In Hoofdstuk 4 hebben wij gezien, dat de hals, waardoor het hoofd met het lichaam is verbonden, het beeld is van het opzienersambt.
Elpenbeen, of ivoor, is wit en hard en fijn. Er is echter ook een geelachtig soort elpenbeen, dat nóg vaster en fijner is dan het witte. De Egyptenaren zijn mogelijk de eersten geweest die het elpenbeen bearbeid hebben.
Vóór de Trojaanse oorlog hebben de Pheniciers en de Klein-Aziatische volkeren het elpenbeen reeds bewerkt. Homerus sprak van veel elpenbenen versieringen. Elpenbeen was een kostbare stof, die door de koningen ten geschenke gegeven werd.
Een toren van elpenbeen, recht en vast.
De hals is het middel waardoor het hoofd het lichaam bestuurt en verzorgt.
Zó zullen ook alle opzieners die volharden in de leer der Apostelen, eerbiedigende de ambten van de Algemene Kerk, om te dienen tot besturing van de gemeenten, in hun verheerlijkte staat dienen tot redding van de achtergeblevenen.
In Spreuken 25:12 wordt een wijs bestraffer bij een horend oor, genoemd: een halssieraad van het fijnste goud.
Vers 4b:
Uwe ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim. Jesaja 2:-2-4
De ogen leiden en verlichten het gehele lichaam, maar in Numeri 10:31en in Job 29:15, zijn het mensen waardoor een geheel volk, of ook enkelen, geleid worden.
Christus Jezus is het die in de apostelen en profeten het lichaam verlicht en leidt. De dochteren Jeruzalems, sprekende door de Heilige Geest, vergelijken de ogen van de Sulamith met de vijvers van Hesbon.
Hesbon betekent: "bijgevoegde reden".
Bij de poort van Bath-rabbim. Bath-rabbim betekent: dochter van velen.
Zó heette de poort van Hebron, om de vele mensen die er in- en uitgingen, alsmede om de vele mensen die daar gevonnist werden. Hesbon, met zijn heldere vijvers, lag op een berg, en de blauwe hemel weerkaatste zich daarin.
Zó zal het Raadsbesluit des Heren in deze twee bedieningen zich op een heerlijke wijze openbaren in de leiding van het lichaam, als iets dat reden geeft waardoor alles op een meesterlijke wijze juist ten uitvoer gebracht wordt, tot redding van velen. Eerst dán zal men aan deze twee bedieningen niet meer twijfelen, maar ze roemen.
Vers 4c:
Uwe neus is als de toren van Libanon die tegen Damaskus ziet.
Libanon: blinkend wit.
Damaskus: bloedbeker.
In dit beeld wordt het Apostel- en Evangelistenambt voorgesteld als een toren, wachttoren. staande op de koninklijke, blinkend witte berg, om Babel, die bloedbeker, niet alleen te bewaken, maar de geesten die daarin werken te beproeven en te onderscheiden; en, de gelovigen in haar die uitredding van node hebben, te kunnen onderkennen.
De neus proeft op een afstand wat goed is om te genieten of niet.
Naar buiten uit zijn dit de twee genoemde bedieningen. Naar binnen, in de gemeente der eerstelingen is dit het werk van de apostelen met de andere drie ambten.
De neus behoort tot het hoofd; aan het hoofd zijn de opzieners en de priesters, Christus Zélf is het Hoofd, en alle christenen die met de gaven Gods bedeeld zijn, ondergeschikt, doch zij zullen allen een goede reuk van Christus zijn voor alle volkeren. 2 Korinthe 2:14-17 vergel. Met Jesaja 11:3.
Babel is een stank in de neus.Amos 4:10.
In het Rijk der heerlijkheid zullen de hoofdambten in hun oordelen onfeilbaar zijn, en daarom zijn zij prijzenswaardig.
Vers 5a:
Uw hoofd op u, is als Karmel.
Tot dat hoofd behoren alle bedieningen van de gemeente, van het begin af aan, tot het einde toe; ook zij, die de verzegeling ontvingen doch reeds in het dodenrijk zijnde.
