HET HOOGLIED

Hoofdstuk V:

Vernedering en belijdenis.

Deze paradox is het onderwerp van dit vijfde hoofdstuk.

Is zulk een toestand nu mogelijk.?

Het vierde hoofdstuk eindigde met de verzuchting van de Sulamith:

”O, dat mijn liefste tot mijnen hof kwame, en ate zijne edele vruchten.”

Nauwelijks heeft zij dit verlangen uitgesproken, of zij hoort de stem van haar Liefste:

Vers 1a:

“Ik ben in Mijn hof gekomen, o, mijn zuster, o Bruid. Uw verlangen is vervuld".

Vers 1b:

“Ik heb mijn mirre geplukt met mijne specerij”

Bitterheid is het eerste dat de Bruidegom proeft bij het binnentreden van Zijn hof; bitterheid, door de bedreven zonden van het vlees. Galaten 5:15-21.

De vrucht des Geestes is de minste. Door het zoeken van ijdele eer is deze en die verontreinigd Galaten 5:26.

Mirre, met specerij: werking van de gaven. Dit was mij aangenaam.

Vers 1c:

“Ik heb mijn honingraten met mijne honing gegeten.”

Hier het beeld van kennis, gerechtigheid en wijsheid: Spreuken 24:13,14.

Vers 1d:

“Uw vreze tot mij, om te wandelen in mijne inzettingen, was mij zoeter dan honig en honingzeem. Ik heb mijnen wijn mitsgaders mijne melk gedronken".

Door Zijn verkiezing zijn wij ranken van de wijnstok; deze dragen vrucht en deze vrucht is uit Hem en behoort zo aan Hem toe.

“Daardoor ben ik verblijdt, want de wijn verheugd het hart.”

Dat gij de, door Mij gewrochte, verlossing blijmoedig verkondigd is mij als een onvervalste melk.

De melk is de boodschap des heils in haar beginselen. 1 Petrus 2:2; Hebreeën 5:12,13; Hebreeën 6:12.

Vers 1e:

“Eet vrienden, drinkt en wordt dronken, o, liefste.”

De Bruidegom moedigt zó Zijn liefhebbers aan, om met Hem zulke honigraten te eten en zulke wijn en melk met Hem te drinken, tot dronken wordens toe.

De Here Jezus, Die zalig en heilig maakt verblijdt Zich met de blijden.

In en door Zijn gaven is Hij in het midden van Zijn gemeente tegenwoordig, Hebreeën 2:12,13 en dáárom zei Hij: “Die u hoort, hoort Mij.”

Hoe krachtiger de gaven als een fontein in de hof ontspringen. des te beter begrijpen wij al deze typeringen. Cfr. 2 Korinthe 13:5.

En, wanneer men deze dingen kent, ja, zelfs mededient en zelf een fontein ter verkwikking geweest is, en door profetie en gezichten vertroost en vermaant heeft, is er dan nog een inslapen mogelijk.?

En dan nog wel in die mate, dat men Dien, Die wekt, niet eens in liefde aanhoort maar allerlei verontschuldigingen maakt.?

De verzen 2 en 3 geven op deze vraag een duidelijk antwoord, en, laat het daar tot onze waarschuwing geschreven zijn.

Vers 2:

”lk sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefste die klopte, was: doe ij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte.! Want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdroppen.”

Vers 3:

”Ik heb mijnen rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken.? lk heb mijne voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen.?”

Vele eerstelingen lijken op de maagden uit Mattheus 25:5.

Allen vielen in slaap, want zij waren sluimerig geworden; het duurde ook zó lang, en, Apostel Paulus moest reeds de ervaring opdoen dat er slapenden waren. Thessalonicensen 5:6-8.

Hij, die door onverschilligheid op de roepstem van de, door de Here God gegeven wachters, geen acht geeft, aan dien zal een geest van diepe slaap gegeven worden, en ogen om niet te zien en oren om niet te horen. Jesaja 29:10; Romeinen 11:8; Jesaja 51:39.

Maar, hóe is het mogelijk zo vragen wij, dat de Sulamith, zó hoog bevoorrecht als zij is, kan inslapen inplaats van wakker en nuchter te zijn.?

