"Dit is de stem mijns liefsten; zie hem, hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen. Mijn liefste is gelijk een ree of een welp der herten; zie, hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensters, blinkende uit de traliën" Hooglied 2:8,9.
Na de inleidende beurtzang tussen Salomo en de Sulamith, ziet het spiedende oog van de Bruid uit naar de persoonlijke komst van de Liefste en zij spitst de oren naar het ruisen van Zijn komen, Zij herkent Zijn stem en ziet Hem in de geest naderen met de snelheid van een ree, huppelende op de heuvelen.
En, het antwoord van de komende Liefste is: "Sta op Mijn vriendin, Mijn schone en kom.! want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan; de bloemen worden gezien op het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land; de vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes; sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom.!" Hooglied 2:10-13.
Welk een schoon beeld is dit, dit beeld van het verlangen van de gemeente, de Bruid van Christus. Het verlangen naar Zijn komst houdt haar wakende en wachtende; zij verliest zich niet in allerlei onvruchtbare fantasieën en twijfelachtige berekeningen; zij doet als de Sulamith die de dochteren van Jeruzalem bezweert om de liefde niet op te wekken, tot het haar lustte.
Zij paart aan haar waakzaamheid, de nuchterheid. Maar zij ziet toch óók, hoe Hij: "achter onzen muur staat", en door de vensters van het Heiligdom uitziet naar de vereniging met Zijn Bruid, Hij, Die haar toeroept: "Sta op Mijn vriendin, en kom.!"
Zij ziet, hoe de winter van deze tijdsbedeling voorbijgaat en de bloemen van de komende lente reeds gezien worden.
Zij merkt, door het uitbotten van de vijgeboom, dat de zomer, het uur van Zijn komst, zeer nabij is.
Het "Maran-atha" gaat zich uiten in woord en lied; de zangtijd genaakt en de stem van de torelduif wordt gehoord.
Wat een lieflijke, zevenvoudige uitnodiging.!
De winter is voorbij; de plasregen is over; de bloemen worden gezien; de zangtijd genaakt; de stem van de tortelduif wordt gehoord; de vijgeboom brengt zijn jonge vruchten voort; de wijnstokken geven reuk.!
Als de zangers uit het Zuiden komen, dan ontwaakt de lente. Dát is Zijn tijd en schepping en schepsel en schepping zien daar naar uit.
De lente is de tijd waarin de zwaluwen wederkomen en hun nesten bouwen; de tijd, waarin de vogels weer hun lied doen horen en de vruchten zich beginnen te zetten; de lente is de aankondiging van de naderende zomer.
De gemeente van Christus heeft het op de aarde wel goed omdat zij zich hier de Zijne weet, en óók Zijn belofte heeft: "Ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld." Mattheus 28:20.
Máár, zij weet óók, dat, als de voleinding van deze bedeling dáár is, dat er dan nog iets veel heerlijkers voor haar is weggelegd; het is de dag Zijner toekomst, de dag, waarop zij zal worden opgenomen in de wolken, de Heer tegemoet in de lucht.
Ze wéét, zoals het Woord des Heren zegt in 1 Thessalonicenzen 4:17: "Alzo zullen wij altijd met de Here wezen".
Hij is nu mét ons, dóór Zijn Geest, dat is véél, máár, als wij mét Hem zijn van aangezicht tot aangezicht, dat is veel méér.!
Daarom: "Hij weidt onder de leliën"...tótdat die dag aankomt en de schaduwen vlieden; en het is díe dag waarnaar de Sulamith uitziet en waarvan zij zegt: "Keer om mijn Liefste.! wordt Gij gelijk een ree of welp der herten op de bergen van Bether." hoogl.2:17.
"Bether" betekent: "scheiding".
O, die bergen van scheiding die er nu nog soms door zonde en dood tussen de Heer en ons zijn. Wij zouden deze berg wel willen wegwerken of overtrekken. Maar, wij moeten wachten totdat wij in een punt des tijds verandert worden; wij moeten wachten, totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden.
