"Ontwaak Noordenwind! en kom gij Zuidenwind!, doorwaai Mijnen Hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat Mijn liefste tot Zijnen hof kwame en ate Zijne edele vruchten.""
Deze bede van de Bruid van Christus in het Hooglied, is op de Pinksterdag heerlijk verhoord. Maar, zij wordt nog altijd koninklijk vervuld, ook nú, overal waar Gods Kerk bidt, want, de Bruid uit het Hooglied, is niet slechts het Israël van weleer.
Die Bruid zijt gij, gemeente, indien gij althans Hem alleen tot uw Bruidegom en Losser hebt. Ook Gods Kerk van heden belijdt: Wij hebben Hem lief omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad."
En, "indien iemand de Here Jezus Christus niet liefheeft, die zij ene vervloeking."
Hij heeft Zijn Bruid het eerst liefgehad met een ongekende, verkiezende liefde, tot in de dood aan het kruishout.
Zijn gemeente heeft Hem daarom lief, Die "blank en rood" is en de banier boven tienduizend. Hooglied 5:10.
En, júist omdat zij Hem liefheeft, dáárom bidt zij nog altijd: "Ontwaak Noordenwind en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof opdat de specerijen van al, wat Mijn Koning en Bruidegom behaagt, uitvloeien."
Of zou dit nu niet meer gebeden behoeven te worden, nu de Geest des Heren is gekomen om eeuwig te blijven, naar des Heren belofte.? Johannes 14:16,17.
Kan de Geest, en zal de Here Jezus Christus niet meer van ons wijken omdat Hij gezegd heeft: "Ziet, Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld". Mattheus 28:20.
Ja, het ís waar: "de poorten der hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen."
De Bruid, die Hij gekocht heeft met Zijn bloed, zal door niemand aan Hem ontrukt worden.
Maar, toch lezen wij in het Woord des Heren de ernstige waarschuwing: "Bedroefd de Heilige Geest niet; blust de Geest niet uit."
Wij kunnen de Geest des Heren zó bedroeven en weerstaan, óók als wij zeer vroom zijn, zó vroom als de schriftgeleerden en de farizeeën in de dagen van de Here Jezus, dat Hij ván ons wijkt.
Ja, wij kunnen de "zonde tegen de Heilige Geest" bedrijven, voor welke zonde er geen vergeving gevonden wordt.
Denken wij eens aan de gemeenten in Klein-Azië, die een lusthof des Heren waren. Hoe liefdevol en ernstig waarschuwt de Hemelse Bruidegom deze gemeenten in de brieven die Johannes moest opschrijven. Openbaringen 1-3.
Maar desondanks is het licht van de kandelaar genomen en is het stikdonkere nacht.
Hóe is het onder andere gegaan in Engeland, in Duitsland, alwaar éénmaal bloeiende gemeenten waren, die nu bijna allen zijn verstorven.?
Maar, wat zien wij om, in- en naar andere landen; is er ergens een land waar de hof des Heren heerlijker gebloeid heeft dan in ons eigen Nederland.?
Waár ter wereld, hebben zo liefelijke specerijen van geloof en van vrede, van lijdzaamheid en stervensmoed, gegeurd als in Nederland.?
Wáár elders, werden zó rijke vruchten gevonden van waarheid en gerechtigheid dan in Nederland.?
Maar nu,nú is de tuin van Nederland vol van onkruid en verwaarloosd omdat er niet gesnoeid en geploegd is en omdat de wellen zijn verstopt.
O neen, de Here God heeft ons volk van Juda niet verlaten en niet verstoten, want nóg weerklinkt de boodschap des levens; nóg is er een overblijfsel naar de verkiezing der genade; nóg doet de Here God wonderen van bekering; nóg bloeien er bloesems en rijpt de vrucht.
Maar, de christenheid in Nederland, die zelf de wellen grotendeels heeft toegestopt, zal met schaamte moeten belijden dat zij zó haar Bruidegom niet kan ontmoeten.
Zal Hij komen in een hof, waar de specerijen uitvloeien en de edele vrucht rijpt, dan mag de Bruid des Heren ook nog wel dagelijks bidden en smeken: "Ontwaak Noordenwind, en kom gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof."
Het allereerst de hand in eigen boezem steken, want, leeft deze bede in ons hart omdat Koning Jezus ons dierbaar en onmisbaar is.?
Zijn wij reeds een rank aan de wijnstok die vrucht draagt? Een planting des Heren, een levende fontein.?
Het zou evenwel hoogmoedig zijn om dat van onszelf te getuigen.De Bruid in het Hooglied zegt: "ik ben zwart doch liefelijk". Hooglied 1:5, en, dát durft zij van zichzelf te getuigen omdat de Bruidegom het haar gezegd heeft.!
Zie, wanneer een mens, zwart van zonde, onrein en melaats, tot Christus vlucht met belijdenis van zijn schuld, dán zegt Christus tot hem, tot haar: "uwe zonden zijn u vergeven, al waren ze rood als karmozijn, ze zijn nú wit gelijk sneeuw, Ik heb u eeuwig lief."
En dán pas mogen wij, voor God en de mensen, in ootmoed getuigen: "ik ben zwart doch liefelijk in de ogen van mijn Hemelse Bruidegom".
Wanneer wij, als een dode, in Christus worden ingeplant, dan zijn wij tóch een levende, vruchtdragende rank.
Wanneer wij, dor en doods, ons aan Christus en Zijn Woord houden, dan wordt het water dat Hij ons geeft in ons tot een fontein van water, opspringende tot het eeuwige leven.
Dát zegt de Heer immers Zélf ?
Wanneer wij Hem op Zijn Woord geloven en Zijn Woord onderhouden, dan is Zijn heerlijkheid, Zijn leven, Zijn vrucht en al Zijn schoonheid voor Zijn Bruid.
En wij, wanneer wij, in een diep verlangen om Hem te behagen, om te begeren dat Hij verheerlijkt wordt en dat de Heilige Geest ons zal doen bloeien en vruchten doen dragen, dán wordt die bede verhoord en vervuld, evengoed alsdat zij vervuld werd op dien eersten Pinksterdag.
Want het is de Bruidegom tot ere wanneer Zijn Bruid zonder smet of rimpel is en versierd is met de Koninklijke sieraden, want, "hierin wordt de Vader verheerlijkt dat gij veel vrucht draagt."