HET HOOGLIED

Hoofdstuk VI.

Het einde van het lijden en het begin van de heerlijkheid.

In de voorafgaande vijf hoofdstukken hebben wij kunnen zien, hoe de Sulamith zocht, en hoe zij gevonden werd, Hoofdstuk I.

hoe zij opgroeide; Hoofdstuk II.

hoe zij Hem verloor maar weder terugvond; Hoofdstuk III.

hoe zij geroemd werd; Hoofdstuk IV.

hoe zij vernederd werd door de wachters van Babel en gedwongen werd om te belijden; Hoofdstuk V.

Deze belijdenis ontsteekt het licht om de goederen des heils die aan de gemeente tot heerlijkheid zijn gegeven, te leren kennen, te zoeken en te vinden.

Deze goederen zijn grotendeels verloren gegaan, en, wat er nog van over is dat is verminkt geworden.

Op de belijdenis van de Sulamith zijn reeds vele verloren gegane waarheden in de Kerk hersteld. Bij het horen verkondigen van deze waarheden, worden zij aanvankelijk geminacht en de belijders vernederd, gehaat, gesmaad en vervolgd. Maar, op het lijden volgt de vrucht; vernedering leidt tot verhoging; en, de laatste drie hoofdstukken zullen ons dat aantonen.

Het einde van het lijden en het begin van de heerlijkheid wordt in dit zesde hoofdstuk en in de twee volgende liefelijk aan ons geschetst.

Evenals er een einde aan het lijden van de geestelijke Salomo, Jezus Christus, kwam; want, de dingen die van Hem geschreven waren hebben een einde gehad, Lukas 22:37, en waren de overgang tot de heerlijkheid. En, zó komt óók het einde van het lijden van de Sulamith en haar verheerlijkt worden.

In het laatste vers van het vorige hoofdstuk heeft zij, als in één enkel woord, geprobeerd om alles te zeggen van en over haar liefste, ná de belijdenis die zijn van Hem had gegeven, en daarop vragen de dochteren van Jeruzalem aan haar:

Vers 1:

“Waar is uw liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen.? Waarheen heeft uw liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem mét u zoeken.?”

Haar getuigenis werkte liefelijk en overtuigend. Omdat zij beleden heeft wíe haar Liefste is, en hóe Hij geëerd wil zijn en zichzelf aan haar mededelen tot vrede en rust, willen de dochteren van Jeruzalem, met de Sulamith Hem gaan zoeken.

De Sulamith wordt als het ware gedwongen om een verloren, of althans verminkte maar liefelijke waarheid te gaan verkondigen. Alvorens zij echter kan spreken over de eerste opstanding en de verandering van de levenden bij de komst van haar Liefste, wordt zij een profetes.

Zij zegt niet: “Mijn liefste zit in de Hemel, aan de rechterhand des Vaders en láter zal Hij wederkomen om hen op te wekken die van Christus zijn in Zijn toekomst, dat wil zeggen: de eerstelingen 1 Korinthe 15:23 en om de eerstelingen die leven, te veranderen.”

Neen, zó spreekt zij niet van en over haar Liefste en Zijn werk.

Zij is wél enigszins in verwarring geraakt, maar, niettegenstaande dat, is haar stem in de laatste tijd van deze bedeling, een bazuingeluid.

De Heilige Geest getuigt dóór haar: Hij is opgevaren, maar heeft de Zijnen geen wezen gelaten; Hij is heengegaan om een plaats te bereiden Johannes 14:2 en om alles tot Zichzelve, dat wil zeggen: tot een ieders bestemming, te verzoenen. Collossenzen 1:20.

Vers 2:

”Mijn liefste is afgegaan in Zijnen hof, tot de specerijbedden om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen.”

Wát is nu deze Hof.?

Wát zijn nu deze specerijbedden en deze hoven.?

Het Paradijs wordt ook een Hof genoemd, de Hof in Eden. Genesis 2:8.

Tegen de moordenaar zei de Here Jezus: ”Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn”.

De Hebreeuwse vertaling heeft hier ”in de hof van Eden” vergel Openbaring 2:6, Nederl.tekst. en de Hebr.tekst.Deze laatste tekst leest hier ook: ”Godshof in Eden”.

Deze hof is het Paradijs, die plaats in de Hades, waar Hij de eerstelingen bijeen vergaderd, vóór de opvaart kan geschieden.

De specerijbedden zijn de stammen; de leliën de enkele zielen of ook wel enkele gemeenten.

Hij is met ons al de dagen, maar Hij is ook werkzaam bij de reeds ontslapenen opdat de vereniging kan geschieden. Wij geloven in de gemeenschap der heiligen en ondervinden die ook. De Here Jezus bereidt Zijn Bruid voor op Zijn komst.

