Volgens het zesde hoofdstuk is er voor de Sulamith een overgang uit dit Saron, dal der vernedering, in het toekomende leven der heerlijkheid, in de zegen, waarin ook Jeruzalems dochteren delen zullen.
Aan het einde van dit zevende en laatste tijdperk zullen al deze dingen verwezenlijkt worden; in de opstanding van de ontslapenen die in deze verwachting zijn gestorven en in de verandering van de nog levenden die zich gereed hebben gehouden.
Men vergete evenwel niet, dat dit niet met geweldige sprongen gaat, maar langs de weg der ontwikkeling in het Godsrijk.
Evenals hij, die een toren beklimt, van stap tot stap en van trede tot trede gaat alzo is het ook in het koninkrijk Gods en in het Rijk der heerlijkheid, van heerlijkheid tot heerlijkheid. 2 Korinthe 3:18.
De Kerkvader Origenes zei: Men moet uit Egypte trekken en door de Rode Zee gaan om het eerste lied, het lied der verlossing te kunnen zingen". Exodus 15.
Indien gij dat eerste lied
gezongen hebt, zo doorwandelt dan de woestijn tot gij komt aan de
bron die de vorsten gegraven hebben, Numeri 21:16-18, om het tweede lied te zingen.
Verder komt gij aan de grenzen van het Heilige Land, om, staande
aan de oever van de Jordaan, het lied van Mozes te kunnen zingen:
"Hoort gij hemel, en
ik zal spreken, en de aarde hore de rede mijns monds." Deuteronomium 32:1. Dán is het nodig, dat gij in de krijg trekt om
bezit te nemen van de Heilige Erve, en de honingbij, Deborah
betekent honingbij, uw profeet en richter zijn, opdat gij ook het
lied der overwinning kunt zingen. Richteren 5.
Dan zult gij komen tot de koninkrijken, en tot het lied hetwelk
David zong toen de Here hem verlost had uit de hand zijner
vijanden en uit de hand van Saul, zeggende: Nu zal ik mijn
beminde een lied mijns liefsten zingen, van zijnen wijngaard.
Jesaja 5:1.
Wanneer gij dat alles doorgekomen zijt, zo stijg dan nog hoger op
opdat gij, mét de Bruid, het lied der liederen kunt zingen.
(Origenes,Homel. Over het Hooglied).
In Hoofdstuk 6:2, wordt ons de arbeid van de geestelijke Salomo op de aarde en in de Hades, medegedeeld, evenals het vormen en bijeenvergaderen van een Bruidsschare bestaande uit zestig koninginnen, tachtig bijwijven en maagden zonder getal.
Eén énige is daaronder als de Bruid, de hoofdpersoon. Allen behaagden aan Salomo, maar die éne genoot Zijn ongedeelde liefde.
In Hoofdstuk 6:10, wordt in een schoon en verheven beeld een opklimming van de Sulamith aangetoond.
Daarin hebben wij gezien: de eerste opstanding en de verandering van de levenden bij de komst van de Heer. 1 Korinthe 15:51: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen verandert worden.
Zij varen op als een wolk, voortkomende uit de dauw van de dageraad. Vergel. Psalm 110:3; 1 Thessalonicenzen 4:17.
De achtergeblevenen riepen om de terugkeer van de Sulamith, Hooglied 6:13, en, zij zál wederkeren doch dan is zij samengevoegd uit twéé heiren, en wel: de opgewekten uit de dood en de levend veranderden.
Het heengaan van de Sulamith zal dus algemeen bekend worden.
Het roepen van de dochteren van Jeruzalem zal óók worden vervuld en men zal de Sulamith weerzien, evenals dat geschiedde met de geestelijke Salomo ná Zijn lijden en sterven en Zijn opstanding.
Hij stond op in kracht en heerlijkheid. Mattheus 28:1-4; Romeinen 1:4; 1 Korinthe 15:42:57;.
Hij, de verrezen mensenzoon, vertoonde Zich aan de Zijnen, zichtbaar en zichtbaar, Lukas 24:36-47; Johannes 20:24-29.
Hij kwam onder de Zijnen als geest en sprak hen toe en at met hen en verdween als geest, engel.
Gelovige mensen, met ogen zoals wij, aanschouwden Hem, met handen als wij; betastten Hem; met een mond als wij, spraken tot Hem.
Veertig dagen lang openbaarde de Here Jezus Zich met vele gewisse kentekenen; en, wáár Hij Zich openbaarde, daar deelde Hij vrede mee; allen die Hem zó aanschouwden verheerlijkten Hem.
