DE REUK DER KLEDEREN.
In Hooglied 4:11b lezen wij: "de reuk uwer
klederen is als de reuk van Libanon."
Het Hooglied van Salomo
vertolkt ons de samenspraak van een verliefde bruidegom met zijn bruid. Het is
onder ons genoegzaam bekend, dat deze bruidegom ons niemand minder dan onze
Heer Jezus voorstelt, Die Zichzelf in de dagen van Zijn omwandeling op aarde
meermalen "de Bruidegom" heeft genoemd.
Met de bruid wordt ons de
gemeente der eerstelingen getekend.
In dit 4e hoofdstuk van
het Hooglied roemt de Bruidegom Zijn uitverkoren bruid.
Ook de zinsnede: "de
reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon" is een lofprijzing tot haar
gericht. Door het reeds gezegde mogen wij dit dus beschouwen als een
lofprijzing van de hemelse Bruidegom aan Zijn bruidsgemeente.
Apostel Paulus schrijft
in 2 Cor.10:18; "niet die zichzelve
prijst, maar die de Heer prijst, die is beproefd."
De H.Geest heeft in het
Hooglied in beelden aangegeven, wat de bruid voor haar geestelijk leven moet
bezitten en hoe haar geestelijke welstand moet zijn om ten volle de liefde van
haar Bruidegom te kunnen smaken.
De gemeente des Heren
heeft dus zichzelve wel steeds te toetsen, of zij in alle delen beantwoordt aan
al hetgeen waarvoor de Bruidegom hier in het Hooglied Zijn bruid prijst.
"De reuk uwer
klederen is als de reuk van Libanon".
Het is een bekend feit,
dat kleren veelal de reuk dragen van de omgeving waarin zij zich voortdurend
bevinden. Uiteraard kan dit bij sterk riekende stoffen het beste geconstateerd
worden.
De kleren van de bruid
hebben de reuk van Libanon.
De Libanon is een
uitgestrekte bergketen, waardoor Palestina in het noorden van de naburige
landen wordt gescheiden. De naam betekent: blinkend wit of witte berg.
Deze naam heeft hij te
danken aan de sneeuw, die zijn toppen bedekt ofwel aan de wit-grauwe kleur van
de kalksteen, waaruit de bergen bestaan. De sneeuw blijft gedurende het gehele
jaar op de hoogste toppen liggen; in de lagere streken smelt zij gedurende de
zomer, waardoor de landerijen aan zijn voet rijkelijk van water voorzien zijn.
De aanblik van het gebergte moet, volgens beschrijvingen van oog-getuigen,
buitengewoon bekoorlijk zijn.
Rijkelijk beplant met
olijfbomen, akkers en tuinen, die door het sneeuwwater worden bevrucht, en een
rijke oogst opleveren en de wijnstok tiert er zonder veel moeite en levert
grote zoete druiven.
Bossen van cypressen,
pijnbomen, platanen en eiken, afgewisseld door groene vette weiden, waarop
schapen en geiten grazen. Oosterse dichters zeiden van hem, dat hij de winter
draagt op zijn hoofd, de lente op zijn schouders, en de herfst in zijn schoot,
terwijl de zomer aan zijn voet sluimert.
De Libanon wordt in de
H.Schrift als een beeld van al wat groot en heerlijk is, gebezigd.
In het bijzonder worden
er zijn cederen in geroemd. De tempel van Salomo, alsook de tweede tempel,
waren van de cederen van Libanon gebouwd. Jeruzalem wordt door de profeten
kortweg wel “Libanon" genoemd, omdat de paleizen en voorname huizen, die
daar stonden, voor het grootste deel waren opgetrokken mèt de cederen Libanons.
De profeten prijzen de Libanon en Mozes wenst, nog vóór zijn einde, "dat
goede land aan gene zijde van de Jordaan, dát goede gebergte en de Libanon te
zien”.
(Deut.3:25).
Door deze korte
beschrijving kunnen wij ons toch wel levendig voorstellen, dat de aanblik van
dit gebergte met zijn, in de zon blinkende toppen en een zo rijke schakering
van geboomte, en allerlei plantengroei, hier en daar onderbroken door heldere
watervallen, op de aanschouwer een overweldigende indruk gemaakt moet hebben.
Zulk een rijk stuk natuur
verspreidde begrijpelijkerwijs allerlei heerlijke welriekende geuren.
Ook Hosea spreekt van de
reuk van de Libanon (14:7).
En, deze geuren hangen nu
ook in het kleed van de beminde bruid.
De Libanon met zijn
majestueuze pracht en heerlijkheid, die in zijn geweldige uitgestrektheid als
het ware het Heilige Land beheerst, is de type van de zegevierende Kerk van
Christus.