Hoe hoger de stand, hoe groter het gevaar. De Sulamith, wetende dat zij het verloren heilsgoed heeft terugontvangen, vergeet haar hoge stand wel eens.

Mag dat.? Wel Nee.! Want, is dat geen zonde, een verschrikkelijke gruwelijke zonde.?

De tijd van wachten kan lang schijnen. Toen het oog open ging voor die heerlijkheid, begeerde zij het om telkens meer te zien; maar, wanneer men het oog geregeld op dezelfde plaats gericht houdt, dan wordt men er aan gewoon, en, dan keert men het oog wel eens af niettegenstaande er in Jeremia 32:3 gezegd wordt: ”De ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien.”

Het oog, dat niet verzadigd wordt om te zien, noch het oor van het horen, wordt bij al die rijkdom zwaar en de slaap krijgt de overhand, en, zo is er een slaperig worden, een verkeren in de nacht. Men denkt dan nog wel dat men in het licht verkeert, maar uit het rondtasten blijkt dat de duisternis hen omgeeft.

Zij zegt tegen haar Bruidegom: “Ik sliep, maar mijn hart was wakker; ik heb mijn rok, het kleed van de eigengerechtigheid, uitgetrokken, hoe zal ik hem weder aantrekken.? Ik heb mijn voeten, het beeld van het leven in de zonde, gewassen door de belijdenis van de zonden en de vrijspraak. Zal ik nu wandelen als vroeger, zoals vele anderen die mij tot een ergernis zijn. Ik kan nu zingen: Een zondaar een verloste o,Heer, en nu geen zondaar meer.”

O, dat gevaarlijke rusten wanneer men eenmaal tot het licht gekomen is.

Het is gelukkig, om een verleden te kennen dat een grote duisternis was, maar, dán moet men nu ook wandelen als kinderen des lichts, en dit ook laten blijken.

Wanneer de Bruidegom Zich terugtrekt, dan is er onrust, beving en ontroering. Men wil zichzelf graag rechtvaardigen en geeft dan de wachter de schuld.

De Sulamith stond op om de Kloppende open te doen, maar, Hij trok Zijn hand van het slot of het gat van de deur en verdween. Toen zij opendeed, toen dropen haar handen van mirre en haar vingers vloeiende mirre op de handvaten van het slot. Bittere teleurstelling was dus haar deel toen zij ontwaakte, waarvan de mirre hier het beeld is.

Slot, sleutel, en deur, zijn hier de typen van bedieningen.

Tegen Zijn uitverkoren getuigen sprak de Here Jezus: ”lk zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen.” Mattheus 16:19.

De deur is de ingang, het ambt zelf; het slot is het geheim ofwel de heilsgeheimen waartoe door middel van de sleutel der kennis, de toegang verkregen wordt.

Het is de macht over de genademiddelen in de gemeente. [Deze macht is niet willekeurig. Het is de macht om te openen en te sluiten. Wáar is de kennis van de heilgeheimen Gods.? Dáár, waar de sleutelen daarvoor zijn.]

De Bruidegom laat Zich niet liefdeloos behandelen. Hij liet de Sulamith aan zichzelve over. Zijn droefheid, uitgestort op de handvaten van het slot, is als mirre voor haar en spelt haar bitterheid en lijden.

De zodanige slapende zielen laten wij, wachters, aan zichzelf over; en, wanneer dat gebeurd, dan worden zij toornig en boos en gaan er dan op uit om haar liefste te zoeken. Dát reeds is mirre. Zij gaan naar deze en gene gemeente en horen daar dan de wachter spreken, maar, dat is niet de stem van haar liefste.

Wat zij ondervond bij haar ontwaken en bij haar uitgaan, dat zegt zij in:

Vers 5-7:

”Ik stond op om mijn liefste open te doen; en mijne handen drupten van irre en mijn vingers vloeiden van mirre op de handvaten van het slot. lk deed mijn liefste open, maar hij was geweken. Hij was doorgegaan, mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken. Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik riep Hem, doch Hij antwoordde niet. De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwonden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.”