En zó zal de Sulamith, die hier op aarde leeft en verkeert in nederigheid, ná haar verheffing uit deze staat, geopenbaard worden in de eerste graad van de heerlijkheid.
In dit zevende hoofdstuk zullen wij de Sulamith onder de achtergebleven dochteren van Jeruzalem, die over haar spraken en die haar roemen, zien arbeiden als één die de vrede maakt. Mattheus 5:9, Griekse tekst. Men lette hier vooral op de bedrijvende betekenis van de werkwoorden.
In hoofdstuk 22: 6-9 van de Openbaring, sprak Christus Jezus door de mond van een, vroeger geleefd hebbende, profeet, die zeker bij de opstanding des Heren uit de doden was opgestaan. Mattheus 27:51-53, en die tot Johannes zó spreekt alsof hij de Here Jezus Zélf is.
Maar, toen Johannes dezen wilde aanbidden, zei hij: Zie dat gij dat niet doet, ik ben uw mededienstknecht en uwer broederen die de getuigenis van Jezus Christus hebben: aanbid God.
Want, de getuigenis van Jezus Christus is de geest der profetie. Openb.19:10, en zó zal de Sulamith zich in haar werken vertonen.
De dochteren van Jeruzalem zullen, als een andere Eliza, de Geest van de Heer Jezus ontvangen, die uit- en door hen spreken zal.
Toen Elia ten hemel was opgevaren, rustte de geest van Elia op Eliza.
Elia had tegen Eliza gezegd: Begeert wat ik u doen zal. Waarop Eliza antwoordde:Dat toch twee delen van uwen geest op mij zijn.
Elia zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zien zult wanneer ik bij u weggenomen wordt, zo zal het geschieden, doch zo niet, het zal niet geschieden. En Eliza werd bevestigd in de plaats van Elia, en men zeide: de geest van Elia rust op Eliza. 2 Koningen 2.
Deze bevestiging van Eliza wordt ons in de eerste negen verzen van hoofdstuk 7 nader aangewezen.
De bewegingen en de werkzaamheden van de verheerlijkte Sulamith worden door de dochteren van Jeruzalem geroemd, van benden af aan ópwaarts, van de voeten tot aan het hoofd.
Wie deze verzen nadenkend naleest, gedachtig aan de Here Jezus Christus hoe Hij in Zijn opstandingslichaam verscheen; en hóe er over Hem gedacht en gesproken werd, die mag zich met beving verheugen te mogen behoren tot die schare der eerstelingen.
Totdat alle beloften zijn vervuld, moet er een volharding zijn in het geloof, in goeddoen, in het zoeken van de heerlijkheid en de onverderfelijkheid. Romeinen 2:7.
Dat de beschrijving van de Sulamith hier juist andersom geschiedt dan in Hoofdstuk 4, is zweer zeker niet willekeurig. In dat hoofdstuk is de beschrijving door de Bruidegom gegeven maar in dit hoofdstuk door de dochteren van Jeruzalem.
Vers 1a:
Hoe schoon zijn uwe gangen in de schoenen, gij prinsendochter! Psalm 45:10-16.
In Efeze 6:15, vermaant de apostel de gelovigen dat de voeten geschoeid moeten zijn met de bereidwilligheid van het Evangelie des Vredes.
De voeten dergenen die vrede verkondigen zijn liefelijk. Jesaja 52:7; Nahum 1:15; Romeinen 10:15.
De gangen in de schoenen van deze prinsendochter is de verkondiging van het Evangelie in het Vrederijk.
Vers 1b:
De omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens.
Op de voeten volgen de benen, die in de heupen, dijen, hun gewrichten, omdraaiingen hebben.
Hiermede wordt het uitgebreide, welingerichte Evangelistenwerk afgebeeld als verheerlijkte bedieningen die aan elkander verbonden zijn en waarvan als het ware de één uit de ander voortkomt zoals in een ketting de ene schakel aan de andere, waardoor er een schoon en goed gesloten en vast geheel wordt gevormd.
De dochteren Jeruzalems verbazen zich over de snelle, doelmatige bewegingen en omdraaiingen, teneinde daar te zijn waar hulp nodig is; en hen, die leven onder de anti-christ en zijn valse profeet en gemarteld worden opdat zij tot ontrouw, verloochening en afval zouden komen, te versterken.
