HOOGLIED 2:1-8.
Vers 1“Ik ben een roos van Saron”.
Saron
wil zeggen grote vlakte of ruimzicht en was een grote uitgestrekte, lieflijke
landouw, waar veel gras groeide. Het was de plaats, waar de runderen van Koning
David graasden.
Temidden van al dat gras stond die eenzame roos te
bloeien en te geuren, elk ogenblik in groot gevaar verkerend, om door het vee
vertrapt te worden.
Ook de kleine gemeente van Christus, de Bruid, is zulk
een lieflijk geurende roos, eenzaam tussen het gras (het volk) en verkeert in groot
gevaar vertrapt te worden door het gedierte des velds.
En ware het niet, dat de goede God haar beschermde, gewis, zij was reeds lang van de aardbodem verdwenen en haar
plaats tussen het gras (het volk) zou niet meer te vinden zijn.
Maar, zoals zij zelf getuigt, is zij niet alleen in de
ogen van haar Bruidegom een Roos van Saron, maar ook
een lelie der dalen.
Het beeld van de lelie is de
reine, de gerechtigheid of wel de gerechtvaardigde. Voorwaar een vermetele uitdrukking.
Maar op grond van Gods Woord, en door haar groot geloof, mag zij zich zelf de gerechtvaardigde noemen, wetende dat zij door het bloed
van Christus geheel rein gewassen is en al haar zonden, die zij nog dagelijks
bedrijft, uit genade, door het ambt der verzoening worden vergeven.
Zoals reeds gezegd, Saron betekent: grote vlakte of ruimzicht.
Die grote vlakte typeert het ganse aardrijk, waarop de
Bruid van Christus, die al enige planting van de Hoge God haar wasdom heeft
verkregen, is opgeschoten en boven het gras (het volk) verheven, pronkt met
sierlijke kleuren, haar door God gegeven, de zoekende zielen tot zich trekkende
door haar geur, welke zij ver om zich heen verspreidt.
Zij heeft een ruim uitzicht, een vergezicht. Gelijk Jesaja reeds van haar profeteerde
(25:7) "Hij zal op deze berg verslinden
het bewindsel des aangezichts,
waarmee alle volkeren bewonden zijn, en het deksel
waarmee alle natiën bedekt zijn. Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en
de Heer zal de tranen van alle aangezichten afwissen, en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen, want de
Here heeft het gesproken.”
Zie nu toch eens welk een ruim zicht de Bruid, van
Christus heeft verkregen, omdat de bewindselen des aangezichts, waarmede alle volken bewonden
zijn, van haar zijn weggenomen door de verzegeling met de Heilige Geest,
waardoor zij volgens 1 Joh.2:20 alle dingen
weet.
Dat wil nu niet zeggen., dat de
verzegelde kinderen Gods bekwaam zijn in alle wetenschap, maar dat zij door het
ontvangen van de Heilige Geest, inzage hebben verkregen in de Schriften, gelijk
de Emmaüsgangers door de Heer Jezus de Schriften werden geopend.
Daardoor staren zij niet als het volk der aarde op die
akelige dood, maar zij hebben een ruim zicht, een uitzicht over dood en graf en
blikken naar de beloften der Schriften in de heerlijke toekomst.
Vers 2 De Bruidegom geeft
antwoord op het getuigenis van Zijn Bruid (vers 1) en zegt:"Gelijk een
lelie onder de doornen, alzo is mijn vriendin onder de
dochteren."
In Hebr.6:8, lezen wij:
"Maar die doornen en distelen draagt, die is
verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is
tot verbranding.'"
Tussen zulke doornen vertoeft des Heren Bruid, die het
uitjubelt in haar pelgrimslied: “Geen nood, de Heer zal ons behoeden! Zijn aangezicht trekt met ons mee. Hij schept uit rotsen
watervloeden, En slaat een pad ons door de zee. Ik zal geen dood of duivel
vrezen, Hoe fel bestookt en aangerand, De Heer zal mij ten Herder wezen, Mijn
schaduw aan mijn rechterhand”.
Vers 3 In haar liefde tot de
Bruidegom vergelijkt zij Hem bij een appelboom onder de bomen van het woud. Veel
vruchten en weinig bladeren. "Ik heb groten lust in Zijn schaduw te zitten
en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet." In de schaduw van die
vruchtdragende Boom geniet zij elke Zondag van Zijn
vruchten, die vele zijn en steeds heeft zij behoefte, om onder Zijn schaduw te
kunnen uitrusten van de vele zorgen en bekommernissen des levens en dan tevens
van Zijn heerlijke vruchten te genieten. O! als alle
mensen wisten hoe zoet deze zijn: Zij zouden zich met zielsbegeren,
Mee met ons tot God zich keren.
Vers 4. "Hij voert mij in
het wijnhuis, en de Liefde is Zijn banier over mij."