Karmel: vruchtbaar; dit is een hoge berg waar eens Elia door de God van Israël verheerlijkt werd toen het vuur vanuit de Hemel nederdaalde waardoor het offer verteerd werd en waarbij het volk luide riep: De Here is God.! De Here is God.!
De stem van de dochteren, het Elizas volk, zal zeggen: Hier toont de Here God Zijn eer door een zó vruchtbaar getuigenis.
Een zekere Berthold van Calabrie, stichtte in 1209 op het gebergte Karmel een klooster voor de orde die, naar de naam van de berg, de orde van de Karmelieten genoemd werd.
Maar in die toekomst zal ieder van de eerstelingen een Karmeliet, dat wil zeggen: een vruchtbare zijn. en, dáárom voegen de dochters er aan toe:
Vers 5b:
De haarband uws hoofd is als purpur
Wij weten reeds dat haren het beeld van profetie is, in de beloften van het Oude Testament, door profeten gebracht, doch óók profetieën in het Nieuwe Testament, de gemeente.
Vergelijk: in Richteren 16:19 de zeven haarlokken van de nazireeër Simson, met wat er gezegd is in hoofdstuk IV:1.
De gemeente is het verheerlijkte Koninklijke en Priesterlijke.
De purperen haarband wijst op de koninklijke en priesterlijke macht van de Sulamith: dat de beloofde beloften bevestigd zijn geworden.
Een haarband bindt de haren tesamen en houdt die bijeen. En zó is Jezus Christus, de geestelijke Salomo, de Bruidegom, bij het zien van de regelingen van de beloften voor de Sulamith als in haar gebonden, want:
Vers 5c:
De koning al gebonden op de galerijen
Hier beneden was Christus Jezus de hoop van de heerlijkheid in haar, namelijk de Sulamith, dáár zal Hij enig en geheel haar heerlijkheid zijn. Colossenzen 1:27; 12 Timotheus 1:1.
Híer was de liefde de band van de volmaaktheid, dáár is het Christus Zélf Die samenbindt. Cfr. Colossenzen 2:3 en 3:14.
Híer woonde en heerste de vrede Gods in haar om te zijn één lichaam, dáár zal die vrede overvloediglijk van háár uitgaan. Hier leerden zij elkaar, maar dáár zullen zij allen van God geleerd zijn. Cfr.Colossenzen 3:15,16; Johannes 6:45; vergel.met Jesaja 54:12,14; en Jesaja 31:34.
Vers 6:
Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, of liefde in wellusten
Het is de innig gehechte liefde die hier spreekt; om haar trouwe liefde blijven de dochteren Jeruzalems aan haar gehouden.
Om haar Bruidegom welbehaaglijk te zijn, leed en verdroeg zij. Dit draagt vruchten van dankbare wederliefde, zó, dat openbaar wordt wat er in de harten van de dochteren van Jeruzalem omgaat, en, zij spreken een ontboezeming uit in:
Vers 7:
Deze uwe lengte is te vergelijken bij een palmboom en uwe borsten bij druiventrossen.
Borsten hebben wij reeds leren kennen; híer worden de borsten vergeleken bij een wijnstok vol druiven of bij druivetrossen. Christus is de wijnstok, de ranken met de trossen, rijk aan vreugde en verkwikking, zijn de Sulamith.
Waarom nu wordt de palmboom hier als type gebruikt??
De palm, de koning van de plantenwereld, verenigd in zijn rijzige stam en veervormig loof, de edelste schoonheid met de allergewichtigste eigenschappen.
In deze talrijke natuurfamilie, want er zijn vele soorten van palmen, is er praktische geen soort te vinden die niet op de een of andere wijze aan de mens dienstig is.
De palm behoort tot het geslacht van de monocotijledonen, of éénlobbigen, omdat zij gewoonlijk met een zaadlob ontkiemen evenals onze gewone granen. In de kokospalm vinden wij bijna alle hoedanigheden van de verschillende soorten palmen aangewend. Daarom willen wij nu hier in het kort nagaan tot wat voor vele verschillende doeleinden deze palmboom gebruikt kan worden.
