HOOGLIED (1:13-17)

 

Wij willen nog even herinneren aan het vorige artikel over Hooglied 1:9-12 waarin wij schreven over de heilige Godsvergaderingen van de kinderen des Heren.

Vele oprechte Christenen zullen zeker jaloers zijn op deze bevoorrechten, welke zoveel zegeningen ontvangen waarvan alle andere kerkgelovigen geheel verstoken zijn.

Denkt maar eens even in, wat het toch voor zulke gelovigen zeggen wil, als ook zij ‘s morgens in hun kerk hun zondebelijdenis uitspreken, en toch ook in oprechtheid tot hun Heer en Christus komen met hun zonden en overtredingen, terwijl zij nooit een antwoord van hun Heer kunnen vernemen!

En, dezen lezen dan, dat er toch een kerk bestaat, waar de Here Jezus door het ambt der verzoening (2 Cor. 5 : 18-21) in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes de zonden vergeeft.

 

Bij ons wordt dikwijls deze verzoening bevestigd door het spreken van de Here Jezus zelf, door het woord der profetie. Sommigen hunner noemen deze handelwijze in de Apostolische kerk een aanmatiging, waartoe de voorgangers geen recht hebben. Dit zou ook zo zijn, indien zij niet met zekerheid wisten, dat zij daartoe, door God geroepen waren evenals Paulus en Barnabas (Hand.13:1-3).

Deze geroepen dienstknechten dragen dus ook het ambt der verzoening, evenals Paulus en Barnabas, en dus is het woord van Christus in Joh. 20:23: "Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden  houdt, dien zijn zij gehouden", ook voor hen van kracht.

 

In ons vorige artikel schreven wij ook nog over het grote voorrecht van de Apostolische kinderen, dat zij elke Zondag met hun Heer en Heiland in gemeenschap kunnen komen, door het eten van Zijn Sacramentele lichaam en het drinken van Zijn Sacramenteel bloed, waarvan de Here Jezus toch zo uitdrukkelijk zegt, dat de mens, die dit niet ontvangt, geen leven in zich heeft blijvende (Joh. 6:53).

 

Vele ernstige Christenen mogen toch hier wel eens even bij blijven stilstaan, en zich zelf eens afvragen: "Hoe staat het met mij? Is vier maal per jaar wel voldoende? Of heb ook ik niet iedere dag des Heren geestelijke spijze nodig?"

 

De schrijver dezes raadt hen ernstig aan, om zichzelf zeer nauw te onderzoeken, opdat zij niet zullen menen in te gaan in het koninkrijk van Christus, om straks tot de ontdekking te komen, dat zij buiten gesloten zouden zijn; spot niet met de genademiddelen, welke God aan alle mensen wil schenken, zo men deze van Hem begeert.

 

Deze raad wil de Schrijver nog geven: "Onderzoekt de Schriften (Joh.5:39), want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen."

Deze korte raadgeving opvolgende, leidt ook tot de ontdekking, dat de Apostolische kerk geheel overeenstemt met de kerk van Christus in de twee eerste eeuwen.

 

En nu zullen wij ons bezig houden met het 13e vers van Hooglied 1, dat luidt: “Mijn liefste is mij een bundeltje mirre dat tussen mijne borsten vernacht”.

In de geest vertoeven wij nog steeds in die geheiligde Godsvergadering, waar wij als huisgenoten Gods verkwikt worden door de aangename sfeer van de geestelijke nardus, en willen wij als Bruidsgemeente uiting geven aan onze innerlijke gevoelens jegens de Bruidegom, Jezus Christus.

Daarom getuigt de Geest van Christus, welke in ons woont: "Mijn liefste is mij een bundeltje mirre dat tussen mijn borsten vernacht”, dat de Bruid dus dag en nacht bij zich draagt en dus de geur daarvan dag en nacht inademt.

Met andere woorden: de grote zondaarsliefde, en de vele onuitsprekelijke liefdedaden, en de vele geestelijke gaven, welke Hij aan Zijn Gemeente geschonken heeft.

Omdat deze gelooft gelijk de Schrift zegt, zijn deze haar dag en nacht een oorzaak van grote dankbaarheid en bij alles wat zij doet, hetzij op de dag of in de nacht, ruikt zij de lieflijke geur van Zijn liefdedaden, gelijk de aangename welriekende geur van mirre, die reeds in de oud-testamentische eredienst in het Heilige op het reukofferaltaar ontstoken werd, wanneer de dienstdoende Priester het reukofferaltaar bediende, en het Heiligdom vervuld werd van de geur er van.