Hij doet dit, door Zijn dienstknechten, die sinds 1830 werkzaam zijn om allen te verzegelen en toe te bereiden die tot de eerstelingen behoren. Cfr.1 Korinthe 15:29. En ook Mattheus 24:31.

De Sulamith, die met haar getuigenis voor deze laatste tijd, zich onder de dochteren Jeruzalems bevindt, hoort zich door haar Bruidegom liefelijke, troostrijke woorden toespreken.

Zij heeft in Vers 3 aan de dochteren van Jeruzalem verzekerd: ”Ik ben mijns liefsten, en mijn liefsten is mijn, die onder de leliën weidt.”

Na dít getuigenis spreekt de Bruidegom tot haar in:

Vers 4:

“Gij zijt schoon mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, chrikkelijk als slagorden met banieren.”

Thirza betekent: "aangenaam, liefelijk". Jeruzalem betekent: "vol van vrede".

De vergelijking met de twee prachtige steden in het land van Kanaaan in de tijd van Salomo, duidt op iets wat vol majesteit en koninklijke heerlijkheid is.Thirza was een koningsstad voordat Samaria was gebouwd; evenals Jeruzalem.

Thirza was gebouwd op een rots, en, zó is de gemeente ook op de rots Petra gebouwd Mattheus 16:18a welke is de Christusbelijdenis zoals Petrus Hem beleed.

De stad Thirza was een onneembare stad; niet minder dan de Bruidsgemeente des Heren Mattheus 16:18b. En liefelijk als Jeruzalem de hoofdstad van het gehele land.

Jeruzalem was eveneens een natuurlijke vestingstad. Psalm 125:2. En daarheen was aller oog gericht wanneer de stammen opgingen. Psalm 68:25-30; Psalm 121:1; Psalm 122:2-5.

Slagorden met banieren; welk een groots gezicht, een legermacht met wapperende banieren en dit vertelt ons dat het leger voor de strijd is toegerust.

De Sulamith is toegerust en aangedaan met de volle wapenrusting Gods want zij is in het bezit van de geopenbaarde waarheid Gods. Ieder opzienersambt is een banier van de Koning der Koningen. In haar geheel wordt zij gevreesd en is zij verschrikkelijk; de zwaar bewapende is geducht want de sterkste behoudt het veld.

Een professor schreef eens van de Apostolischen: ”Laat u niet in om met hen te spreken over Gods Woord om hen van daaruit te bestrijden, want dán zult gij de nederlaag lijden omdat zij, over het geheel genomen, een buitengewone kennis van de Heilige Schrift bezitten. Gebruik de geschiedenis van de Kerk en wijs op haar oudheid, haar macht en haar uitgebreidheid.. Wijs daarop als een teken dat God ons en niet hen heeft uitverkoren. Zeg dan met andere woorden tot dat nietige hoopje dat zich Apostolische gemeente noemt: ”gij zijt een gering en klein hoopje volk; wij, en andere kerkafdelingen, staan u tegen en bovendien bestaat gij noch maar zo een korte tijd.”

En, zó spreken en denken verschillende kerkafdelingen en zeggen: ”Ga niet naar de Apostolischen want zij dwepen; en, al mag er niet al te veel tegen te zeggen zijn, het is zo vreemd.”

De Sulamith is, zoals wij in vers 4 kunnen lezen, schrikkelijk als slagorden met banieren. Dat strekt haar tot roem en het is zoals apostel Petrus zegt: ”Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.” 1 Petrus 4:14b.

In de verzen 5-7 worden de ogen, het haar, de tanden en de wangen geroemd.

Vers 5a:

”Wend uwe ogen van mij af, want zij dien mij geweld aan”

Zij zijn mij te machtig, Haar ogen worden geweldigen genoemd, óf, die Hem geweld doen. Dit geschiedt in de tijd van het einde.

Ogen zijn, zoals ons reeds uit het voorgaande is gebleken, apostelen en profeten, alsmede díe personen die het opzicht over de gemeente hebben, zodat de Bruid, bij de komst van haar Bruidegom, zonder vlek of rimpel zal zijn.

Uit Bijbelplaatsen zoals uit: Mattheus 11:12,13, en Lukas 16:16 blijkt, dat de geweldenaars niet alleen gevonden worden onder de vóór- maar óók onder de tegenstanders.

Het Koninkrijk Gods wordt verkondigd, sedert Johannes, en, een iegelijk doet geweld op hetzelve.

