klinkt een oprechte liefde door tot de schuldenaar. Jozua voelt oprecht medelijden met de ongelukkige Achan.
Wat is dit een groots voorbeeld voor de leidslieden die over de kudde Gods zijn gesteld.
Het hart van Achan werd door deze woorden gebroken, en, open en eerlijk deed hij belijdenis.
Het was Jozua er om te doen om Achan tot een ootmoedige belijdenis van zonden te brengen, want hij zegt: "Geef toch de Heer, de God Israëls, de eer.", dat wil zeggen, erken dat Hij het is die uwe misdaad aan het licht heeft gebracht.
Achan had tegen de Heer gezondigd, en, hij moest voor Hem belijdenis doen want dán was er ook voor hém vergeving in het bloed van de komende Christus.
Het schijnt, dat de zachtmoedige en liefderijke woorden van Jozua een gezegende uitwerking op het hart van Achan hebben gehad, want, eerlijk deed hij belijdenis: "Voorwaar, ik heb tegen de Heer, de God Israëls, gezondigd en heb alzo en alzo gedaan."
Schuldbelijden: het is zo'n groot verschil, hóe een mens zijn schuld belijdt.
Nadat Samuel tegen Saul had gezegd dat de Here God het koninkrijk ván hem had genomen en hem had verworpen, riep Saul het uit: "Ik heb gezondigd."
Toen de profeet Nathan aan David de schuld van David onder ogen bracht, riep ook deze het uit: "Ik heb gezondigd."
Máár, wélk een groot verschil bespeuren wij in deze beide belijdenissen.! Saul beleed zijn schuld uit vrees voor de toorn Gods. David beleed echter zijn schuld vanuit een smartelijk gevoel over zijn begane zonden én billijkte daarvan de gevolgen, waarvan hij zelf het vonnis had uitgesproken.
In Psalm 51 beluisteren wij het smartelijke gevoel van Davids ziel over zijn begane zonden: "Tegen U, ja U alleen, heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uwe ogen."
Wij moeten leren inzien, dat de zonde zo erg en verschrikkelijk is omdat ze bedreven wordt tegen onze trouwe God; en, dit moet dan een oorzaak worden van een zieldoorborende smart.
Opmerkelijk zijn de woorden die Achan in zijn bekentenis sprak: "ik zag, ik kreeg lust, en ik nam." Jozua 7:21.
Zó was het óók bij Eva toen zij verleid werd: ze zag dat de vrucht goed was tot spijze; zij kreeg lust, en zij nam en at.
Zó is de droeve historie van de zonde door de eeuwen heen.
De gevolgen van de zonde van Achan waren verschrikkelijk: "Toen nam Jozua, en gans Israel mét hem, Achan, de zoon van Zerah, én het zilver én het sierlijk overkleed én de gouden tong, én zijn zonen en dochteren, én zijn ossen en zijn ezelen en zijn vee, én zijn tent en alles wat hij had, en zij voerden ze naar het dal Achor. En Jozua zeide: "Hoe hebt gij ons beroerd.?, de Heer zal u beroeren te dezen dage. En gans Israel stenigde hem met stenen en zij verbrandden ze met vuur en zij overwierpen ze met stenen en zij richtten over hem een grote steenhoop op, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde zich de Heer van de hittigheid Zijns toorns."
Zo zien wij hier een volledige voltrekking van de ban, waardoor de zonde en het oordeel over Israel gekomen was.
Achan moest de dood sterven, evenals zijn kinderen.
Máár, had de Heer in Deuteronomium 24:36 dan niet gezegd, dat de zonen niet om de zonden der vaderen gedood zouden worden.?
Zeer zeker, maar dát gold voor de gewone gevallen, de zonde van Achan was echter van een geheel andere aard.
Aan de wet van de ban ligt ten grondslag, dat niet alléén de persoon die de zonde doet, zich schuldig maakt, maar zijn gehele omgeving.!
Dáárom sprak de Heer dan ook: "Israel heeft gezondigd."