 

In vers 14 beluisteren wij een andere ontboezeming uit het hart van de Bruid. Haar Bruidegom is voor haar als een tros van Cyprusbloemen in de wijngaarden van Engédi. Deze landstreek was bij het volk in Palestina bekend en geliefd door haar vruchtbaarheid, en de geur van de Cypressen, die daar welig bloeiden.

 

Daar was ook de bronwel Engedi. Deze naam betekent Geitenbron, ook wel fontein van het geitje of het lam.

De geestelijke strekking van deze lofuiting is, dat de Bruid in beeldende taal de verheven gevoelens van haar innerlijk wezen, wil uitdrukken omdat het haar vergund is te mogen vertoeven in zulk een zalig oord van lieflijkheden, in de onmiddellijke omgeving van de fontein 'van het geitje of het Lam, waar zij haar geestelijke dorst kan lessen uit de bronwel Christi.

 

Het antwoord van de Bruidegom of de Koning, met Wien wij nog steeds vertoeven aan de ronde tafel (vers 12) in de heilige Godsvergadering op de eerste dag der week, mogen wij nu beluisteren in vers 15-16.

Het is de liefdetaal van de Bruidegom tot Zijn Bruid, en dus voor alle buitenstaanders wel hoorbaar, maar niet verstaanbaar.

 

Evenals in het natuurlijke leven de samenspraak van een Jongeman en, een Jonge vrouw, welke reeds door beloften aan elkaar verbonden zijn, wel hoorbaar is, maar door niemand begrepen wordt. Wij echter, als de Bruid van Christus mogen deze schone woorden van Hem, onze Heer, onze Bruidegom verstaan en bevatten.

Hij zegt dan in vers 15: ”Zie, gij zijt schoon, mijne vriendin, zie, gij zijt schoon, uw ogen zijn duivenogen”. Elk woord dringt tot in het diepste van onze ziel door, want wie zijn wij?

Hoeveel gebreken zijn er bij ons?

 

En toch, wij horen het uit Zijn heilige mond, door de Heilige Geest. Zijn grote zondaarsliefde heeft ons, alles vergeven en daarom zijn wij in Zijn ogen schoon, geheel rein.

"Uw ogen zijn duivenogen”.

De Heer bedoelt daarmede: als Ik u in de ogen zie, dán blik Ik in uw ziel en ontwaar Ik daar trouw, oprechtheid. (Matth.10:16 "oprecht gelijk de duiven!')

 

Volgens Gods Woord in Num.10:31, zijn de ogen in het lichaam (de gemeente) van Christus, de leidslieden, die aan het volk de ware of juiste weg wijzen naar het beloofde hemelse Kanaän, en de gemeente daarin voorgaan, hun een voorbeeld gevende.

 

Door hun voorbeelden en bedieningen in Zijn kerk, prijst Hij de gehele gemeente en noemt haar schoon. Ten tweede male in vers 16, roemt Hij haar schoonheid en zegt tot haar "Mijn liefste".

Hier worden wij bepaald bij Gods woord in Hooglied 6:8: "Er zijn 60 koninginnen en 80 bijvrouwen en maagden zonder getal, een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer Moeder, Zij is de zuivere dergene, die haar gebaard heeft."

Daartoe is de Bruid door Hem verkoren, om door Hem geliefd te worden. En wij Zijn Bruidskinderen mogen deze liefkozingen van Hem aanvaarden, enkel en alleen omdat wij Gods woord geloofd hebben en Zijn gaven door de Heilige Geest, uit de hemel nedergedaald, uit Zijn hand hebben aanvaard en ook gewaardeerd. (Lees daartoe nogmaals Efeze 4:11-15).

 

De Heer, spreekt in Zijn liefdetaal tot haar, Zijn Bruid en zeg: “0ok groent onze bedstede".

De "bedstede is de plaats der ruste.

 

In Math.11:28,29, nodigt de Heer alle mensen uit om op dat rustbed van Hem te komen rusten. Daar kan de vermoeide mens uitrusten van al zijn omzwervingen op deze aarde, waar de mensen rusteloos voortgejaagd worden door angst en vrees over de dingen die het aardrijk zullen beërven.

Zoekende naar rust in deze of gene kerk, en, ook daar niets vindende, worden zij door een helse macht voortgedreven als door een onweer.

 

Onze God spreekt tot u: “Gij zoekende zielen naar de ware rust voor uw ziel." Lees daartoe Jesaja 54: 11-14.

Ten eerste sprak God, tot Zijn oude volk, dat van Hem was afgeweken en nu ook geen rust meer kon vinden. Maar gij, Christenvolk, God spreekt ook tot u in dat woord. Hij wil u troosten en u op het rustbed van Christus (Math.11:28-30) zoete rust doen vinden. Dat rustbed van Christus zijn de ordeningen en inzettingen van Zijn kerk,welke Hij door Zijn apostelen in de aanvang gesticht heeft, en die zo hadden moeten blijven, zoals in de eerste eeuw van deze kerk, ons in de Schriften beschreven staat.