De Here Jezus verscheen plotseling dáár waar Hij nodig was. Zó zal de Sulamith snel en liefelijk zijn; de Evangelistenbedieningen of voeten, zullen als bliksemstralen zijn, zó snel en heerlijk, uitschietende vanuit de wolk der getuigen, en verlost en ontdaan van elke twijfel.
Vers 1c:
Zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.
De Here God is Zélf de Bouwmeester en Kunstenaar; door Hem alleen kan een zodanig kunstwerk geopenbaard worden. Cfr.Hebreeen 11:9,10,13-16 met Hebreeën 12:22-26.
Hoe weinig is men bekend met de toekomstige grootheid van de gemeente, laat staan dat dit erkend wordt.
[Umbreit in zijn commentaar op Jesaja: Waar er gemompel is en geheimzinnige taal gehoord wordt; waar het niet in volle en levendige tonen vanuit het hart stroomt, daar is het niet de levende God die Zijn waarheid bekend maakt. Het is het schitterende zegel van de Godswaarheid, dat ieder Profetenvoorhoofd ingedrukt is, dat zij daar staan, met vrijmoedigheid, in het aangezicht der heldere hemelzon, duidelijk en verstaanbaar de wijsheid van boven verkondigende.]
Vers 2:
Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt
Een rond voorwerp heeft geen einde, en, zo zal ook de navel van de Sulamith zonder ophouden aan dorstige zielen de drank des levens toedienen.
Als getuigenis stroomt de Heilige Geest, als een stroom van levend water, uit de buik, in het Grieks: Kolias, dat wil zeggen: uit hen die de gave van de Heiligen Geest ontvangen hebben. Johannes 7:38, vergelijken met Jesaja 12:3.
[In Israël werd gezegd: Die de vreugde des wateroffers niet gezien heeft, die heeft geen vreugde gezien. Helon zag ze en gevoelde ze; maar, hij zag in het wateroffer niet slechts de verzinnelijkte voorstelling van de dank voor de vroege regen in de zevende maand, en voor de late regen van de elfde maand, die eerste de bebouwing van de velden en later het rijpen van het zaad mogelijk maakt; maar hij zag er ook een gedachtenis in van het water dat in de woestijn als een wonder Gods uit de rots ontsprong. En, behalve deze beide betekenissen, vermoedde hij nog een derde betekenis, welker duidelijk inzien hij van de Messias verwachtte. Uit: Strausz.Helons bedevaart, tweede deel,bl.233]
De offerbekkens voor de opvang van het bloed in het Heiligdom waren bolvormig rond, zodat zij niet neergezet konden worden maar op de hand gedragen moesten worden; en, zo werd het bloed, waarin de ziel is in voortdurende beweging gehouden waardoor het dun bleef om gesprengd te kunnen worden.
Indien nu de gaven, die gewekt zijn door de Heilige Geest, niet in de gemeente zijn dan wordt het gemeenteleven stijf en koud.
Maar, er is meer dat ons door deze beelden wordt verkondigd.
De navel is het enige blijvende bewijs, dat een iegelijk van ons in levensbetrekking gestaan heeft met zijn moeder. Door de navel verkrijgt de ontvangen, maar nog ongeboren vrucht de levenstoevoer. Cfr. Hoofdstuk 6:8.
De Sulamith is wat de moeder was; zij heeft van haar de levenstoevoer ontvangen.
Sommigen vinden de vertaling navel een ongepaste vertaling, hoewel dit toch bezwaarlijk anders vertaald kan worden. Men vindt hier geen woord dat door schoot of boezem vertaald kan worden; evenmin een woord dat door buik vertaald wordt, zodat het niet anders kan betekenen dan navel.
Deze navel wordt vergeleken bij een ronde beker of schaal, die bij een schone vorm een zeer kostelijke inhoud heeft.
Het hoogste in de geschiedenis van de Openbaring, staat aan het begin en daarmede is aangewezen, wat het zijn moet. Doch, wat God geeft moet door de mensen worden uitgewerkt. Wanneer nu de mens, tengevolge van zijn ongeloof, niet in staat blijkt om de gaven Gods óp te nemen, maar al dieper en dieper wegzinkt, dan wordt niet het doel van God, maar wél Zijn openbaring gewijzigd. Die gewijzigde openbaring is een voorbereiding en wegbaning tot een heerlijke openbaring van Zijn genade die in de voleinding, de wederkering tot het begin, haar vervulling vindt. Zo is door de gemeente van vóór 18eeuwen aangetoond wat zij moet wezen, maar, de daarop volgende eeuwen waren, in plaats van dat uit te werken, een achteruitgang totdat de voleinding van deze eeuw intreedt. Met het begin daarvan is er een wederkering tot de aanvang, waaruit tevens iets meer volkomens te voorschijn treedt, zoals blijken zal in de verheerlijking van de Sulamith.
