"Terwijl de koning aan Zijn ronde tafel is geeft mijn nardus haar reuk."
In een eigenaardige beeldspraak wordt in bovenstaande bewoordingen de Hemelse Bruidegom door Zijn Bruid, de Gemeente, die híer nog in strijd verkeert, verheerlijkt.
Het ganse schepsel zucht met opgestoken hoofde en krimpt ineen als één, die in barensnood is door al de ellende die over d gehele wereld gekomen is. Romeinen 8:19-23.
Wij zien, dat aan de wereld vervuld wordt wat de Heer Jezus Zélf toen Hij nog op aarde was, in Lukas 21:25.26 heeft voorzegd, namelijk: dat er op de aarde benauwdheid der volkeren wezen zal, vol twijfelmoedigheid en dat het hart der mensen zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen.
Wij zien óók, dat de fundamenten van het christelijke Babylon wankelen en dat haar val nabij is. Openbaring 18.
Terwijl wij beleven, dat ook zíj, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten vanwege de verschrikkelijke toestanden waardoor de christenvolken, en, ook zij, getroffen worden.
Zij zuchten vanwege de toestand waarin zijn gekomen zijn. Zij kunnen zo weinig meer doen voor de eer des Heren, de Koning der Kerk, tot behoud van hen die klagen en uitroepen over al de gruwelen die in het midden van Babylon, het geestelijke Jeruzalem, worden gedaan. Ezechiël 9:4.
Het vergaat de Bruidsgemeente in deze tijd, evenzo als de dicipelen en de dicipelinnen in de tijd toen men de Heer kruisigde.
Tóen zagen deze, als het ware hun hoop op de wederoprichting van het koninkrijk aan Israel, vervliegen.
Tóen porde de satan zijn gehele geestenheir aan om deze zwaar beproefde lieden te plagen.
Want immers hún God, hún hoop, stierf zoals alle mensen sterven, en hun Verlosser lag in het graf.
Máár, deze beproeving duurde slechts kort. Want ten derde dage stond de Heer, als Overwinnaar, óp uit het graf en de dood.
Zó zal óók de Bruidsgemeente straks jubelen wanneer zij de ontslapenen zal zien opstaan en zij, met hen, de Heer tegemoet gaan in de lucht.
De Heer ziet Zijn Bruid in deze laatste tijd als een duif, verborgen in de klove der steenrots, Hooglied 2:14, dat wil zeggen: Er kan geen noodweer komen en het wild gedierte kan rondom de rots huilen en zoeken naar prooi, maar de duif zit hoog en veilig.
Zo óók de uitverkoren Gemeente, die, in Christus, de Rots, geborgen is in God.
In Zíjn wonden heeft zíj verzoening gevonden en bij Hem kan zij rusten; en, niets ter wereld kan aan haar die rust ontnemen.
De Vader heeft aan de Zoon een Bruid gegeven en niemand kan haar uit Zijn hand rukken. Johannes 10:28.
Hij, die loert op haar ondergang, zal niets vermogen tégen haar, want haar Bruidegom heeft de wereld overwonnen en de macht van satan gebroken.
De Bruid ziet haar Bruidegom als de Koning aan Zijn ronde tafel.
De ronde tafel is, in haar cirkelvorm, het beeld van de eeuwigheid.
De tafel-gedachte is het beeld van de blijdschap van de volbrachte arbeid, de majesteit van de eeuwige rust en het genieten van de eeuwige heerlijkheid van Christus met de Zijnen.
Wij denken hierbij aan het feestmaal te Bethanië, én de symbolische voorstelling hiervan.
De Heer had Zijn arbeid op aarde voleindigd, voor de laatste maal was Hij naar Jeruzalem gegaan. Kort tevoren had Hij Lazarus opgewekt uit de dood.
Voor Hem werd te Bethanië een feestmaal bereid, een maal, waarbij óók Lazarus aanzat. Het was dáár, dat Maria haar Meester tot haar Koning zalfde met zeer kostbare nardus, met ál de liefde van haar hart.
En zó zal de Heer straks verheerlijk worden door de levend veranderden en de opgestane heiligen.
