Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uw arm.
Een zegel is een indruk waardoor iets verzegeld, toegesloten wordt. Zó is de Sulamith wérkelijk verzegeld; van haar is waarheid, zoals geschreven is: Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd. Jesaja 49:16a.
En wederom zegt zij: lk ben des Heren. Jesaja 44:5.
Vergelijk vooral deze laatste Bijbelplaats omdat zij ziet op het zich niet schamen maar op het openlijk belijden als dienaar van Jehova, en, het algeheel afzien van afgoderij, na de terugkomst vanuit Babel.
Zaken die men niet moest vergeten werden bewaard door ze op de hand of op de arm te schrijven. Maar ook zijzelf heeft een zegel ontvangen; zij is verzegeld geworden en ontving daarmede het onder pand van de toekomende erfenis en de verlossing. Efeze 1:13,14; 2 Korinthe 1:21,22; 2 Korinthe 5:5; Efeze 4:30.
Het is niet uit bezorgdheid dat zij aldus spreekt, maar de verzekering dat het zo is; dit blijkt uit het vers dat hierop volgt:
Vers 6b
Want de liefde is sterk als de dood.
Deze uitspraak zou weinig zin hebben als het voorafgaande een toespraak uit bezorgdheid was.
Vers 6c: De ijver is hard als het graf, haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heren.
Sterk als de dood, die de laatste vijand is die teniet gedaan wordt, en die dan zal zijn verslonden tot overwinning. 1 Korinthe 15:54, vergelijk met Jesaja 25:8 en Hosea 13:14.
Zoals het graf het dode lichaam vasthoudt, zó houdt de hand des Heren de Sulamith vast; en, zoals gene niet zegt: Het is genoeg, Spreuken 30:16, zo zegt ook deze niet, totdat zij de gehele volheid van haar Bruidegom geërfd heeft.
Die liefde is als vurige kolen, vlammen des Heren.
Het vuur is een element waardoor twee gedeelde stukken zilver tot één geheel worden versmolten. Zó zullen Bruidegom en Bruid, door de eeuwige liefde, een verheerlijkt vlees worden in het Rijk der Heerlijkheid, en, op de troon van het blijvende wereldrijk, als Koning en Koningin zitten om het gezegende aardrijk erfelijk te bezitten en te regeren. Daniel 2:44,45; Daniel 7:13,14; Efeze 5:22-32; vergel.m. Jesaja 62:4-12.
Vers 7:
Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken, al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten.
Wanneer wij de grootheid van de erfenis van de Sulamith in aanmerking nemen, dan verstaan wij deze uitspraak het allerbeste; want niets is in staat om deze liefde, die heilige, hemelse gloed te blussen; geen rivieren, hóe hoog zij ook mogen gaan zijn in staat om haar te verdrinken.
Zou iemand die liefde willen kopen, het zou niet kunnen, want er kan geen prijs voor gegeven worden om de uitnemende grootheid.
Of zou iemand voor nóg zovéél het tot iets anders willen brengen, men zou hem als een verleider verachten.
Noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel zal haar kunnen scheiden van de liefde Gods, welke in Christus Jezus, onzen Heer is. Romeinen 8:38,39.
Zo waarachtig als het is dat Elia ten Hemel is opgenomen en de Here Jezus ten Hemel is gevaren, zó zéker zal óók de Bruid opvaren naar de Hoge. Neem de moeite om te lezen: Openbaring 11:11,15.
Eérst moet de opvaart van de Bruid geschieden, éér dat het getuigenis van de zevende bazuinengel gehoord zal kunnen worden: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heren en van Zijnen Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
Vóórdat Elia ten Hemel voer, én de Here Jezus, wisten zij dat dit zou geschieden; en zo zal óók de Bruid dit weten, maar óók de achterblijvenden, en men zal zeggen: Sulamiths opvaart geschied heden.
Deze opvaart zal met gejuich geschieden, maar zal ook aanleiding geven tot gesprek en ontzetting en verbazing teweegbrengen; dit wordt ons medegedeeld in de verzen 8-10.
De bezorgdheid des harten openbaart zich bij de Sulamith over de achtergeblevenen, en zij zeggen, de een tot de ander:
Vers 8:
Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal.?
Wíe is die kleine zuster, die aan de Sulamith bezorgdheid baart en van wie men op de aarde zal spreken.?
Het zijn de achtergebleven gelovigen die dachten dat zij alleen maar melk van node hadden. Zij zijn als kleine meisjes die nog geen moederlijke verplichtingen kunnen vervullen. Toen de Here Jezus ten Hemel voer, was het getal van de geborenen uit het Oude Verbond voor het Nieuwe Verbond nog zeer klein en had in het begin nog kleine borsten.