Deze beker zal een kelk der vertroosting zijn voor de achtergeblevenen. Zij zullen, als nog ongeboren voor het Rijk der Heerlijkheid, tóch gevoed worden teneinde als gelovigen de aarde te bewonen.
In de donkere moederschoot van het lijden hebben zij grotelijks behoefte aan verkwikking en versterking; en, evenals de Sulamith de levenstoevoer verkreeg door de moeder, zó zal zijzelve tot vertroosting zijn voor de achtergeblevenen.
Verder spreken de dochteren van Jeruzalem, de achtergebleven gelovigen, door de Heiligen Geest, tot de gemeente van de eerstgeborenen:
Vers 2b:
Uw buik is als een hoop tarwe rondom bezet met leliën.
De Sulamith wordt voorgesteld door leliën; alle gemeenten van één enkele stam, vertonen de eigenschappen van de schone witte bloem en alle stammen, tot één lichaam verbonden, zijn het lichaam.
De eigenschappen van de lelie werden reeds hiervoor behandeld.
In Mattheus 13: 24,29,30,37,38, zei de Here Jezus reeds dat het goede zaad, tarwe, de kinderen van het Koninkrijk zijn.
In Johannes 12:14 vergelijkt de Here Jezus Zichzélf met het tarwegraan.
De buik, in het Hebr, uw buik, van de Sulamith wordt gevormd uit de eerstelingen, de kinderen van het koninkrijk, waarop enkele, door de Heiligen Geest begaafde personen, de navel voorstellen.
Dit zijn geen bedieningen, maar van hen uit, zullen stromen van levend water vloeien. Vergel.Psalm 147:12-15.
Vers 3:
Uwe twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.
In Jesaja 60:15 en 16, worden alle liefhebbers van Jeruzalem opgewekt om vrolijk over haar te zijn, opdat zij uit de borsten harer vertroostingen verzadigd worden en zich verlustigen met de glans van haar heerlijkheid.
In 1 Korinthe 3:1 en 2, zijn het de jonge kinderen in Christus die de beginselen, de melk van het Evangelie door de Apostel Paulus deelachtig werden.
Volgens Hebreeen 5:14,14, is melk de spijze van de kinderen, dat wil zeggen van de zwakken, de onervarenen in het woord der gerechtigheid, en, in die dingen die onze zaligheid en toekomstige heerlijkheid betreffen.
De twee borsten van de verheerlijkte Sulamith, zijn bedieningen en, in dit verband, zeer zeker het Herder en het Profetenambt.
Zwakke kinderen hebben versterking nodig; de moederborst doet aan huilende kinderen alle leed vergeten, zodat zij stil en rustig zijn; die twee borsten zijn als twee welpen, en, zo begerig als deze welpen zijn naar de roof, zo graag willen zij een ieder troosten en verkwikken.
Als tweelingen van een ree: eigenlijk gazelle.
Deze gazelle is bij de Oosterlingen het beeld van alles wat teder en lief is, maar ook snel in beweging, hetgeen met een innig plezier aanschouwd wordt, maar dat aanschouwen gebeurd bij verrassing en slechts voor een ogenblik.
Zó zijn die bedieningen van de Sulamith, vlug in al hun bewegingen en hun wendingen om aan diegenen ter hulpe te snellen die alleen schreeuwen, maar zich niet verdedigen kunnen.
De Here Jezus hoort dat geroep; Hij ziet en weet wat Gods kinderen aangedaan wordt, en, snel als een ree, als een gazelle, zal de Sulamith in de bedieningen van haar vertroosting toesnellen om te troosten en te sterken.
Denken wij eens een ogenblik aan de Engel, bode des Heren, bij het graf van de Here Jezus; hoe de wachters op de vlucht werden gedreven en de vrouwen werden getroost.
De Sulamith is een grote schare, of een menigte van Engelen, boden, van de mensenzoon Jezus Christus, om toe te snellen tot hulp en uitredding dáár, waar dat door gevaar nodig is.
Denken wij hierbij maar eens aan Jacob te Mahanaim; aan de jongelingen in de vurige oven; aan Daniel in de leeuwenkuil; aan Lot te Sodom; aan de wenende Maria Magdalena toen de, uit het graf verschenen Heer, aan haar verscheen.
BEREIDT
U, DE HEER KOMT.!
Vervolg: aflevering 7b