Oók het Laatste Avondmaal ziet op deze heerlijkheid.
De Heer zat aan, en mét Hem Zijn twaalf dicipelen; de Heer vervulde hier Zélf het oude Paasgebruik en stelde het Sacrament in voor de Gemeente van het Nieuwe Testament.
De Kerk viert alzo gedachtenis aan het lijden en sterven des Heren, máár, het Sacrament zegt ons méér, want de Heer sprak immers: "En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders." Mattheus 26:29.
Wanneer wij het Avondmaal gebruiken, dan groeit ook in onze ziel het verlangen naar die voorzegden dag, de dag van het Avondmaal van de Bruiloft des Lams, waar grote scharen met donderende stem zullen uitroepen: "Halleluja.! want de Here, de Almachtige God, heeft als Koning geheerst. Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de Bruiloft des Lams is gekomen en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid." Openbaring 19:6,7.
Tenslotte zal de Heer der heirscharen op de berg Sion aan alle volkeren een vette maaltijd bereiden, een maaltijd, van reine wijnen die gezuiverd zijn. Jesaja 25:6.
Dit zal een eeuwigdurend genieten zijn van de voleinde arbeid van onze Heer Jezus Christus, die, als het Lam Gods, Zichzelf Gode geofferd heeft en onze Grote Hogepriester, die, zolang het heden is, voortdurend intreedt voor het aangezicht des Vaders om voor zondaren te pleiten.
Het beeld van "de ronde tafel" neemt ook alle gedachten aan vooraanzittingen, ofwel ereplaatsen, weg, want aan de ronde tafel in de Hemel zijn allen gelijk.!
Dáárom mag er bij ons dan ook geen verschil zijn in het deelnemen aan het Heilig Avondmaal omdat wij daar allen met dezelfde behoefte en met dezelfde dankbaarheid komen.
Wanneer wij letten op hetgeen de Heer spreekt in Openbaring 3:20, dan vinden wij daarin een duidelijke verklaring voor onze beschouwing.
De Heer richt hier Zijn Woord tot de zeer vervallen Laodicese gemeente: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop, zo iemand Mijne stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen", en, dán volgt er dat wonderlijke lokkende, dán volgt er de uitnodiging tot een overvloeiende vreugde: "Ik zal met hem Avondmaal houden, en, hij met Mij."
Het is of er dan twee gelijken zijn, of er twee gelijkgerechtigden aan tafel zitten,: de gastheer wordt gast, en de gast wordt op zijn beurt gastheer.
"Terwijl de koning aan Zijn ronde tafel is", zo zegt de Bruid, "geeft mijn nardus haren geur."
Maria zalfde haar Meester, en, zó doet óók de Bruid; zij stort haar dankbaarheid en liefde als de nardus van haar hart, over Zijn gezegende hoofd en roept Hem daardoor uit als Koning, de Levensvorst, die ook voor haar de dood inging, en die ook voor haar is opgestaan.
Ja, zij verheerlijkt Hem als te zijn de Opstanding en het Leven voor allen die in Hem geloven.
De nardus komt van een plant die in het Oosten groeit; ten koste van de plant wordt de nardus uit de stengel gedistilleerd.
De liefde en de dankbaarheid van de Bruid wordt gekweekt door beproeving en zelfverloochening waardoor de oude mens afsterft opdat de nieuwe mens naar het beeld van Christus meer en meer wasdom zal bekomen.
Het is wel opmerkelijk, dat de toestand van de Bruid, zoals die is beschreven in Hooglied 5:2-4, veel overeenkomst vertoond met de toestand van de zevende gemeente die is beschreven in Openbaring 3:14-22.
Wij leven heden in het zevende tijdvak en, inderdaad vertoont de gemeente een treurig beeld. Maar, niettegenstaande het verval en de afval die de gemeente verscheurd, staat de Bruidegom tóch aan de deur en klopt om binnengelaten te worden.
Dit mag een ieder die dit leest, wel eens ter harte nemen.