In haar profetische taal, welke haar eigen is, omdat de
Bruid des Heren een profetisch volk is, gaat zij voort, haar geluksstaat hier
op aarde reeds uit te jubelen. Gelijk een jonge dochter
met de aanstaande man van haar keuze, zich innerlijk gelukkig voelt, als haar Bruidegom
haar bij feestelijke gelegenheden naar het vreugdehuis geleidt, om daar door de wijn
het hart vrolijk te maken, waardoor de mond los komt en zij hem de innerlijke
gedachte van haar hart openbaart.
Zo ook hier: De Hemelse Bruidegom voert Zijn Bruid in het
wijnhuis, dat is de tempel des Heren, het Huis Gods, met levende stenen
opgebouwd, waarin God woont en waarin de Allerhoogste spreekt door de Heilige
Geest.
Hier spreekt onze Bruidegom in Zijn liefdetaal tot het
hart van Zijn Bruid. Hier wordt haar hart vrolijk. Hier smaakt de Bruid het
onuitsprekelijke genot van haar uitverkiezing door de genade des Heren. Niet om
haar goede werken, maar alleen omdat zij wil geloven gelijkerwijs
de Schrift zegt en zij het getuigenis van de gezanten van Christus heeft
aangenomen. Hier, in deze Godsvergadering, gevoelt
zij, dat zij met allen, die de Heer waarlijk liefhebben, één in geloof, één in
liefde is. En één in de hoop op de spoedige wederkomst van haar Heer en Heiland
en dat de schoonste beloften van de Schriften op haar van toepassing zijn. Hier
in de woonplaats des Allerhoogste vertoeft zij onder de banier van haar Heer en
Bruidegom, Die de dood de doodsteek heeft toegebracht; Die voor zondaars het
eeuwige leven heeft verworven en Die daarmee bewezen heeft, hoe lief Hij
zondaars heeft.
Vers 5. "Ondersteunt Gijlieden (let op
het meervoud: God als de Grote Koning in Zijn drievuldige
openbaring) mij met
de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde"
Zij, de Bruid, gevoelt, haar onwaarde, haar menselijke
zwakheid; haar nietigheid tegenover zulk een verheven Koning. Daarom smeekt zij
Hem, om haar te versterken met de geestelijke gaven, vloeiende uit de flessen (dwz. dat de met de Heilige Geest begaafde personen elkander tot zegen mogen zijn), opdat zij staande zal
blijven tot die grote dag van de toekomst van de Zoon des mensen.
Hoor nu haar wens: "Zijn linkerhand (het profetenambt)
zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand (het apostelschap) omhelze mij."
In de laatste tijd zullen er zware tijden ontstaan,
waarop de Heer zo dikwijls heeft gewezen (2 Tim.3:1).
Naar zij hoopt en vertrouwt, zal zij met deze Hulp de moeilijke reis ten einde
toe kunnen volbrengen.
Vers 7. "Ik bezweer u, gij dochteren, die bij de reeën of
bij de hinden des velds zijt,
dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, voordat het haar luste"
Hier spreekt de Heer niet tot Zijn Bruid, maar tot de dochteren Jeruzalems, ofwel
de verschillende kerkgenootschappen, in wier midden ingeslapen
bruidskinderen vertoeven. Hij zegt tot deze dochteren,
dat zij Zijn Bruidskinderen niet opwekken of roeren zullen (volgens von Gerlach), maar met rust
zullen laten, totdat ook in haar harten het zielsbegeren
tot Hem wederom ontwaakt en de lust om Hem toe te behoren.
Wij verstaan hieruit, dat die zoete rust in het wijnhuis
haar heeft doen inslapen. Dat was voor haar niet zonder gevaar: want, wanneer
wij in een geestelijke slaap zijn gevallen,
dan kan de vijand (de satan) alles met ons doen. Daarom waarschuwt de Heer ons
bijna dagelijks, dat wij moeten waken en, dit blijkt ook uit het zevende vers,
want van de bruidskinderen vertoeven er ook onder de dochteren
Jeruzalems, dat is onder de verschillende kerkgenoot-
schappen, waar zij toch eigenlijk niet thuis horen.
Gelukkig lezen wij in vers:
Vers 8. "dat is de stem mijns Liefsten"
Hoewel zij nog slapende zijn, horen zij toch de naderende
Bruidegom. Zij horen het aan Zijn stem, dat is: door de gave der profetie, hun door
anderen kond gedaan, want bij de dochteren Jeruzalems wordt de stem des Heren niet vernomen. Zodra zij
deze stem weer vernemen, staan zij vlug op en is weldra alle slaap weer
geweken. Hij Zelf komt haar weer opzoeken.
Daarom klinkt de uitroep: "Ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de
heuvelen"
Gelijk de reeën of de hinden, welke over alle
hindernissen heenspringen, zo komt Hij en Zijn stem
wordt vernomen door alle verdwaalde Bruidskinderen, die te midden van on- en bijgeloof in gevaar verkeren. J.0/SdJ.