De geweldenaars zijn zij, die deze arbeid werken tot de komst van het Godsrijk. Ook zij die deze arbeid tegenwerken worden geweldenaars genoemd, maar dan in ongunstige zin.

De eersten zijn als een Jacob die met de Engel Gods worstelde en later Israël genoemd werd omdat hij zich vorstelijk gedroeg met God en de mensen. Op het bevel van de Here God trok hij naar zijn erfgoed terug.

De laatsten daarentegen zijn enerzijds als een Laban, die Jacob achterhaalde en anderzijds als een Ezau, die hem tegemoet kwam. Maar beiden, Laban en Ezau wilden niet veel goeds aan Jacob doen.

Vers 5b:

“Uw haar is als een kudde geiten die het gras van de berg Gilead afscheren”

Haar is reeds aan ons bekend geworden als zijnde de door profetie gegeven beloften. Hoofdstuk IV, vers 1b.

Vers 6:

“Uwe tanden zijn als een kudde schapen die uit de wasstede opkomen, die altesamen tweelingen voortbrengen en onder dezelve is er geene jongeloos. Vergel. Hoofdstuk IV vers 2.

De tanden, die de bedienaren der gemeente, het lichaam, zijn, zullen door onderzoek van Gods Word de gemeente voeden, niet volgens de Kerkleer, maar volgens de Schriften.

Hoe beter de tanden deze spijze vermalen, des te gemakkelijker neemt het lichaam, de gemeente, de voeding in zich op.

Gezonde tanden zijn wenselijk en verkieslijk want verrotte en afgebroken tanden zijn een kwelling voor het lichaam. Door het verlies van alle, of van vele tanden, vallen de wangen in waardoor de schoonheid van het gelaat verdwijnt.

In deze laatste tijd is door de Heer een wasstede gegeven. Kent gij deze wasstede.? De gewassenen, die tweelingen voortbrengen, vermenigvuldigen zich dus sterk.

Vers 7:

“ Uwe wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uwe vlechten.”

De doorgesneden granaatappel is purperrood, de kleur van de koninklijke heerlijkheid, met leliewit omgeven---de kleur van de gerechtigheid.

De gegeven en vervulde beloften zijn het beeld van deze twee vlechten.

Letten wij nu op de verzen 8, 9, en 10.

Vers 8:

“Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal. Een enige is mijn duive, mijne volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergene die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar gelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. Wie is zijn, die er uitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als de slagorden met banieren.?”

De geestelijke Salomo wil voor Zijn Sulamith dezelfde zijn in de eerste, nu aanstaande, opstanding, zoals Hij voor de Zijnen was tijdens de veertig dagen ná Zijn opstanding.

In de tijd van onze toevergadering tot Hem en de eerste opstanding, bevindt de Bruid zich aan Zijn zijde op deze aarde, de dochteren Jeruzalems voor en om Hem heenstaande.

Hij zegt tot allen: “Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven en maagden zonder getal”.

Deze stoet wordt gevormd door de dochteren van Jeruzalem; dezen dachten dat zij de Bruid waren, maar slechts één énige is Mijn duive; de énige harer moeder. De zuivere dergene die haar gebaard heeft.

De moeder is de gemeente van vóór 18 eeuwen en haar dochter is de Sulamith. Deze Sulamith is, zoals haar moeder was.

[Hier schijnt een dubbelzinnigheid te zijn die bij enig nadenken vanzelf verdwijnt. Het Verbond dat de Here God met Abraham maakte werd bevestigd tot op Christus. Met Christus ging dus dat verbond door want het was een belofte die van tevoren reeds was verkondigd. Dat Jeruzalem der belofte is ons aller moeder, waarom ook niet de kinderen des vlezes, kinderen Gods zijn, maar de kinderen van de beloftenis worden voor het zaad gerekend. vergel,de brieven aan de Galaten.

Wanneer de dochters haar zien, dat wil zeggen straks bij de eerste opstanding, dan zullen zij meteen aan haar de voorkeur geven en zullen zij haar gelukkig prijzen. Cfr. Esther 2:15.

Is u er zeker van dat u de Bruid kent.?

Iedere kerkafdeling zegt: “De gelovigen onder ons, de wedergeborenen, zijn de Bruid.”

Weer anderen zeggen: “Zij, die geloven in de eerste opstanding, in de komst van een Vrederijk, en in de persoonlijke verschijning van de Here Jezus, zijn de Bruid. De zestig koninginnen zijn gelovigen van andere beginselen maar worden óók dochters genoemd. De tachtig bijwijven zijn zij, die als bekommerden, voor zichzelf niet verzekerd in deze of gene gemeenschap leven.De maagden, wier getal niet opgegeven wordt, zijn diegenen die noch koud noch heet zijn.”