Immers de thans nu nog
strijdende Kerk, zal eenmaal de zegevierende worden. Zij zal haar blinkend
witte heerlijkheid ontplooien, als zij op de aarde gesteld zal zijn tot het
middelpunt van de aanbidding en verheerlijking van God, voor alle volkeren der
aarde in het komende vrederijk (Jes.2:2,3).
Al het heerlijke dat wij
hierboven van de Libanon meldden, is een afbeelding van de geestelijke
zegeningen, die de zegevierende Kerk alsdan in zich zal dragen en verspreiden.
Hetgeen van haar uitgaat,
zal als een welriekende geur de aarde vervullen.
Doch nu reeds, in het
tijdperk van strijd, moet, naar de lofprijzing van de Bruidegom, de gemeente
des Heren de geur of reuk van de heerlijkheid der zegepralende Kerk, in haar
klederen dragen en verspreiden.
Haar klederen zijn de
klederen des heils en der gerechtigheid. Daarmee is zij bekleed geworden door
de aanneming van de verzoening, en de, door het verzoenend lijden en sterven
aangebrachte gerechtigheid van haar Heiland en Verlosser, Jezus Christus.
Zij is echter ook door
Hem, Die met de H.Geest doopt (Joh.1:3) door
de handoplegging Zijner apostelen (Hand.8:17) ,
met de H.Geest verzegeld geworden.
Deze verzegeling is voor
haar het onderpand voor de toekomende erfenis der heerlijkheid en schenkt haar
schone beloften. Want deze verzegelde leden van de bruidsgemeente zullen, als zij
getrouw blijven, eenmaal als verheerlijkte Koningen en priesters deel uitmaken
van de zegevierende Kerk op de, van de vloek verloste aarde. De verkondiging
hiervan door woord en wandel, is de geur, die uit haar klederen in haar
omgeving verspreid wordt.
Over "de reuk der
klederen" lezen wij ook in Gen.27:26,27.
Wij worden in dit
Schriftgedeelte bepaald bij het gewichtige moment, dat Izaäk, de drager van de
beloften Gods, deze geeft aan zijn zoon Jakob door het toedienen van de
eerstgeboortezegen. In de oudheid was de eerstgeboorte van een zoon van
belangrijke betekenis. Want de eerstgeborene was de erfgenaam. In hem woonde de
eerste kracht en macht (Gen.49:3). Daarom komt
de eerstgeboren zoon het eerste gezag toe in de familie.
Ook werd hij beschouwd als
de familiepriester.
Later, bij de wetgeving
aan Mozes, werd voor de priesterdienst, in plaats van de eerstgeboren zonen, de
gehele stam van Levi aangewezen. Hierbij werd echter de verplichting gesteld,
dat de eerst-geboren zoon door een losgeld van deze dienst moest worden
vrijgekocht.
Een voldoen hieraan vinden wij nog bij de Here Jezus in Luc.2.
Izaäk was de drager van
de beloften, die God tevoren aan Abraham gedaan had, namelijk, dat zijn
nakomelingschap het land, waarin hij als 'vreemdeling’ woonde, in de toekomst
als een erfelijke bezitting zou ontvangen. Deze belofte zal nu, door het
toedienen van de zegen, overgaan op Jakob.
En, terwijl Jakob zich
nu, in tegenwoordigheid van Rebekka zijn moeder, voor zijn vader Izaäk
nederbuigt, zegt deze: "Kom toch bij en kus mij, mijn zoon”. En hij kwam
bij en hij kuste hem; toen ROOK HIJ DE GEUR ZIJNER KLEDEREN en zegende hem en
zeide:”Zie, de reuk mijns zoons
is als de reuk des velds, hetwelk de Here gezegend heeft!”
Riekende de reuk des
velds in de klederen van zijn zoon Jakob, legt hij de handen op hem en schenkt
hem de eerstgeboortezegen. 0, de reuk van het veld, hetwelk de Here gezegend
heeft. Dat veld is immers het land, hetwelk de Here God aan Abraham beloofd
had, het aan zijn zaad te zullen geven. Het land Kanaän!.
Wat ligt in dit
Oud-Testamentisch tafereel een heerlijk beeld verborgen voor het Nieuwe
Verbondsvolk.
Izaäk kennen wij als een
type van Christus.
Hij IS de erfgenaam Gods
en Drager van de beloften. Hij is de Eerstgeborene. De Heilige Schrift noemt
Hem: "De Eerstgeborene aller creaturen, de Eerstgeborene uit de doden, de
Eerstgeborene onder vele broederen"
In Spreuken 8:24-26 lezen wij van Hem: "Ik was
geboren als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar
van water; aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren. Hij
had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden. noch de aanvang van de stofjes
der wereld."
