Afkomst en werkzaamheid van de Sulamith.
In de zeven voorafgaande hoofdstukken is door de Heilige Geest zeer treffend het beeld van de Sulamith in beelden en schaduwen getekend.
Dit 8e hoofdstuk sluit zich niet slechts zeer nauw bij de voorgaande aan, maar overtreft eigenlijk deze voorgaande hoofdstukken in belangrijkheid.
Hier in dit hoofdstuk wordt aan ons getoond, wáár de zoekende Sulamith, uitgaande en rondzwervende om haar Bruidegom te vinden, geboren is.
Niet alle gedoopten zijn de Bruid; de Bruid is echter ook een, door de waterdoop geboren, dochter.
Zij is opgevoed in en ontwikkeld door de heilsgoederen, teneinde zélf in de Schriften te onderzoeken wat zij zijn moet en wat zij geloven moet voor dít leven, en wát zij wezen zal bij de overgang uit dit sterfelijk leven tot de onsterfelijkheid, en dan, samengesteld uit velen, als zij is, tot koningen en priesters geadeld en gekroond, ná haar opvaart verbonden en verenigd te worden met het Lam, de Bruidegom, om daarna met Hem te komen en het gezegende aardrijk erfelijk te bezitten.
[Deze zijn de uitverkorenen, voorzover zij tegenover de geroepenen gesteld worden. Zij zijn diegenen wier namen in het Boek des Levens des Lams, voor de grondlegging der wereld, geschreven zijn. De erfgenamen van God en de mede-erfgenamen van Christus.
Geen verstandig mens mag over deze onderscheiding en tegenstelling lachen, of dezelve met een gefronsd voorhoofd beschouwen.
Neen, zij is orde en waarheid, niet alleen volgens de openbaring der Schriften, maar ook volgens de gehele natuur.
Het is een grondwet.!
Zowel in de Openbaring, als ook in de natuur: Vele geroepenen, weinigen uitverkoren.
Duizend Filosofen, maar één Leibnits; duizend schilders, maar één Rafaël Mengsen; duizend wiskunstenaars, maar één Hahn, en zó verder in alles.
Het grote moet niet algemeen, maar zeldzaam zijn, want anders zou het niet meer groot zijn.
Het uitverkorene moet niet gemakkelijk nagemaakt kunnen worden want anders zou het algemeen zijn.
Zouden er niet christelijke Leibnitzen, Apostolische Mengsen en Hahnen kunnen wezen.?
Christelijke genieën, zowel als poëtische.?
En, wat is derhalve meerder waar, dan: velen geroepen, weinig uitverkoren.
Een ontelbare schare die zalig wordt, maar de uitverkorenen de getelden.
Vele dochteren Jeruzalems, maar één enkele de Bruid. Vele deelgenoten van het eeuwig heil. Maar slechts één erfgename van alles.
Er wordt door vele gelovigen een waarheid uitgesproken, waarvan de juiste waarheid niet gekend en begrepen wordt, namelijk, dat de mens op zekere leeftijd wedergeboren moet worden.
Daarbij wordt echter vergeten: door water én Geest voor het koninkrijk Gods.
In het Rijk de genade komen wij hier door de Waterdoop; dat Rijk is hier op aarde in nederigheid; levende en wandelende in het geloof zullen diegenen zalig worden want die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden.
Maar, diegenen die door de Vuurdoop met de Heiligen Geest herboren zijn, in wien de Heilige Geest inwonende is, en die weten wát zij, als de sulamith, zoeken, aan hún is het Koninkrijk verordineerd evenals het aan de Here Jezus door de Vader verordineerd is. Cfr.Lukas 12:32; Lukas 22:29,30.
Zij zijn gevormd en ontwikkeld voor een edele minnaar en Bruidegom en begeren het niet om door de eerste de beste Babylonier tot Bruid verkoren te worden.