Voor mij is een zodanige verklaring weinig lichtgevend, maar men probeert tóch tot vier soorten te komen.

Onder de nu levende verzegelden vindt men vier klassen en dáárom moeten wij ze verder zoeken onder de verzegelden van vóór 18 eeuwen; verzegelden, die nu reeds ontslapen zijn.

Wij vormen mét hen een éénheid. De dienenden, dat wil zeggen diegenen die zich onder de verzegelden niet geheel thuis gevoelen maar overlopers ofwel grensbewoners zijn, behoren tot de ongetelde maagden; ook zij delen in de eerste opstanding.

De bijwijven behoren mede tot het bestuur van het huis.

De gemeente heeft in haar geheel vier bedieningen, alsmede vier voor- gemeenten die daarvoor groot genoeg zijn.

Deze ambtsbedieningen worden niet gemaakt, maar geroepen door profetie. Wij hebben daarin dus niets te vertellen of te bepalen maar moeten alleen toezien of het geen kind met een waterhoofd is.

De bijwijven nemen deze bedieningen wel aan, maar bezitten de Here Jezus niet in zich als de teler om erfgenamen voort te brengen. Zij zijn zwakker in het geloof dan de zestig koninginnen, maar sterker dan de ongetelde maagden.

[De getallen symboliek kan ook hier de weg wijzen. Acht is het getal van een nieuw begin. Met de achtste dag werd het kind onder de Wet besneden, als zijnde de intrede in het Verbond. Zo zijn ook alle veelvouden, verkregen door het achttal met het getal der volheid, dat wil zeggen het getal 10 te vermenigvuldigen, de heenwijzing naar een ander, een nieuw begin. Zo ook hier de tachtig bijwijven zijn meer dan de maagden en openen een nieuwe rij, maar zijn geenszins de Bruid. De zestig koninginnen komen naderbij maar zijn het evenmin: want zes is het getal van de onvolkomenheid en, in ongunstige zin het getal van alles wat satanisch is. Hier wijst het veelvoud van zes, verkregen door vermenigvuldiging met het getal der volheid, -10, aan, dat dezen het dichtste bij de Bruid komen, maar echter de Bruid niet zijn.]

De zestig koninginnen die medewerkers zijn in het Godsrijk, zijn zij, die het dichtste bij de Koning en de Koningin staan. Het middelpunt van allen is echter de Bruid, want die is de énige uitverkorene; zij werd geliefd en heeft liefgehad.

Zij alléén zal de Bruidegom kennen zoals apostel Paulus daarvan spreekt in Efeze 3:10-19, in al de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte.

Zó krijgen wij nu het volgende beeld: Vier cirkels, waarvan de buitenste cirkel de ongetelde maagdenstoet vormt; daarbinnen een cirkel die de tachtig bijwijven aanduidt; verder daarbinnen de derde cirkel: de zestig koninginnen; en, eindelijk als binnenste cirkel de Bruid die roept: ”Kom.!”

Dit geroep van de Bruid wordt als het ware golfsgewijze verspreid , dus, hoe verder weg van de Bruid, des te minder wordt het gehoord.

In vers 10 spreekt de Bruidegom tegen de dochteren van Jeruzalem die de Sulamith welgelukzalig noemen, deze verheffende woorden: ”Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren.?”

Hier wordt dus op dat viervoudige gewezen en wordt het getoond aan de dochteren Jeruzalems, en hiermede wekt de Bruid de dochteren van Jeruzalem op om haar aangezicht naar het Oosten te richten, op geestelijke wijze, omdat in het Oosten de zon opgaat.

In deze laatste tijd des nachts, geestelijk Jesaja 21:11,12 op aarde en ook in Jeruzalems dochteren.

Ik deed in de mijnen de dageraad door de nacht heenbreken; de Zon hebt gij niet aanschouwd; gij ziet slechts nog de morgen schemering en gij hoort een vreemd getuigenis in die geestelijke nacht.

Dit is de eerste schemering van de komende dag, de maagden zonder getal. Dan worden de morgensterren gezien; deze zijn lichtgevende lichten die van de zon hun licht ontvangen en zó komt de dag dichterbij.

Ze zijn de tachtig bijwijven en dán verschijnen de koninginnen, Christus en Zijn helden die koninklijk strijden en met deze wordt de Zon gezien en komt de Bruid als de Sulamith, de volkomene, te voorschijn.

De Heer Jezus zei in Mattheus 13:43: ”De rechtvaardigen zullen blinken als de zon in het koninkrijk huns Vaders”.

