ALS EEN BESLOTEN HOF

EN

EEN VERZEGELDE FONTEIN.

"Mijne zuster, o, Bruid.! gij zijt een besloten hof, een verzegelde fontein. Uwe scheuten zijn een paradijs van granaat-appelen, met edele vruchten, cyprus met nardis. Nardis en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. O, fontein der hoven, put der levende wateren die uit Libanon vloeien.! Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijnen hof, dat zijn specerijen uitvloeien. Om dat mijn liefste tot Zijnen hof kwame, en at zijn edele vruchten.!" Hooglied 4:12-16.

Het Hooglied is in het bijzonder een lied van geur en smaak. Bloemen, oliën, specerijen,en vruchten maken een zeer groot deel uit van deze taal der liefde.

Wat de reuk betreft, het begint al dadelijk met: "Uwe oliën zijn goed tot reuk". Hooglied 1:3.

Verder lezen wij van de nardis, die reuk geeft bij een ronde tafel; van het bundeltje mirre dat tussen de borsten vernacht, Hooglied 1:12,13, en van de reuk der wijnstokken. Hooglied 2:13.

Ook zien wij de Bruid opkomen uit de woestijn, berookt met mirre en wierook en allerlei poeders des kruideniers.(3:6).

Dan lezen wij van de mirreberg en de wierookheuvel, (4:6), van de reuk harer oliën, (4:10), en van de reuk harer klederen, die is als de reuk van de Libanon. hoofdstuk 4:10,11.

Telkens ontmoeten wij nardus, saffraan, kalmus, kaneel, allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. (4:14), en, er wordt speciaal de aandacht op gevestigd dat de Noordenwind en de Zuidenwind dienen moeten om de geur van die specerijen te doen uitvloeien.(4:16).

Hoofdstuk 5 begint ook weer met de mirre en de specerijen uit Zijnen hof, en, de wangen van de Bruidegom worden beschreven als een bed van specerijen, als welriekende torentjes.

"Zijn lippen als leliën, druppelende van vloeiende mirre." 5:13.

Evenals het zesde hoofdstuk, dat begint met ons te zeggen, dat de Liefste is heengegaan tot Zijn hof, tot de specerijbedden, (6:2), terwijl aan het slot van het lied der liefde nog eens wordt gewezen op de bergen van specerijen. (8:14).

Maar óók de vruchten hebben een voorname plaats. Het begint met de wijngaarden, (1:6,14); verder met de appelboom waarvan de vrucht voor het gehemelte zoet is (2:3) en de vijgeboom die zijn jonge vijgjes voortbrengt.(2:13).

De Bruid wordt vergeleken bij een besloten hof, waarvan de scheuten zijn als een paradijs van granaatappelen met edele vruchten. En, het verlangen naar de komst van de Bruidegom drukt de Bruid uit: "O, dat mijn liefste tot zijnen hof kwame en ate zijne edele vruchten." Hooglied 4:13,16.

De notenhof der vallei (6:11), de druifjes en de granaatappelen komen in het einde van de oogsttijd met allerlei edele vruchten, zowel nieuwe als oude, die de Bruidegom voor de Bruid weggelegd heeft. Hooglied 7:12,13.

Inderdaad, alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk.! Hooglied 5:16.

Dit ervaart ook de gemeente van Christus in haar Heer en Zaligmaker.

Welke een zegen, als men als Sulamith zeggen kan: "Zulk één is mijn Vriend."

En, als vanzelf doet de omgang met Hem ook de gelovige zijn als een lieflijke reuk van Christus.

De klederen van de Sulamith hadden de reuk van Libanon. De geur van de Libanon is de geur van cederen. Cederen zijn het beeld van de onverwelkelijke opstandingsheerlijkheid. De Bruidsgemeente moet dus niet een reuk des doods, doch een reuk des leven afgegeven in de wereld.

Een lieflijke reuk van Christus, doch óók: de kostbare vruchten. Want, wanneer de Here Jezus Zichzelf vergelijkt met de wáre wijnstok, dan zegt Hij daarbij: "Gij zijt de ranken". Johannes 15:5.

Ranken zijn bestemd om vruchten te dragen. Zó moeten de edele vruchten des Geestes in het leven der gelovigen gevonden worden en haar "hof" moet een "besloten hof" zijn.

De poort van die hof mag niet voor iedereen open staan, want bij de Sulamith mocht zij alleen openstaan voor de Liefste. (4:16).

Zo ook mag in de gemeente van Christus geen ander de vruchten van ons leven plukken en moet de poort gesloten worden gehouden voor alle vijandelijke indringers, zowel de grote als de kleine vossen. (2:15).

Een Christen moet zijn als een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. (4:12).

Het is een noodzakelijke levens-eis en levensvoorwaarde voor geur en smaak, dat de levende wateren uit de Libanon er de groeikracht aan geven. (4:15).

En de fontein moet verzegeld zijn opdat de bron niet kan worden vergiftigd, zoals de vijanden in oorlogstijd doen.

Laat niemand toe in uw hart, die er niet in hoort. Dát is de les, die er in ligt: "blijf een besloten hof en een verzegelde fontein.!"

En, wanneer wij Hem inderdaad verwachten,dan dienen wij te weten, dat Hij een zodanige hof verwacht als in vers 13: "uwe scheuten zijn een paradijs van granaat-appelen, met edele vruchten, cyprus met nardus.!"

Het zal alles uit Hem komen en gaan geuren door allerlei specerijen.

En dan is er tenslotte nog dat merkwaardige gebed: "Ontwaak Noordenwind! en kom gij Zuidenwind! doorwaai mijnen hof, dat zijn specerijen bloeien." (4:16).

Wat de Zuidenwind aangaat: wij zijn van nature aangelegd op warmte; dát is dus niet zo moeilijk om te vragen; doch, te vragen om het ontwaken van de Noordenwind, veel en veel liever bidden wij die wind weg.

En toch is ook die wind nodig om de bomen te schudden en een frisse koude aan te brengen. Alles op zijn tijd, zowel de warme wind uit het Zuiden als de koude wind uit het Noorden, want deze beide winden moeten dienen om de specerijen te doen uitvloeien.

Laat ons dus eenvoudig tot de Heer zeggen: "Heer, Gij zijt de Landman, ik heb er geen verstand van. Doorwaai Gij maar mijn hof naar Uw wil en zendt Gij maar de Noordenwind of de Zuidenwind, naar Uw keuze opdat de specerijen gaan uitvloeien en Gij van de edele vruchten kunt eten als Gij tot Uwen hof komt."

MARAN-ATHA.!

de Heer komt.!