Doch éénmaal, wanneer Hij komt, dán zullen ook deze bergen van scheiding wijken; en dan zullen óók de schaduwen van zonde en dood vlieden.
Is het daarom te verwonderen dat de dromen van de Sulamnith beheerst worden door de gedachte aan de komst van haar Bruidegom? Neen immers.!
Daarom ziet zij Hem uit de woestijn opkomen, omringd door helden die gereed zijn tot de strijd.
Welk een geweldige en machtige stoet, in het midden waarvan zij haar Liefste ziet, als Koning in Zijn draagstoel, gemaakt van het hout van de Libanon en rustende op zilveren pilaren. Hooglied 3:6-9.
En, wanneer zij dát ziet, dán roept zij het uit: "Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Sion, de Koning Salomo, met de kroon waarmede Zijn moeder Hem kroonde op de dag zijner bruiloft en op de dag der vreugde zijns harten."
De droom van de Salamith is de Maran-atha verwachting waarin de gemeente haar Heer en Hoofd tegemoet ziet als de Koninklijke Bruidegom.
Johannes beschrijft dit komen in Openbaring 19:11: "En ik zag de Hemel geopend; en zie, een wit paard, en die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid. En de heirlegers in de Hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad."
De helden die de Sulamith bij de stoet ziet, aangegord tot de strijd, zijn de heiligen die Christus vergezellen bij Zijn krijg tegen de anti-christ.
En, let op!, de Sulamith ziet hóe Zijn komst is: niet zoals de eerste maal in nederigheid, maar nú in een koets, gemaakt van het hout van de Libanon.
Dit is tekenend, want het hout van de Libanon is het ceder-hout, en het beeld van Koningschap; dus een Koninklijke draagzetel.
De Sulamith ziet Salomo, de Vredevorst, komen in al Zijn majesteit en heerlijkheid. Ze ziet, hoe de dag der heerlijkheid is aangebroken; het is de dag waarop Hij gekroond wordt, en, de dag die tevens zijn zal de dag Zijner Bruiloft en de "dag des vreugdes Zijns harten."
Het Hooglied is het lied der liederen waarin het preludium wordt beluisterd van Openbaring 19: "dag des vreugdes Zijns harten is aangebroken."
Het zullen zijn de Halleluja's op de dag van Zijn Koningschap en van de Bruiloft des Lams. (tot de dag komt en de schaduwen vlieden").
En, tot aan de komst van die dag gaat de Bruidegom tot de mirreberg en de wierookheuvel.
Mirre is het beeld van bitterheid en lijden; wierook is het beeld van het gebed.
De komende Bruidegom is nu als Hogepriester in het Heiligdom, bij het reukaltaar en bidt daar voor hen, Daarom ziet Hij Zijn gemeente van daaruit reeds als volmaakt: "Geheel zijt gij schoon, Mijne vriendin, er is geen gebrek aan u". vrs 7.
En, terwijl Hij thans op de troon Zijn Vaders Zijn gemeente volmaakt door Zijn Hogepriesterlijke voorbede en de gemeente op de aarde Zijn getuige is, wordt de beurtzang gehoord van wederzijds verlangen, dat eindigt in het slotvers van het Hooglied.
Toen Salomo aan het begin van de ontmoeting aan de Sulamtith vroeg om haar stem te laten horen, was het haar verlangen om verlost te worden van de grote en kleine vossen, 2:15, doch nu, nu Hij aan het einde nogmaals haar stem wenst te horen, heeft zij geen ander verlangen dan dat Hij haastiglijk komt, zo spoedig als een ree op de bergen.
Zó is het óók bij de gemeente; in het begin van haar geestelijke omgang heeft ze allerlei moeilijkheden wég te bidden, doch, tenslotte lossen al haar gebeden zich op in de bede om Zijn komst.
De gebeden van David eindigden bij de Koningspsalm, ps.72; zó hebben ook de gebeden van de gemeente een einde bij de samenvatting van haar verwachting in de woorden: "Amen, ja kom Heer Jezus.!" Openbaring 22:20.