In de hoofdstukken I en II, hebben wij het zoeken van de Sulamith, haar vinden en haar wasdom gezien. Zij zocht en vond die Vredevorst, de geestelijke Salomo.
In de hoofdstukken III en IV, zien wij, hóe zij, na gevonden te hebben, weer verloor en, hoe zij meende om een bed of rustplaats, gemeente, te moeten bereiden voor haar zielerust.
Zij hervond en werd daarna geroemd door haar Bruidegom.
In de hoofdstukken V, VI en VII, werd aan ons haar vernedering, haar laatste strijd en de overgang tot die rust getekend; waarin elke verrichtte werkzaamheid de vrede en de heerlijkheid vermeerdert, want ook de Here Jezus werd in de veertig dagen na Zijn opstanding niet moede in Zijn opzoekende en troostende liefde.
Nu willen wij overgaan naar Hoofdstuk VIII.
Door een blik in het hart van de verheerlijkte Sulamith te werpen verstaan en begrijpen wij waarom zij op de navolgende wijze haar Bruidegom smeekt.
Vers 1:
Och, dat gij mij een broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder, ik zou u kussen op de straat en men zou mij niet verachten.
Wanneer onder het beheer van de anti-christ het Getuigenis van de waarheid overal is gebracht aan de gelovige achtergeblevenen, dán kan de Bruid met haar Bruidegom heengaan naar de Vader. Cfr.Johannes 20:17.
Máár, tot haar behoren óók zij die vóór achttien eeuwen leefden; zij, die het Nieuwe Verbond in de persoon van Jezus Christus, door het geloof en de dopen, in zich opnamen; en, dezen roepen: kom onder ons te voorschijn! Cfr.Jesaja 49:8-10.
Ja, óók Israël, dat naar den vleze is en dat zucht naar de vervulling van de gegeven beloften, en dat klaagt: Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame, moet opgezocht en toegebracht worden.
Verstrooid onder alle volkeren en tot een aanfluiting en spreekwoord geworden moeten zij gezocht worden en aan hun toegeroepen worden: Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Jesaja 60:1.
Ja, uw Messias komt spoedig, maak u bereid voor Zijn komst.
Wát zal Israëls aanneming wezen.?
Wat ánders dan het leven uit de doden.? Romeinen 11:15.
In de staat der verheerlijking, status gloriae, wil de Sulamith tot de Joden gaan opdat zij, die op de komst van de Zone Davids wachten, gered en getroost worden. Zij wil, evenals haar Bruidegom ná Zijn opstanding deed, aan hen, die op Zijn komst wachten zich openbaren opdat zij het heil aanvaarden.
De Here Jezus zei tot Zijn dicipelen van de Heiligen Geest: Die, gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga. Johannes 16:8-11.
Sion zal door recht verlost worden. Jesaja 1:27.
Omdat de Joden hun Messias verworpen hebben zullen zij overgeleverd worden aan een Pseudo- of valse Messias, maar, in de weg van het recht zal er voor hen verlossing aangebracht worden.
Wij kennen de geschiedenis van de dicipelen en van Thomas, die niet geloofden in de woorden van de vrouwen en van hun mededicipelen toen aan hen verkondigd werd: Hij is opgestaan uit de doden, Hij leeft Markus 16:10,11, en, onder de Joden is de leugen verbreid geworden: Zijn dicipelen hebben Hem, de Here Jezus, gestolen. Mattheus 28:15.
Nú zullen zij Zijn heerlijkheid aanschouwen en over Hem rouwklagen met een rouwklage als over een enige zoon; en, zij zullen bitterlijk over Hem kermen gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklage groot zijn zoals de rouwklage van Hadad-Rimmon, in het dal van Megiddon; Hadad-rimmon betekent: bersting van de granaatappel en Megiddon betekent: plaats van menigten 2 Kronieken 35:20-25; Zacharia 12:1011.