Maandenlang kan de vrucht van de palmboom op de zee ronddrijven zonder dat de kiem van het zaad sterft; vandaar dan ook dat de palm tot de eerste bomen behoort die op pas gevormde eilanden en koraalriffen gaat groeien.
Geen enkel deel van deze boom, of het is wel ergens nuttig voor. Op het eiland Java dient de wortel als een geneesmiddel en wordt als betel gekauwd. Van de fijnere vezels worden in Brazilië korven gevlochten. De stam levert een soort van werkhout dat als paalwerk zeer deugdzaam is. Het hardste gedeelte van het hout laat zich slijpen en krijgt dan een glans, bijna zoals agaat, een gesteente dat zeer hard is en dat ook wel eens groeisteen genoemd wordt omdat men in de figuren die het vertoont van tijd tot tijd veranderingen kan opmerken.
Het inwendige merg wordt als een goede grondbemesting gebruikt. De netachtige vezels van de bladscheden worden gebruikt om een grof soort weefsel te maken; de bladeren als dakbedekking, het vlechten van mandjes en matten; voor het maken van schrijfbladen en van fakkels, enz.
De bladstelen, de bloemstelen en de middennerven van de bladeren worden als roeispanengebruikt en voor korven en voor bezems.
De jonge bladeren leveren een smakelijke en voedzame palmkool en worden bereid tot een soort azijn-zuur: atjar.
Wanneer de bloemstelen afgesneden worden dan wordt daaruit een vocht opgevangen dat een zeer verfrissende drank is en dat in Oost-Indië toeah of toddy genoemd wordt. Deze drank kan ook bereid worden tot azijn en tot suiker.
De bloesems en de jonge vruchten dienen bij de Javanen eveneens tot een geneesmiddel.
Men rekent, dat één kokospalm wel een eeuw lang kan bloeien en dat hij gedurende het grootste gedeelte van die tijd wel honderd van zijn grote vruchten kan voortbrengen.
Van het buitenste bekleedsel van de noot wordt een zeer sterk touw vervaardigd dat door sommige mensen als de beste grondstof voor ankertouw wordt bestempeld.
Het houtachtige gedeelte van deze soort dient om er nappen en vaatwerk en allerlei kleine harde voorwerpen van te draaien of te slijpen.
De melk van de onrijpe vrucht, die later in het kiemwit overgaat, is zeer gezond en smakelijk en voedzaam, evenals de kern. De bekende kokosolie wordt hieruit gemaakt voor het gebruik in de spijzen, om te branden en voor het maken van sap, enz.
Men heeft er zelfs kaarsen van vervaardigd, en, het overblijvende meel kan dan weer als veevoeder gebruikt worden.
De wonderbare rijkdom van de palmen wordt dus door daadzaken bewezen.
De palm is een beschutting tegen de stralen van de zon en is het teken en het zinnebeeld van de overwinning.
De boom wordt door de storm niet gebroken, maar hij buigt zich diep neder en verheft zich ná de storm weer ongedeerd omhoog.
Hij wordt in de Heilige Schrift aangeduid als zijnde het beeld van de rechtvaardigen. Psalm 92:13.
De geestelijke Salomo is de palmboom, de rechtvaardige; en ieder blad, dat wil zeggen, alles wat er van Hem uitgaat, is een reddende daad die nodig is tot onze volmaking.
De Sulamith, de Bruid, wier lengte is te vergelijken met een palmboom, bezit in iedere tak en in ieder blad een rechtvaardigmaking. Openbaring 19:7,8. Zij, die tot deze palmboom behoren, begeren om door de genade van Jezus Christus, aan Hem gelijk te zijn, en, zij zullen dat ook zijn. Cfr.Efeze 4:13-16.
