HOOGLIED 1:6-8.

 

Door alle eeuwen heen hebben zij, die God wilden dienen, een zware strijd moeten voeren tegen Satan en zijn dienaren, waardoor velen zijn gevallen; zij werden dienstknechten van de mensen.

 

Zo ook in het genadetijdperk. De duivel heeft van alles uitgevonden om hen, die door Christus verlost waren uit Satan's macht, die door het bloed van het Lam gekocht zijn uit de mensenkinderen tot eerstelingen Gode en het Lam, weer tot slaven te maken, en dus af te trekken van de gemeente van Christus.

 

Het is helaas aan de Satan vele malen gelukt om zulk een schaapje te roven.

De geestelijke strijd was voor velen van de Bruidskinderen zo zwaar, dat menigeen aan

de verzoekingen is bezweken,terwijl toch hun hart de liefde van hun Bruidegom wel bewaarde.

 

Ook wij, leden van de Kerk van Christus, kennen vele personen -mannen en vrouwen- die verzegeld zijn geworden met de Heilige Geest,en toch de Here Jezus niet meer volgen.

Zouden deze allen nu geheel koud zijn geworden voor hun Zielsbruidegom?

Wij weten het niet.

 

Wanneer wij met hen spreken, dan schijnt het wel, dat zij geheel onverschillig zijn geworden, maar wij zien slechts wat voor ogen is. Onze Heer is een kenner der harten, Hij blikt in de donkerste schuilhoeken van de menselijke ziel.

Daarom openbaart onze God door de Heilige Geest wat Zijn Goddelijke ogen hebben waargenomen.

 

Als wij aandachtig Hooglied 1:6,7 en 8 lezen, dan vinden wij hier een vrouw, welke afgeweken is van de weg der waarheid en verdwaald is geraakt onder de mensenkinderen.

Zij weet echter nog heel goed, WIE en WAT zij is. Zij weet, dat zij haar Bruidegom moet volgen en dat zij met Hem en de gemeente moet vergaderen. Zij weet ook nog wel,dat zij een grote zondares is, getuige vers 6: "Ziet mij niet aan dat ik zwartachtig ben”!.

Haar eigen geweten zal wel het meest tegen haar getuigen, want de Zon (Christus) heeft haar beschenen. Zij vergelijkt zich nog steeds bij dat heerlijke Jezus beeld in de spiegel (Gods Woord), maar zij is van de ene val in de andere gevallen, en heeft haar Heer en Heiland elke dag verloochend.

Zó ver is zij gezonken, dat zij zich dienstbaar heeft laten maken bij de vrouwen (kerkgenootschappen) van Jeruzalem. Deze konden haar daar goed gebruiken om hen te leren en op te voeden. Immers toch, deze afgedwaalde Apostolische vrouw had nog zoveel geestelijke kennis medegenomen (vergelijk de gelijkenis van de verloren zoon Luk.15;11).

En nu getuigt zij zelf, dat de kinderen van haar moeder tegen haar ontstoken waren.

 

“Wie is die moeder?” zouden wij kunnen vragen.

 

Het antwoord is: de natuurlijke mens, waar uit zij geboren is.

Die kinderen waren toornig op haar, omdat zij zich heeft laten zalven met de Heilige Geest, waardoor zij uit de kinderen harer moeder verhoogd is geworden, en zij tot de gemeente der eerstgeboornen is toegevoegd (Hebr.12:23).

Daardoor waren de zonen harer moeder op haar vertoornd. Zij hebben haar bestreden, en, helaas, zij hebben haar overwonnen. Ja, zij hebben haar in hun midden een aanzienlijke plaats gegeven.

Het is haar gegaan zoals de verloren zoon. Ook bij haar komt het berouw, evenals bij de verloren zoon die de liefdekoorden van zijn vader voelt trekken, zo ook bij deze verloren vrouw.

God heeft haar niet vergeten, en door Zijn machtige Geest heeft Hij haar hart bewerkt, zodat zij in weemoed uitroept: "Mijn eigen wijngaard,die ik heb, heb ik niet gehoed!”.

Met andere woorden: "Ik heb mijn loopbaan niet kunnen houden, hoe zou ik nu anderen de weg kunnen wijzen?”.

En, zoals de verloren zoon, spreekt ook zij in zichzelf: “Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan" (7)

 

En waarlijk, daar gaat zij tot haar hemelse Bruidegom, van Wie zij, weet, dat Hij haar nog steeds lief heeft. Zij weet het zo goed, dat Hij zich voor zondaars heeft laten kruisigen en daarom al waren haar zonden zo rood als scharlaken,als zij met een waar berouw tot Hem,de Kenner der harten, komt, zal Hij ook voor haar het gemeste kalf slachten.

 

Hij zal haar weer reine witte  klederen geven. Zij roept Hem aan,Die haar ziel liefheeft en bidt, of Hij haar wil bekend maken, waar Hij de schapen Zijner kudde legert.

Met andere woorden: wáár, nu toch wel de wàre kerk van Christus is.

 

Want er zijn zoveel Apostolische kerken tegenwoordig.

Er zijn zoveel Christenen,die allen roepen en prediken: “hier is de Christus”.

 

Zij vraagt daarbij aan haar Heiland, of Hij haar die gemeente der eerstgeborenen wil doen aanwijzen als met Zijn heilige vinger, en, indien zij die vind, dat het dan middag mag zijn.