Wie gelooft die zal niet haasten, de verheerlijkte eerstelingen die Christus tegemoet zijn gegaan zullen ook niet haasten om op te varen tot de Vader, maar verlangen om de zoekende Joden te redde en te troosten.
Onbeschrijfelijk teder is de uitdrukking in dit eerste vers. Het zusterlijke en het broederlijke dat in alle reinheid is, gaat het zinnelijke ver te boven.
Wíe is de moeder.?, en, Wát zijn de beide borsten.?
Het Verbond dat met Abraham gemaakt is, is de moeder van de Christelijke Apostolische Kerk. Galaten 3:17; Galaten 4:21-31.
Christus Jezus is het zaad Abrahams, gesproten uit het Oude Verbond. Hij is dus een zoon van dat Verbond. Hij Zélf zei in Johannes 4:22: De zaligheid is uit de Joden.
Apostel Paulus leert ons, dat de Apostolische Kerk uit de heidenen, als een wilde tak in de goede olijfboom is geënt om het Nieuw-Testamentische Verbondsvolk uit te maken.
[Deze enting is een zeer ongewone want men ent geen wilde tak op een goede boom, maar wél een tamme tak op een wilde boom. Bij de olijfboom echter maakt de goede boom een wilde tak goed. Wanneer een goede olijfboom zijn takken verliest, dan haalt men van de Jordaan wilde olijftakken en ent die dan in de tamme stam waarop deze weer goede vruchten draagt. De Goddelijke door onheilsbedeling is de goede stam waaruit de Joden zijn afgehouwen en waarin de heidenen zijn ingeplant en dezen zijn dus zo erfgenamen geworden). Galaten 3:29.
De Sulamith werpt nog éénmaal de blik op zichzelf: Och, dat gij mij als een broeder waart.
In waarheid is dit zo, want hij is niet een Jood die het in het openbaar is, noch die is de besnijdenis die het in het openbaar in het vlees is; maar hij is een jood die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in de geest, niet in de letter, is de besnijdenis, wiens lof niet is uit de mensen maar uit God. Romeinen 2:28,29.
Zodanig was de bedoeling Gods, niet de letter, maar de geest; want de letter doodt maar de Geest maakt levend. Deuteronomium 10:16; Jeremia 4:4; 2 Korinthe 3:6; Colossenzen 2:11-15.
Salomo en de Sulamith zijn in waarheid beiden uit éen moeder. Maar waar dit door zeer velen wordt toegegeven en erkend, misschien door alle christenen, daar is er toch een zeer groot gedeelte dat voor het volk van Israël naar het vlees, niets dan de vloek overlaat.
Dit is echter niet de bedoeling Gods; Israël is het Koningsvolk en zal in zijn toebrenging weder het hoofd van de volkeren worden; echter, het recht van de eerstgeborene heeft het verloren en een ander komt in zijn plaats. Mattheus 21:23-46; Markus 12:1-11; Lukas 20:9-18; Romeinen 10:19,20.
De beide borsten van die moeder zijn: wet en Profeten.
De apostel Paulus en de andere Apostelen waren ijveraars voor hun volk, voor Israël.
Zouden zij dan in de eerste opstanding ongevoelig kunnen zijn voor de Joden in hun verdrukking en in hun zuchten.?
Neen, zij kunnen dat niet.!
Want in naam van alle eerstelingen begeren zij: Lieve Jezus, wil hun zijn als een broeder.
Uit liefde voor zijn maagschap naar het vlees wenste Paulus eenmaal dat hij verbannen was van Christus. Romeinen 9:3.
In al zijn lijden op aarde wenste hij in het vlees te blijven omwille van de gemeente.
Zouden zij dan meteen opvaren.?
Neen, zij begeren om te gaan in het huis van de moeder, alwaar zij als uit één hart begeren om onderwezen te worden, hóe zij moeten doen en hóe zij moeten spreken met de zuchtende Joden, opdat zij ze bijeenvergaderen en zij bereid worden voor de verschijning in heerlijkheid van hun lang verwachtte Messias.