Door de dochteren Jeruzalems werden en worden deze rechtvaardigmakingen verworpen, maar bij het zien dat de Sulamith niet slechts een blad of een tak, maar een palmboom is, worden zij gedrongen om uit te roepen:
Vers 8:
Ik zal op de palmboom klimmen, ik zal zijne takken grijpen, zo zullen dan uwe borsten zijn als trossen aan de wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.
Takken zijn ordeningen; díe ordeningen, die de Sulamith had, zullen dan óók door het Elizas volk worden aanvaard.
Gaven zijn trossen, die ter verkwikking genoten worden; deze te genieten is voor het Elizas volk tot versterking en tot een aangename geur, een geur als van oranjeappelen.
Appelen herinneren ons aan de zondeval en de verkregen vergeving.
De grote schare in Openbaring 7:9 werd door Johannes gezien, dragende palmtakken in hunne handen als een teken van de overwinning.
Vers 9:
En uw gehemelte als goeden wijn, die recht tot mijnen beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.
Het gehemelte proeft en smaakt.Job 12:11; Job 34:3.
Het gehemelte van de Sulamith is als goede wijn; en wijn is het, die vrolijk maakt. De Sulamith geeft blijdschap en vreugde te genieten. Oók de slapenden delen in die vreugde, dat wil zeggen: diegenen die ontslapen zijn, vanaf de eerste tijd tot nu toe, én die door de Apostelen de Verzegeling hebben ontvangen.
De lippen van de slapenden spreken; lippen zijn het beeld van de priesters die de wetenschap des Heren bewaren. Maleachi 2:7.
Wat een grote verborgenheden zijn hierin neergelegd en hoe hartverblijdend zijn die.
De lofprijzingen van de dochteren van Jeruzalem die zij aan de Sulamith doen toekomen, moeten tevens dienen om de handelingen van de Sulamith in het openbaar te rechtvaardigen.
De Here Jezus zei: Wie Mij belijdt, eert, in het openbaar voor de mensen, die zal Ik weder belijden, eren, hier reeds een ieder voor zich in het genieten van de zaligheid, maar straks in het openbaar in het Rijk der heerlijkheid.
Zou dan de Sulamith kunnen zwijgen.??
Haar bewondering spreekt zij zelfs uit in:
Vers 10:
Ik ben mijn liefste en zijne genegenheid is tot mij.
Zij wil hiermede zeggen: in deze staat van de verheerlijking waarin ik gebracht ben, ondervind ik dat ik de Zijne ben, want Zijn genegenheid is tot mij alleen.
Toen de Here Jezus opstond bleef Hij veertig dagen op de aarde om de treurend achtergeblevenen te troosten. Hij ging in het veld in de hof van Jozef om de treurende en bedroefde vrouwen te verblijden, evenals Maria Magdalena en de Emmausgangers.
Dan, aan de zee van Tiberias, om de apostelen er opnieuw aan te herinneren dat zij waren bestemd om mensen-vissers te zijn.
Dáárom spreekt de Sulamith, die de Here Jezus in de Zijnen liefhad, maar nu eerst recht liefheeft:
Vers 11:
Laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.
In het veld, in de nacht, onder de regering van de anti-christ en de valse profeet, wil zij gaan naar hen, die als zonnevrouw in de woestijn zijn gevlucht, want dezen roepen: Wachter wát is er van de nacht! Jesaja 21:11.
Deze klagen: Men wil ons doden, men wil ons uitroeien omdat wij geloven.
Zij wil overnachten op de dorpen, open plaatsen, onbeveiligde plaatsen, want dorpen hebben muren noch poorten. De vervolgden zijn dan blootgesteld en prijsgegeven aan alle denkbaar en ondenkbaar gevaar want zij vinden geen wettelijke bescherming. Cfr.Genesis 19:2; Hebreeën 13:2; 1 Petrus 2:6-9.