De Bruid in Hooglied 5, deed wél open, maar het was te laat want haar Liefste was reeds heengegaan. Het gevolg hiervan was, dat zij Hem in de nacht ging zoeken en geslagen werd.
Daarom moet een ieder waakzaam zijn en ijverig om meteen open te doen wanneer de Heer aanklopt.
In ons tekstgedeelte ziet de Bruid haar Bruidegom als de Koning aan Zijn ronde tafel; en, dit is de juiste toestand.
Zij zal daarom ook haar gebeden voor alle mensen opzenden tot Hem, die stierf en het offer bracht voor alle mensen.
Hem zal niets liever zijn dan dat Zijn Bruid, die deel uitmaakt van de gehele mensheid, óók voor haar broeders en zusters dit, en, evenals eens een Esther, voor de koning intreedt om genade af te smeken voor haar en haar volk.
Déze nardusgeur zal de Koning aangenaam zijn.
Wat de Bruid in het algemeen beleeft, dat moet óók élk lid in het bijzonder beleven.
In Hebreeën 12:6 lezen wij: "Want, dien de Heer liefheeft, dien kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijk zoon dien Hij aanneemt."
Dit is dus wel zeer persoonlijk.
De Heer kastijdt niet omdat Hij lust tot slaan heeft, maar het is Hem om de nardus van de ziel te doen. Als de Grote Opvoeder zal Hij elk Zijner kinderen behandelen, een iegelijk naar zijn aard.
Beproevingen zijn geen zaken van vreugde, maar zij moeten wél tot heiligmaking strekken.,
De kastijdingen zijn soms zeer verschillend, maar, hóe zij ook zijn, wij hebben alles, wat de Heer ons oplegt, maar eerbiedig uit Zijn hand aan te nemen.
Een voorbeeld: Aäron trof een zware slag; twee zijner zonen, die nauwelijks het priesterkleed aanhadden, stierven bij het altaar omdat zij tegen God overtraden.
Wanneer Mozes nu de zwaar beproefde vader hierover aanspreekt, dan lezen wij in Leviticus 10: "En Aäron zweeg stil."
Job sprak, toen hij alles, zélfs zijn zeven kinderen, had verloren: "De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd."
"Want dien de Heer liefheeft, dien kastijdt Hij."
Dit ondervond ook apostel Paulus, want, die schrijft in 2 Korinthe 12:7 dat hij een scherpe doorn in zijn vlees had.
Deze apostel moest dus voortdurend door een stekende pijn gekweld zijn geweest, en, dát, om hem nederig te houden omdat de Here God aan hem vele openbaringen had geschonken.
De mededienaar van Paulus, Timotheus, was lijdende aan een zwakke maag en had bovendien nog vele zwakheden waarover Paulus blijkbaar zeer bezorgd was. 1 Timotheus 5:23.
En, wanneer wij de rij van de geloofshelden uit Hebreeën 11 nagaan, dan merken wij dat ook dezen moesten worstelen met zowel lichamelijk als geestelijke noden.
Dit alles is ons ten voorbeeld opgetekend opdat wij, evenals zij, bij alles wat de Here God ons geeft te dragen, eerbiedig zullen zeggen: "Uw wil geschiedde."
Op het moment dat wij het vorenstaande op schrift stellen is het al enige tijd guur en koud, máár, de natuur weeft opnieuw haar bruidskleed want de Here God heeft het geboden. Hij, die sprak dat zomer en winter, zaaiing en oogst niet zouden ophouden, geeft ook aan de natuur het vermogen om, niettegenstaande de koude, tóch te ontluiken.
En, zó wordt ook het kleed van de Bruidsgemeente geweven, niettegenstaande veel strijd en beproeving; óf, om een ánder beeld te gebruiken: Het heden is de tijd van het rijpende koren, de gezwollen aren buigen, ja, ze worden zelfs door de stormen ter aarde gebogen, maar de graanschuur is er en de schoven zullen straks binnengedragen worden.
Het: "gij zult het na dezen verstaan", blijft, maar, wie gelooft en de Heer bemint, die mag reeds van verre de Koning aan Zijn ronde tafel aanschouwen en zijn nardus geurt van dankbaarheid.