 

In, die kerk had God Zijn gezanten gezonden, waarvan Christus zegt: "Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik u”.

Dat waren dus gezanten van God, welke ook de opdracht kregen, om in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes de zonden der mensen te vergeven (Joh. 20:21-23)

"Jezus dan zeide wederom tot hen: “Vrede zij ulieden. Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden." (23) En, als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: "Ontvangt de Heilige Geest. (23) Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden."

 

Dat was de voortzetting van het verlossingswerk van Christus, waartoe Hij van de Vader gezonden was. Zijn apostelen (gezanten) zouden dat verzoeningwerk van hun Zender, Jezus Christus, voortzetten. En de Heer Jezus had de belofte gegeven (Math.28:20), dat Hij met Zijn knechten, welke Hij gezonden heeft en nog verder in de toekomst zou zenden, zou zijn tot de voleinding der wereld.

De apostelen Paulus en, Barnabas, die later door de Geest van Christus, sprekende door de mond der Profeten, geroepen werden (Hand.13:1) bevestigen de waarheid van bovenstaand Woord.

Paulus getuigt in 2 Cor.5:19-20: "Want God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende, hunne zonden hun niet-toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Zo zijn wij dan gezanten van Christus'wege, alsof God door ons bade: "wij bidden van Christus'wege: laat u met God verzoenen”.  Dat alleen kan de ware zielsrust aanbrengen, als een zondaar zich wil bekeren en zó langs deze weg tot God wil komen door het woord der gezonden knechten, die waarlijk van God geroepen zijn, gelijkerwijs Aäron (Hebr. 5:4) en ook gelijkerwijs Paulus en Barnabas (Hand.13:1-3).

 

Dan laat men zich opvoeden door de ware zielsverzorgers van God gezonden, om op dat rustbed der gemeente van Christus, dat is in de ordeningen en inzettingen van de kerk van Christus, de ware rust te genieten. Dan is er geen vreze meer voor de toekomst. Dan is men onder de bescherming van de Almachtige, Die sprak voordat Hij ten hemel voer (Math.28:18): “Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde."

 

Wij keren ons nu weer tot de taal der minne van de Bruidegom, vers 16b, waar Hij in het oor van Zijn Bruid fluistert: "Ook groent onze bedstede."

De bedstede is de plaats der rust. Als die rustplaats groent, dan wordt daar nieuw leven geboren; dan worden de zielen in Christus vermenigvuldigd en is daardoor vreugde in het huis des Heren, met de jonggeborene. Dàt is de heilige wil Gods, Die wil, dat alle mensen zalig (gelukkig) zullen worden, Die geen persoonlijke uitverkiezing voorstaat, maar Die in Christus roept tot alle mensen: "Komt allen tot Mij, en Ik zal u rust geven”.

En, in Jes.55:1: "0, alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk."

En, in Openb. 3:18 lezen we: "Ik raad u, dat gij van Mij koopt, goud (waarheid), beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen (door de schuldvergeving), opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde, en zalf uwe ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt."

Dat is dus geen uitverkiezing: de een, geboren tot eeuwige gelukzaligheid, en de andere, geboren tot de eeuwige verdoemenis.

NÉÉN! Die wil, die kome en drinke van de wateren des levens om niet.

 

Ten slotte nog het 17e vers van Hooglied 1, Het antwoord des Heren tot Zijn Bruidskinderen. "De balken onzer huizen zijn cederen onze galerijen zijn cypressen"

In het vorige vers sprak de Heer in het verborgen over de uitbreiding van dat Goddelijke gezin, over de vermeerdering van de huisgenoten Gods, dus ook over de groei van het huis Gods, niet van hout of steen, maar van levende stenen opgebouwd.

 

Ook in vers 17 gaat Hij voort en zegt: "De balken (steunseIs of pilaren) zijn cederen."

De cederbomen werden door Salomo waardig gekeurd tot gebruik bij de bouw van de Tempel. Zo ook voor de geestelijke tempel heeft God zulke mannen en vrouwen door de Geest aangewezen, om deze van de geloofsberg, alwaar zij groeiden, af te voeren, opdat zij voor het geestelijke bouwwerk zulk een draagkracht, of zulk een pilaar zouden zijn in het huis des Heren.

Onze galerijen zijn cypressen.

De galerijen zijn de zitplaatsen van de nederigen, die niet die eerste plaats innemen of het voorgestoelte begeren, of de beste plaats bezetten, die zij uit bescheidenheid aan anderen moesten overlaten. Dezen zijn de Here een, lieflijke reuk, gelijk de reuk van cypressen. SdJ.