Hij is de Eerstgeborene
uit de doden. Mogen er al enkelen door de kracht Gods uit de doden zijn
opgestaan, het was slechts een terugkeer tot een vergankelijk leven, hetwelk
weer geëindigd is met de dood.
Christus echter stond op
uit de dood in een verheerlijkt lichaam tot een onvergankelijk leven.
Hij is de Eersteling
dergenen, die ontslapen zijn. Eindelijk is Hij de Eerstgeborene onder vele
broederen. Dus de Eerstgeborene van een nieuw geslacht, een Godsgeslacht.
Alles wat wij hierboven
nu schreven betreffende de eerstgeboorte in de oudheid, wordt in Christus ten
volle, en al het stoffelijke ver overtreffende, vervuld.
Was de eerstgeborene de
erfgenaam en bekleed met de eerste macht en bovendien de familiepriester, wij
vinden dit alles in volheid terug in Christus, Die als Eerstgeborene de
Erfgenaam van alles is geworden.
Hem is gegeven alle macht
in hemel en op aarde. Hij is Koning der koningen en Heer der heren, en Priester
in der eeuwigheid, naar de ordening Melchizédeks.
In het beeld van Jakob
zien we alle heil-begerige zielen, wier ogen geopend zijn voor de waarde van de
eeuwige dingen. Ezau achtte de eerstgeboorte niet, doch Jakob verstaat de
waarde van het eerstgeboorterecht.
Hij zoekt die zegen en
het tafereel, ons opgetekend in Gen.27:26,27
toont ons, dat hem deze wordt toegediend.
De eerstgeboortezegen is
het voorbeeld van de verzegeling met de H.Geest.
Christus de ware Izaäk en
Drager van de beloften, deelt door handoplegging Zijner apostelen, de beloften
Gods aan hen mede en schenkt, hun hierdoor het onderpand der eeuwige erfenis.
Zij worden ingelijfd in
de gemeente der eerstgeborenen (Hebr.12:23) en zullen als koningen en priesters
in het komende vrederijk, waarvan Kanaän de type was,met de grote
Priester-Koning mee dienen en regeren.
Izaäk rook de reuk van de
klederen en zei: “De reuk der klederen mijns zoons is als de reuk des velds,
hetwelk de Here gezegend heeft."
Zo dienen ook de
verzegelden met de H.Geest door hun woord en wandel de reuk van de heerlijkheid
van het komende rijk van Christus te verspreiden.
In dit verband treffen we
in Gods woord nog een liefelijk
tafereel aan, en wel in Psalm 133:2.
Aäron wordt gezalfd met
de heilige zalfolie en onze Psalm zegt: "het is gelijk de kostelijke olie
op het hoofd, nederdalende op de baard, de baard Aärons, die nederdaalt tot op
de zoom zijner klederen”.
Bij het eerder genoemde
tafereel maakten we gewag van het feit, dat bij de wetgeving door Mozes in de
plaats van alle eerstgeborenen uit Israël, de Heer de stam van Levi zich ten
eigendom verkoos, om Hem het priesterambt te bedienen. Hoewel de stamvader niet
de eerstgeborene was, (Gen.49:3,5) deed God
alzo door een bijzondere genade. Onze Psalm verhaalt, dat op het hoofd van
Aäron de kostelijke zalfolie wordt uitgegoten bij de wijding tot het
priesterambt en dat deze olie vanaf het hoofd door de baard liep, ja, zijn
priesterkleed tot de zoom doortrok.
In Lev.8 kunnen wij lezen, dat Aäron en zijn zonen met
water werden gewassen, hun vervolgens de witte klederen werden aangetrokken en
daarna gezalfd werden tot het priesterdom.
Zo zal het ook zijn voor
Gods uitverkoren volk, dat het, na gewassen te zijn door de doop met water en
bekleed met de klederen des heils en der gerechtigheid, gezalfd wordt door de
verzegeling met de H.Geest tot een Koninklijk priesterdom (1 Petri .2:9).
Deze zalving zal, gelijk
bij Aäron aan ons in genoemde Psalm weergegeven, toegediend aan ons voorhoofd,
ons geheel moeten doortrekken en een heerlijke geur moeten verspreiden.
De geur van gezalfd te
zijn met de H.Geest. Dat zal zijn door de gaven van de H.Geest. Dat zal ook
zijn door de vruchten van de werking van die Geest, zoals Paulus dat leert in Gal.5:22: "Maar de vrucht des Geestes is
liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof,
zachtmoedigheid, matigheid”.
Dat wij de Geest Gods,
waarmee wij verzegeld zijn, zodanig in ons laten werken, dat onze hemelse
Bruidegom altijd en ten volle ons kan roemen, zeggende: "De reuk uwer
klederen is als de reuk van Libanon." HMvB/SdJ