Uit hoofdstuk IV:5 en hoofdstuk VII:3, is gebleken dat borsten het beeld van bedieningen zijn.
Onder niet-Apostolischen is het apostelambt als de éne, en het Evangelistenambt als de ándere borst werkzaam.
In de Apostolische Gemeenten, zijn de twee borsten het Herder- en Profetenambt, om te troosten en te onderwijzen door profetie en door lering. In dien tijd zal er op de aarde, maar ook in de Hemel, veel worden gesproken over de achtergeblevenen, het Elizas volk. Dat Elizas volk is de kleine zuster, die dus niet als een voedster kan zijn.
Wél zal het Apostelen en Evangelisten erkennen, maar dezen zullen geen voldoende vertroosting kunnen geven in de moeilijke strijd die gestreden moet worden.
Daarom spreken de opvarenden verder:
Vers 9:
Zo zij een muur is, wij zullen ene paleis van zilver op haar bouwen.
Een muur is voor de bescherming tegen de vijand; een deur, gesloten zijnde, geeft ook het begrip van veiligheid aan. Ook kan deze deur heen en weer draaien en is dus niet vast en heeft niet bepaald dezelfde stand. Indien de achtergeblevenen tegenover de anti-christ en de valse profeet, als een muur, als een onwrikbaar getuigenvolk, blijven staan dan zullen de Koning en de Koningin, uit liefde, zilver, bij hun wederkomst vanuit de Hemel, bij hen hun intrek nemen.
Als loon van hun belijdenis zullen zij de koninkrijken der aarde mede in erfelijke bezitting nemen
Of, indien zij een deur is, een gesloten deur, tot rust en bewaring, dan zullen wij haar omzetten met cederen planken.
In de dagen dat Izebel, bewoond eiland, de profeten des Heren doodde, verborg Obadja honderd man, vijftig en vijftig, in een spelonk. 1 Koningen 18:13. Indien zo het Elizas volk wezen zal, dan zal het beveiliging en beschutting vinden.
De cederboom is het type van het koningschap.
Cederen planken zijn delen, enkelen van dat koninklijk-priesterlijk volk, dat haar als beschutting is gegeven.
Toen Daniel in de leeuwenkuil een muur bleek te zijn, was het de levende God, die ruimschoots zijn liefde, door het zenden van zijn engel, aan hem deed ondervinden. Daniel 6:23.
Toen de drie jongelingen in de vurige oven waren geworpen toen zag koning Nebukadnezar vier in het midden van het brandende vuur, los wandelen en hij zag dat de gedaante van de vierde als de gedaante van een zoon der goden was. Daniel 3:25.
Toen de koning van Syrië tegen Israël krijg voerde en Dothan belegerde omdat Eliza daar verbleef, toen was de dienaar van Eliza bevreesd en beangst, maar, Eliza bad en de Here opende toen de ogen van de jongen zodat hij zag. En ziet, de gehele berg was vol van vurige paarden en wagenen rondom Eliza. Cfr. 2 Koningen 6:8-22.
Vers 10a:
Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als torens.
Ja, de Sulamith zal een muur zijn, een muur voor het achtergebleven Elizas volk.
Haar borsten zullen hoog opsteken, dat wil zeggen, de bedieningen in het Rijk der Heerlijkheid zullen in het oog vallend zijn.
De muren van het Hemelse Jeruzalem zijn verheerlijkte bedieningen. Cfr. Openbaring 21:9b-14.
[Het twaalftal is het getal der voleinding, het is het product van 3 en 4]
De Here God Zélf is een toren der verlossingen zijns konings.Cfr. 2 Samuel 22:51.
Zó zal Hij óók zijn door de Sulamith; Jeremia, de profeet, werd in zijn arbeid gesteld tot een wachttoren en een vesting opdat hij de weg van het volk Gods zou weten en proeven.Jeremia 6:27.
Vers 10b:
Toen was ik in Zijn ogen als een die vrede vindt.
Het woord vrede, zoals het hier wordt gebruikt, komt voor bij de overgave van een vesting. Men vergelijkt met Deuteronomium 20:10.
Zij vindt niet de vrede voor zichzelf, want die had zij reeds lang gevonden; maar, zij roept de vrede toe en maakt in de werkzaamheid het Elizas volk aan zich schatplichtig en dienstbaar.
Heerlijke tijden waarin wij staan en die op ons wachten; leren wij dan om door een vurig geloof de tijd uit te komen, terwijl de dagen boos zijn.
De overgang vanuit het leven tot het opstandingslichaam was voor de Bruidegom vol van smart en bitterheid, maar het leven ná Zijn opstanding was blijdschap en troost verspreidende. Zijn opvaart ten hemel en het plaats nemen in des vaders troon was een schitterende beloning, en zó zal het ook op het einde zijn, dán zal de Sulamith vrede voor zich gevonden hebben en ook de vrede toeroepen aan anderen.