Dat wil zeggen, dat het volle licht dan mag schijnen op de werken Gods;

dat zij met verlichte ogen des verstands en met geopende oren zal kunnen horen en zien, opdat zij met volle overtuiging zich weer aan haar Heer en Heiland kan overgeven, en Hem weer kan dienen gelijk de Schriften haar dat geleerd hebben.

 

Zij wil toch haar Heer, haar Zielsbruidegom, haar wederliefde betonen, en Hem vereren met de eerstelingen harer inkomsten. Zij gevoelt het nu maar al te goed, hoe zij haar Jezus verdriet heeft aangedaan, door de eer welke Hem toekwam aan andere mannen te geven. Haar dagelijks gebed gaat op tot God onder vele verzuchtingen en zij smeekt tot Hem:

“Waarom zoude ik zijn als ene die zich bedekt bij de kudden uwer metgezellen?"

“Waarom zou ik mij moeten voegen naar de ordeningen der vrouwen van Jeruzalem (kerkafdelingen) onder wie ik mij thans nog moet scharen?”

“Waarom moet ik nu toch nog langer luisteren naar de preken waardoor ik niet gevoed kan worden?”

“Waarom moet ik mijn innerlijk wezen, nog langer bedekken?”

Ziedaar de vele vragen van zulk een afgedwaalde vrouw,welke vurig terugverlangt naar de woning van haar Koning Jezus.

Deze vrouw, die door de geestelijke koning Salomo gebezigd wordt, is de type van verschillende personen of groepen van mensen, die zich weer tot God willen wenden om de waarheid van de Schriften weer te belijden en te geloven. (8)

 

God is een verhoorder der gebeden.

 

“Indien gij het niet weet, 0 gij schoonste onder de vrouwen, zo ga uit op de voetstappen der schapen! (11)

 

Het is weer, evenals in de gelijkenis van de verloren zoon, waar de "Vader dag en nacht uitziet naar de wederkomst van Zijn toch zo zeer verdorven zoon, en, als Hij hem ziet komen van blijdschap met uitgebreide armen hem tegemoet komt.

Dat is de onbegrijpelijke Goddelijke liefde.

 

Ook lezen wij zulk schoons in Zach.4:7: "Wie zijt gij 0 grote berg? Voor het aangezicht van Zerubabel zult gij worden tot een vlak veld; want Hij zal de Hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen genade,genade zij dezelve." Zo kwam de Heer uit de hemel op deze verdorven aarde, tot dat zondige schepsel,het reeds 'van verre’ toeroepende: “Genade, genade en geen recht!”

 

Zo hebben wij allen onze hemelse Vader en Zijn Zoon leren kennen als de volmaakte liefde voor allen,die zich tot God willen wenden met een berouwvol hart. Daarom is ook het liefdevolle antwoord van de Heer tot deze vrouw in Hooglied 1; 8: “Gij schoonste onder de vrouwen”.

 

Welk een antwoord! "Gij schoonste onder de vrouwen”.

 

Zijn deze woorden voor mij bestemd? Maar dat mag ik toch niet op mij toepassen? Ik, die Hem zovele malen verloochend heb? En tóch, zij heeft uit Zijn mond gehoord, en, het staat alles zo duidelijk in Gods Woord te lezen. Ja, zó handelt onze Zielsbruidegom, en Hij geeft haar raad en zegt: “Ga uit op de voetstappen der schapen”.

 

De schapen zijn de volgelingen des Heren zij, die het Lam volgen waar het ook heengaat; over hoogten en ook door diepten.

Deze schapen hebben gespleten hoeven en dus kan hier door de Heer bedoeld zijn, dat zij het aloude TWEEVOUDIGE GETUIGENIS weer moet gaan zoeken en dat zij dat zal vinden in díe Kerk waar de Heer Zélf getuigt door de Geest der Profetie. (0penb.19:10), maar óók door Zijn geroepen dienstknechten, welke geroepen zijn gelijkerwijs Aäron (Hebr.5:4), en óók gelijk Paulus en Barnabas, (Hand.13:1,2) tot het Apostelambt geroepen werden (Hand.14:14).

 

Tot dezulken zegt de Heer: “Wie u hoort, hoort Mij”. Die kerk moet gij weer zoeken, daar zult gij dus ook uw zonden belijden.

Daar hoort ge het woord der vrijspraak, de schuldvergeving in de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

 

Nog een andere raad geeft de Heiland aan haar: “Weidt uwe geiten bij de woningen der herderen”.

Wij kennen reeds het beeld van de geiten. Dat zijn de meer verstandige of begaafde personen.

En, hieruit leren wij dus ook verstaan, dat de Heer spreekt tot meerdere personen- wellicht zelfs tot een gemeente-, welke Hij toespreekt of aanduidt als een vrouw.

 

De Heer bedoelt dus met deze raadgeving, dat zij hun begaafde personen, in wie nog een weinig geestelijk verstand is overgebleven, zullen uitzenden naar de woningen der herderen, dat wil zeggen naar zulk een kerk, waar die geroepen knechten bezig zijn om de schapen te weiden op grazige weiden.

 

Met andere woorden: Waar de ziel van de mensen gevoed wordt met geestelijke spijze, waar het vette, vol mergs, dat is het vlees van het 0fferlam (Christus) genuttigd wordt en het bloed van Christus wordt gedronken, hetwelk tot vergeving van de zonden is vergoten. SdJ.