Zij is begerig om die onbeschermden te gaan beschermen en hen te redden en te troosten en zó aan haar Bruidegom haar uitnemende liefde te geven; want, zij weet dat Hij gezegd heeft hetgeen nú waar is: Zalig zijn de doden die in de Here sterven, van nu aan, om door hun werken gevolgd, evenals Mozes deel te mogen hebben aan een onsterfelijk en heerlijk lichaam. Openbaring 14:13,14; Deuteronomium 34:5,6; Judas 9; Mattheus 17:3.
[Dikwijls wordt de tekst uit Openbaring 14 als stof voor een begrafenisprediking gebezigd, doch geheel ten onrechte. Wie dat vers in verband leest, die zal zien dat het betrekking heeft op de regering van het beest, anti-christ, alwaar de lijdzaamheid der heiligen geoefend wordt en de geboden Gods met het inboeten van het leven, bewaard worden.]
Dit geschiedt nadat de berg Sion door de twee heiren van alle tijden, én de honderd-vier-en veertig-duizend van de laatsten tijd, bewoond zal wezen.
Wát weet de Kerk, wát weten de christenen nog weinig van dat liefdewerk ná deze bedeling gelijk het zich trapsgewijs openbaart.
Voordat het hetgeen tot de Vader dáár is, dat de Sulamith opvaart, zal Hij grote dingen doen.
Vers 12:
Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; dáár zal Ik u mijn uitnemende liefde geven.
De Bruid begeert om met haar Liefste de wijnbergen te bezoeken om te zien of de wijnstokken al uitbotten. Dit uitbotten van de wijnstokken ziet op de twijfelaars, nadat de eerste opstanding geschiedt zal zijn; en op hen, die tussen hoop en vrees leven, of die grote daad reeds geschiedt is.
Zij zijn gelijk eens een Thomas was, én de andere dicipelen die ook twijfelden, maar door het verschijnen van de Here Jezus geloofden.
Zó deed haar liefste weleer en zó begeert zij óók te doen.
De jonge druifjes doen ons denken aan hoofdstuk II:15
Ook dán zullen er vossen zijn die dat jonge leven trachten te verwoesten.vergelijk hetgeen hier gezegd is met hoofdstuk II:15.
Deze vossen, verspieders en twijfelzaaiers, moeten verdreven worden.
Aan het kleed van de Hogepriester hingen nagemaakte granaatappelen en schelletjes. Dezen verkondigden de dienst van de Hogepriester in het Heiligdom. Vergel. Hoofdstuk VI:11.
Christus, de Hogepriester, dient in het Rijk der heerlijkheid.De Sulamith begeert om te zien en te weten hoe de achtergeblevenen het maken; en, dáárom maakt zij haar Bruidegom op-merkzaam op de geur van de dudaim. Cfr. Genesis 30:14-17.
De dudaim is de bloem van de huwelijksliefde en werd als liefdewekkend en levenvoortbrengend beschouwd. De Sulamith heeft er behoefte aan om geestelijke kinderen te baren en zij wil graag vóór haar opvaart naar de hemel, enige tijd op de aarde blijven werken.
Hoe gelukkig was het, dat de geestelijke Salomo, de Bruidegom, nádat Hij uit het graf verrezen was, niet in het verborgen naar de hemel is opgevaren maar nog veertig dagen wachtte en zich in die tijd openbaarde aan Zijn treurende en achtergebleven dicipelen.
Zó zal óok de Sulamith, zoals hier in dit hoofdstuk wordt aangetoond, niet meteen heengaan maar werkzaam zijn en, met gewisse kentekenen, levend geopenbaard worden.
Dán zullen er nieuwe- en oude vruchten aan de Bruidegom te genieten worden gegeven.
Nieuwe in de overwinningen van diegenen die onder de anti-christ getrouw blijven en oude in de vermenigvuldiging van de liefde van de Sulamith.
Welk een schoon en heerlijk vooruitzicht voor allen, die tot de Sulamith behoren; zalig, die geloofd hebben en geloven want de woorden door de Here God van te voren verkondigd, zullen vervuld worden, Hoe verlangt het hart, totdat het tot aanschouwen komt.!
Ja, Halleluja. DE HEER KOMT.!