Vers 11:
Salomo had een wijngaard te Baal-Hammon; hij gaf deze wijngaard aan de hoeders en een ieder bracht voor deszelfs vrucht, duizend zilverlingen.
Een wijngaard te Baal-Hammon.
Baal-Hammon betekent: Heer van een grote menigte., wijnbergen.
Dit zijn de godsdienstige afdelingen die over de gehele aarde verspreid zijn. In allen heeft de geestelijke Salomo zijn wijngaard: geroepenen, uitverkorenen en gelovigen; (eigenlijk getrouwen).
In deze laatste tijd worden de uitverkorenen bijeenvergaderd totdat de eerste opstanding daar zal zijn, en de verandering van de levenden.
Deze wijngaard is aan de hoeders gegeven: Apostelen, Profeten, Evangelisten en Herders.
Duizend zilverlingen bracht een ieder voor deszelfs vrucht. Men vergelijke Jesaja 60:22.
Vers 12:
Mijn wijngaard die ik heb, is voor mijn aangezicht: de duizend, zilverlingen, zijn voor u, o, Sulamith, maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht.
De wijnberg van de Sulamith is voor haar aangezicht, dus geen andere dan te Baal-Hammon.
Wíe vormen nu deze wijnberg voor het aangezicht van de Sulamith.?
Het Elizas volk, de zonnevrouw.
De duizend zilverlingen, de eerstelingen, de gekochten uit de mensen, zijn voor de Salomo, Jezus Christus, om Hem een Bruid te zijn.
Zij komen uit het zelfde veld: Baal-Hammon. Maar, wanneer deze eerstelingen er uit zijn, dan blijft de Elizas schare achter; tweehonderd zullen voor de hoeders zijn.
Zij, die achterblijven, zullen dat onvolkomen getal hebben, een getal, dat op een zeer groot gebrek wijst. Wél is het het produktieve getal, maar dit is slechts een volkomen getal wanneer het produkt daarbij komt.
Twee doet ons denken aan een afgod.
De Here God is één in het absolute van Zijn wezen, in welke éénheid de gehele Godheid en alle dingen bestaan.
Er is één God, en daar is geen tweede, en búiten Hem is er geen andere.
In Richteren 17 lezen wij dat de moeder van Micha twee honderd zilverlingen nam en ze aan de goudsmit gaf die daarvan een groot beeld maakte.
En Micha had een Godshuis en maakte een afgod en terafim en vulde de hand van één zijner zonen dat hij hem tot een priester was, tótdat er een Leviet uit Bethlehem Juda hem tot een priester werd.
De Danieten: Dan betekent Richter, zochten in die dagen een erfenis om in te wonen. Richteren 18:1 ev.
Zij roofden toen het gesneden beeld, de efod en de terafim van Micha, en voerden zijn priester met zich mee. Vervolgens richtten zij dat gesneden beeld op in de stad Dan, die zij tevoren herbouwd hadden; de stad, die tevoren Lais heette. Lais betekent:leeuw.
De Danieten worden in Openbaring 7, in het rijtje van de verzegelden niet meer genoemd; als rechters menen zij dat zij daaraan geen behoefte meer hebben; en daarom behelpen zij zich met valse goden; want de Here God vragen, dat doen zij niet.
Wanneer de duizend, die voor Salomo zijn, weggenomen zullen zijn, en zij als de wijngaard voor het aangezicht van de Sulamith zullen achterblijven, dán zullen zij, de Danieten, erkennen wat zij missen.
Het zal hun te moede zijn, zoals Jesaja zegt: Van het schelden eens enigen zullen duizend vlieden, van vijf allen, totdat zij overgelaten worden gelijk een mast op de top van een berg en als een banier op een heuvel. Maar de Here zal wachten, totdat Hij hen genadig zij, daarom zal Hij Zich over hen ontfermen, opdat Hij verhoogd worden, want de Here is een God des gerichts, welgelukzalig allen die Hem verwachten. Want het volk zal in Sion wonen te Jeruzalem. Hij zal hun genadig zijn op de stem huns geroeps; zo haast hij die horen zal, zal Hij antwoorden. Brood der benauwdheid en wateren der verdrukking zullen hun deel zijn, maar hunne leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar hunne ogen zullen hunne leraars zien. En hunne oren zullen horen de woorden desgenen die tot hen zeggen zullen: Dit is de weg, wandelt in dezelve. Want dat Elizas volk moet haastig behandeld en bedient worden. En zij zullen voor onrein houden het deksel hunner zilveren gesneden beelden en het overtreksel hunner gouden gegoten beelden, zij zullen die wegwerpen als een maanstondig kleed en tot elk van dien zeggen Henen uit.! Jesaja 30: 17-22.