Dán zullen zij de Sulamith niet meer verachten, wanneer zij zullen zien dat het leven Hem, Die eens werd verworpen, in haar geopenbaard is, waarvan de kus het uitwendige teken is, want deze kus geeft de gemeenschap des levens te kennen. Psalm 2:12; Cfr. Hosea 13:2.
De éne borst: de Wet; en de andere: de Profetieën.
De wetgever is Mozes. Vergel. Maleachi 4:4; 1 Johannes 1:17.
Mozes is de dienaar die de Wet ontving, en dus de wetgever. De Hogepriester Aäron was de middelaar door wie de Here God in het Heilige der Heilige gevraagd werd en gevraagd wilde zijn. Dus, een dubbel getuigenis.
De Wet en de Profeten waren tot op Johannes. Mattheus 12:12,13; Lukas 16:16.
Vers 2:
Ik zou u leiden, ik zou u brengen in mijn moeders huis, gij zoudt mij leren; ik zou u van specerijen te drinken geven, en van het sap van mijne granaatappelen.
Specerijen en granaatappelen zijn de beelden van gebed en van verkwikkende woorden en daden.
Zo zal de Bruidegom, door de arbeid van Zijn Bruid, aanbidding en lof ontvangen van de geredde Joden, want hun belijden en hun erkennen zal voor Hem zijn als het lavende en verkwikkende sap van de granaatappel.
De rouwklage van de Joden zal voor de Bruidegom een verkwikking zijn als Hadad-rimmon, dat wil zeggen, als de bersting van de granaatappel.
Vers 3:
Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en Zijn rechterhand omhelze mij. Cfr. Hoofdstuk II:6.
Rechterhand: het Apostelambt, en de linkerhand: het profetenambt.
De ene omhelst, beschermt en versiert, terwijl de andere hand steunt.
De beloften kwamen door de profeten; de Sulamith mag daarop rusten en alle twijfelingen die nu nog in het hart van de eerstelingen opkomen: of het wáre apostelen en profeten zijn of niet, zijn dán verdwenen.
Vers 4:
Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust. Vergel. Hoofdstuk II:7 en III:5.
De rust in die verheerlijkte armen zal liefelijk en heerlijk zijn; haar werken in die verheerlijkte staat zal een zalige rust zijn en van slapen, natuurlijk of geestelijk, zal geen sprake zijn. Dat laatste werk, de redding van de Joden, dat moet volbracht zijn alvorens zij opvaart en dáárom bezweert de Bruidegom de dochteren van Jeruzalem dat zij haar niet zullen opwekken om iets anders te doen, noch ook om op te varen.
Het vertoeven van de Sulamith in de eerste graad van haar heerlijkheid, heeft zijn tijd.
De bekering van de Joodse natie en hun geloof in, en de aanneming van Jezus als hun Messias, is aanstaande en staat in het nauwste verband met het 1000-jarig Vrederijk.
Deze bekering is niet een overgaan tot één van de, nú existerende kerkgemeenschappen, en ook niet tot de Christus van de thans levende christenen en theologen met al hun bepalingen waarin men Hem en Zijn religie als het ware ingeperst heeft, maar tot de Christus van de Schriften die zij dan als de wáre Messias zullen erkennen en aanbidden.
De Sulamith zal van heerlijkheid tot heerlijkheid gaan, totdat zij, als haar Bruidegom, door al de hemelen doorgegaan zijnde, voor het aangezicht des Vaders zal verschijnen en mét Hem, haar Hoofd, plaats zal hebben in Zijn troon, gelijk als Hij overwonnen heeft en gezeten is met zijnen Vader in diens troon. Cfr. Openbaring 3:21 met Efeze 4:10 en Hebreeën 4:14, dán zal van Sion de Wet uitgaan en des Heren Woord vanuit Jeruzalem.Jesaja 2:3; Micha 4:2 vergel. met Psalm 110:1,2.