Iedere Israëliet moest er dus voor waken, dat hij geen schuld op het gehele volk bracht toen de Here God het bevel gaf om niets van het verbannene te nemen.
Veronderstellen wij hierbij, dat Achan het gestolene wel niet zónder medeweten van de zijnen in het midden van zijn tent heeft kunnen verbergen, en daarmede dus zijn familie, die niet bekend maakte dat Achan gestolen had, daarmede in zijn zonde had betrokken, dan zien wij hier niets anders dan een gerechtvaardigde straf.
Nádat zij waren gestenigd werden zij met vuur verbrand.
Voor de Oosterling was lijkverbranding een gruwelijk misdrijf, een schande en een vloek. (Geen aanbeveling dus voor de crematoria waar tegenwoordig zo voor wordt geijverd.)
Daarna overwierpen zij de ashoop met stenen en richtten op die plaats een gedenkteken der schande op, en zij noemde deze plaats: "het dal Achor" hetgeen betekent "beroering".
Máár, in Hosea 2:14 wordt gezegd, dat de Heer het dal Achor zal stellen tot een deur der hope.
Dit woord bevat een belofte.
Welk een ontroering zich ook van Israel meester maakte, toen de ban uit het midden van het leger was weggedaan, want toen was er weer reden om te hopen op Gods nabijheid.
Christus heeft ons aller zonden gedragen en deze verzoend.
Er is hoop voor Achan en zijn huis; er is hoop voor Israel; er is hoop voor iedere zondaar die tot de Heiland komt met een oprechte belijdenis, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
Er was een ban onder het volk, en, dat was de oorzaak van de nederlaag van Israel en van de dood van hen die in de strijd waren gevallen.
Deze geschiedenis spoort ons aan tot zelf onderzoek, vooral als wij in de strijd verliezen.
Achan had dát gestolen, wat tot de schat van het Heiligdom behoorde, daardoor had hij de Heer bestolen. Ach, ware Achan maar de enigste dief gebleven, want, het Israel van latere tijd, deze geschiedenis kennende, vreesde niet om zich te verrijken met des Heren goed.
Toen tijde van de profeet Maleachi, klaagde de Heer: "Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U.? In de tienden en het hefoffer. Met een vloek zijt gij vervloekt omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk."
Hoewel in vorm verschillend, is dit in het wezen der zaak precies hetzelfde als de zonde van Achan: het is de Heer bestelen.
Waren deze diefstal van de Heer, maar beperkt gebleven tot de dagen van Achan, maar, helaas, ook onze dagen getuigen van deze zonde. Want, zijn er niet vele christenen die niets uit deze geschiedenis willen leren en die maar doen naar eigen goeddunken met dát, wat aan de Heer toebehoort.?
Stelen gaat gepaard met liegen, en, de éne zonde baart de ándere.
Men zegt niet zo graag: "Ik ben te gierig om aan de Heer te geven wat Hem toekomt.", en, dáárom zoekt men dan allerlei uitvluchten.
Er worden aanmerkingen gemaakt op het beheer van de offers en weer anderen zeggen heel vroom: "de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand doet."
Weer anderen vertellen met welbehagen wat zij voorheen geofferd hebben maar laten deze heilige zaak nu maar verder aan anderen over.
Dat is ook liegen, want, men verzwijgt de waarheid.
Ja, het geestelijke Israel is er wel droevig aan toe; de zaak van het koninkrijk Gods wordt in stand gehouden door het organiseren van bazaars voor weldadige doeleinden door bij Christenen én Godloochenaars om geld te vragen voor Kerk en Zending.
Zien wij dan niet welk een verschrikkelijke gevolgen het bestelen van God voor de Christenheid bedraagt.?
Evenals Achan en Israel niet aan hun rechtvaardige straf zijn ontkomen, zo zullen ook zij, die zich verrijken met het goed van de Heer, er niet aan ontkomen.
En bij ons...?
Zalig is hij, die geleerd heeft om de geestelijke wet des Heren en Zijn geboden te onderhouden.