Dán zal de stem gehoord worden:
Vers 13:
O, gij bewoonster der hoven, de medgezellen merken op uwe stem; doe ze mij horen.
Het Elizas volk is begerig om de stem te horen van de Sulamith want het voelt zich beschaamt en verlaten. Zij zullen de billijkheid ervan zélf erkennen, dat zij medgezellen zijn omdat zij zoveel versmaad hebben. De Elizas gemeente begeert om de Sulamith met haar geliefde te zien.
Was éénmaal de verzuchting van de Bruid, en van haar dag en nacht roepen: Here Jezus.! Hemelse Bruidegom.! Kom haastiglijk.!.
Andermaal zal er, ná haar heengaan, een geroep op de aarde klinken: Gij Koninklijk en Priesterlijk echtpaar, kom haastig weder vanuit de Hemelen. Kom haastiglijk, mijn liefste, weest gij gelijk een ree, of een welp der herten op de bergen der specerijen. Vers 14.
Het gevoelen van vele mensen, waaronder mannen van naam, is, dat het slot van het Hooglied verloren is gegaan. Dit is ook het gevoelen van de verklaarder van de typeringen, alsmede van de schrijver.
Moge deze verklaring van het Hooglied, de aanleiding zijn tot onderzoek teneinde iets beters en verheveners aan het licht te brengen.
Dat het Hooglied een verborgenheid is, dat zal de lezer inmiddels wel hebben begrepen, en, dat het lezen en het begrijpen ervan gelijk is aan de openbaring van schatten die in de duisternis zijn, dat zal door geen enkele onbevooroordeelde worden betwist.
Wij hebben er in kunnen zien een gemeente zoals zij vóór achttien eeuwen wachtende was op haar Bruidegom.
Mag zij weer verschijnen.?
Zou U, lezer, U verblijden wanneer de gemeente weer met dezelfde verwachting verscheen?
Wanneer er een kind geboren wordt, dan zien de beide ouders en anderen die daarbij tegenwoordig zijn, het allereerst of dat kind alle leden heeft: armen, benen, ogen, oren, enz. Als het kind dit alles heeft, dan is men voldaan.
Men weet, dit kan een mens worden zoals hij behoort te zijn. Maar, wanneer dat kind opgroeit dan gebruikt het die armen en handen en dan begint het te grijpen en haalt wel eens wat van de tafel en werpt dat op de grond.
Men denkt er echter niet aan om dan maar dat kind de handen af te hakken of zijn armen vast te binden.
En, wanneer het dan begint te lopen, dan loopt het wel eens op plaatsen waar het niet mag komen. Dit kleine kind wordt op deze manier een woelwater; maar een kind zonder armen en benen zou een zeer rustig popje zijn dat men neer kon zetten waar men maar wilde en het zou dan ook nergens kunnen aankomen.
Maar, zou men er dan tevreden mee zijn.?
Aldus had de gemeente in de aanvang armen en benen, maar toen zij opgroeide heeft men die eenvoudig afgehakt waardoor het nu een geheel rustig kind is geworden.
Maar, is dat wel goed.?
Nog een ander beeld.
Wij allen kennen wel een windmolen met zijn vier wieken. Wanneer er een wiek ontbreekt, dan is er een gebrek, en zal de molen zijn dienst niet meer zo goed kunnen verrichten dan wanneer hij zijn vier wieken nog heeft.
Die vier wieken staan vlak tegenover elkaar maar hebben toch elkaar nodig, want de ene is als het ware een voortzetting van de andere.
Zo is het ook in de gemeente. Men wil wél de molen maar niet met de vier wieken; slecht met één wiek opdat die ene wiek de eer bekomt, dat hij is en uitoefent wat de drie andere wieken met hem uitoefenden.
Met andere woorden: in de Kerk willen de herders tegelijk profeten, evangelisten en apostelen zijn.
Die ene wiek kan echter slechts maar gebrekkig werken en laat daardoor het geschonden voorkomen van de molen des te scherper zien.
Zó gebrekkig en geschonden is het werk en het voorkomen van de Kerk, sinds de drie ambten verdwenen zijn en alleen het herderambt nog maar overbleef.
Weldra zal ook deze vierde wiek vallen en de molen geheel stilstaan want de Wetteloze zal alles trachten te doen om ook die laatste wiek weg te nemen.
Och, dat de christenen toch willen zien.!
Dat men leert om de grote afwijking te erkennen waarin de Kerk van Christus leeft.
Dat men de ogen eens opende voor hetgeen is, én voor hetgeen zijn moet.
De Wijsheid, die van boven is, zij met allen die dit werkje onder de ogen krijgen.
De genade zij met allen die de Here Jezus in onverderfelijkheid liefhebben.
Amen.