Nadat de Here Jezus Zijn werk in de eerste graad der heerlijkheid voltooid had, zei Hij tegen de elven: Ik vaar op tot Mijnen Vader en tot uwen Vader.
En, zij zagen Hem opvaren. Handelingen 1:9-11.
Vers 5a:
Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn en liefelijk leunt op haar liefste?
Men vergelijke met Hoofdstuk III:6
Deze vraag wordt gedaan met betrekking tot de Koninklijke Bruid, door degenen die haar omringen. Wíe is zij?, het is de overwinnares, de Sulamith. Door haar gehele leven heen leunde zij altijd en alleen maar op Hem, haar stok en staf, op Dien liefhebber die meer aankleeft dan een broeder. Spreuken 18:24.
Vers 5b:
Onder de appelboom he Ik u opgewekt, daar heeft u uwe moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht die u gebaard heeft.
Door het voornaamwoord van de tweede persoon is het duidelijk, volgens de Hebreeuwse tekst, dat het de Bruid is die hier spreekt.
Onder de appelboom had de eerste overtreding plaats en werd de eerste belofte gegeven. Door ongehoorzaamheid en zelfoverschatting overtrad de vrouw, en deze, verleid zijnde, is in overtreding geweest.
Het eeuwige Woord, Logos, werd vlees uit de maagd; het nieuwe dat op aarde gemaakt zou worden: dat de vrouw de man zoude omvangen. Jeremia 31:22.
Het vleesgeworden Woord nam de mensheid in Zich op om uit haar Zijn Sulamith aan Zich te verbinden en met Hem één te doen zijn, en om hen die zich laten redden, bijeen te vergaderen onder één Hoofd. Spreuken 8:30,31.
Evenals allen sliep ook de Sulamith dag en nacht in zonde; Hij, haar liefhebber wekte haar op tot boete en bekering om dan bij Hem te vinden wat zij van node had.
Zij weet, dat Hij haar Verzoener, haar Redder is uit de macht der zonde.
Wat hier in dit vers wordt uitgesproken, gaat zó ontzettend diep dat men er nauwelijks woorden voor kan vinden om uit te drukken waarover hier gehandeld wordt.
Hier wordt in één enkele volzin de gehele Raad van Verlossing uitgedrukt, waarvan apostel Paulus zo aangrijpen getuigt: Hetgeen het oog nog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en in het hart der mensen niet is opgekomen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben. Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest, want de Geest onderzoekt alle dingen, óók de diepten Gods. 1 Korinthe 2:9,10.-
Het is de terugvoering om zó te spreken dat de Raad des Vredes voor het eerst werd verkondigd, niet voor het oor van de mensen, de daad des vredes het eerst werd gewrocht, niet voor het oog van mensen; de gedachten des vredes het eerst werden medegedeeld alvorens zij nog in het hart der mensen konden opklimmen, in aansluiting waarbij de Heilige Geest, door de mond van de Profeet de komst en de gewillige overgave verkondigd van Hem, Die de Verlosser is: Zie ik kom, in de rol des boeks is van mij geschreven. lk heb lust o,mijn God om uw welbehagen te doen; en uwe wet is in het midden mijns ingewands. Psalm 40: 8,9.
[Men kan er zeer roerend over spreken dat de Here God het liefste wat Hij had, heeft overgegeven, maar het is de vraag of men wérkelijk verstaat wat de overgave van dat liefste gekost heeft.]
Op Hem leunt zij bij haar opvaart naar den Hoge.; het oude Israël kwam uit de woestijn om dan te komen in het beloofde erfland.
Het geestelijke Israël, de Sulamith, komt op vanuit de geestelijke woestijn, ná haar werk door openbaring en verschijning, op dezelfde wijze als haar Bruidegom veertig dagen lang deed, volbracht te hebben, om met haar Bruidegom op te varen tot de Vader.