Dan zal de zon, de Bruid van Christus, Christus in haar en met haar verbonden, den dag regeren.

Regeerders hebben heiren en slagorden teneinde schrik en ontzag in te boezemen; alzo deze Zon, regerende in de dag van het Vrederijk; dán zal haar licht niet meer uitgaan en haar zon zal niet neer ondergaan want de Heer Zélf zal haar wezen tot een eeuwig licht. Leest vooral Jesaja 60:18-22.

Elk deel van deze slagorde is onder zijn banier te vinden in díe wapenrusting waarin de overwinning over alles behaald wordt, zodat de kleinste zal worden tot duizend en de minste tot een machtig volk.

Dán zullen de dochteren Jeruzalems en ook de vijanden, zeggen:”Gelijk Israël in de woestijn naar zijn ordeningen gelegerd was in slagorden onder verschillende banieren tot een schrik voor alle volkeren rondom Numeri 2:1-34 zó zal de uitverkoren Bruid vóór zij opvaart tot de Vader, op deze aarde met een verheerlijkt lichaam aanschouwd worden.

Evenals de Here Jezus ná Zijn opstanding uit de doden, Zich veertig dagen lang vertoonde met vele gewisse kentekenen en sprekende van de dingen die het koninkrijk Gods aangaan, zó óók de Bruid bij haar ingaan tot de heerlijkheid.

Vers 11:

”Ik ben tot de notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien, om te zien of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.”

Wíe is het, die hier de notenhof bezocht.?

Het is de Bruidegom met Zijn koninklijke Bruid. Hoe meer de noteboom lijdt, hoe meer vrucht hij geeft; hoe weelderiger als hij groeit, des te minder vrucht geeft hij.

Degenen die achterblijven zullen behouden worden, doch alzo als door vuur. 1 Korinthe 3:13-15.

De groene vruchten der vallei, beter: “het groen aan de beek”; óf “het groen in het dal”, aan de vloed zijn de gelovigen die leven maar tóch achtergebleven zijn.

De wijnstok met de bloesems zijn diegenen waar de vreugde en de blijdschap van de Heilige Geest niet is; en, de granaatappelen voltooien het gehele beeld. Zij vertonen knoppen; zij doen veel verwachten.

De granaatappel is zuur en zoet, en zeer smakelijk. De kelk van de vruchtknop wordt door vijf blaadjes gevormd en ook de bloemkroon is vijfbladig, de vrucht is zaadrijk. De bloemen zijn schitterend rood.

De bloem: flores balustiorum, de bast: cortexgran; het zaad: semengran; worden dikwijls met goed gevolg als medicijn aangewend.

Zó zijn ook diegenen die veel doen hopen en verwachten voor het achtergebleven Eliza’s volk. (over het Eliza’s volk meer in het volgende hoofdstuk).

Vers 12:

“Eer ik het wist, zette mij mijne ziel zich op de wagens van mijn vrijwillig volk.”

De Bruidegom noemt hier Zijn Bruid: “mijn ziel en mijn volk”.

Het spreekwoord is niet onbekend: de vrouw is de ziel van de man en des huizes. De Sulamith is de ziel van haar Bruidegom; zij omringd Hem. Zó vaart zij mét Hem als een wagen óp naar de Hemel. Cfr.Ezechiel 1: 1,10,15,16,26.

Dat vrijwillige volk wordt vergeleken bij wagens Psalm 68:18; Psalm 110:3.

Het had Hem niet gedwongen lief maar wandelde gewillig in Zijn wegen en ordeningen.

Vers 13:

“Keer weder, keer weder, o Sulamith, keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gij de Sulamith aan?, zij is als een rei van twee heiren.”

Wanneer de dochteren van Jeruzalem de opvaart van de Sulamith aanschouwen en de Sulamith mét de Here Jezus uit hun gezicht verdwenen is, dan stijgt deze kreet uit hun harten op. Men zal haar erkennen, en, verwonderd zal er gevraagd worden: ”Wat ziet gijlieden de Sulamith aan?, zij is als een rei van twee heiren.”

Deze twee heiren bestaan uit de opgewekten uit de dood in de eerste opstanding, en de nog levenden die in een punt des tijds verandert worden, zoals apostel Paulus daarover reed sprak tot de Korinthieërs in 1 Korinthe 15:23 en de verzen 51,52.

Alsmede tegen de Thessalonicenzen in 1 Thessalonicenzen 4:15-17, en zoals de Here Jezus Zélf toonde aan Johannes in Openbaring 20:5b en 6.

Bereidt U, de Heer komt.!

Vervolg: aflevering 7a