In vers 4 heeft zij gezegd dat haar liefste Zijn hand terugtrok, waarom haar binnenste beroerd werd. Zij kon geen vrede daarbij hebben. Dáárom staat zij op, om Hem open te doen, máár, o, teleurstelling, Hij is er niet. Nú staat zij op en loopt te zoeken en komt dan in aanraking met de wachters. Zij erkent meteen wíe en wát zij is want haar sluier wordt afgerukt.

Zulke zielen lopen om en om in de grote stad die geestelijke genoemd wordt: Sodoma en Egypte en Babel. Vergel. Openbaring 11:18 en Openbaring 18:1 ev.

Máár, zij vindt hem niet, en de wachters, laten zulke zielen lopen.

Vers 8:

” Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem, indien gij mijn liefste vindt, wát zult gij Hem aanzeggen.? Dat ik krank ben van liefde.”

Het is de zoekende, uit de slaap ontwaakte, er om te doen om haar liefste te hebben en dáárom zegt zij tegen Jeruzalems dochters: indien gij Hem onder u vindt, zeg dan tegen Hem dat ik krank ben van liefde.

Jeruzalems dochters, dat zijn de gelovigen in de Christelijke kerk.

Zij doen de éne vraag na de andere. En, de bezwerende vraag van zulk een verdwaalde eersteling die tot .

Goud, het beeld van de waarheid, omdat dat hier het edelste is, en de waarheid beter is dan alle andere zaken. [Vergelijk Flav.Jos. Elfde boek, hoofdstuk IV. Op de vraag van Darius aan drie van zijn lijfwachten, waaronder ook Zerubbabel, de vorst van Juda, wat het sterkste is: de wijn, de koningen, de vrouwen, of de waarheid, antwoordde Zerubbabel dat de waarheid het sterkste is van alles. Hierop kreeg Zerubbabel verlof om Jeruzalem en de Tempel weder te herbouwen.]

Het fijnste goud, is de zuivere onvervalste waarheid. Het dichtste goud is de onveranderlijke, alles overwinnende waarheid.

Vers 11b:

” Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.”

Het beeld van jong en gezond, fris hemels leven. Haar is het beeld van profetie. Hij is en blijft de Wonderlijke, de Trouwe en Waarachtige die krachtig is in het vervullen van Zijn beloften.

Alles wat Hij gesproken heeft dat zal Hij doen en niet één van Zijn beloften zal onvervuld blijven. In zwartheid en rouw volbracht Hij wonderlijk, gekruld, de profetieën die van Hem geschreven waren: dat de Christus lijden zou en zó de verlossing zou bewerken uit de macht van Satan, van zonde en menigerlei hartstochten en begeerlijkheden.

Hóe wonderlijk was het voor de dicipelen dat hun Meester overgeleverd zou worden; zij begrepen het niet.

Zó zijn er ook velen uit de dochteren van Jeruzalem dat niet begrijpen dat Hij belooft en verzekert, dat wij koningen en priesters zullen zijn in het Rijk der Heerlijkheid dat Hij op de aarde zal vestigen en dat 1000 jaren zal duren. Openbaring 20:4; Jesaja 61:6.

De haren op een jong hoofd zijn niet te tellen en zó zijn óók Zijn beloften ontelbaar en Zijn weldadigheden oneindig vele. Psalm 139:17,18.

Vers 12:

“ Zijn ogen zijn als duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kastjes der ringen”

De duif plast en baadt zich in de heldere stromen en daardoor schittert zij alsof zij in melk gebaad is. Dit zinnebeeld is zeer schoon en weelderig. Dat ogen bedieningen zijn, dat hebben wij reeds in de hoofdstukken I en IV aangewezen.

Alle bedieningen, óók van de eerstelingen, alle begaafde personen, zien niet wat Zijn ogen zien in de mens, door de mens en voor de mens; op de aarde en onder de aarde en in de hemel.

Zijn ogen zijn aan alle waterstromen, dat wil zeggen, mét en dóór Zijn Geest is Hij óveral in elke openbaring, hetzij van enkele, hetzij van vele waarheden. Hij is zelfs bij de enkele mens.

Hij ziet in het heden reeds vervuld, wat voor ons nog in de toekomst ligt, namelijk de overwinning, het aardrijk waarop vrede en gerechtigheid woont.

Zijn ogen staan als in kastjes der ringen, eigenlijk: nederzittende in het volle. Deze beide beelden zijn wel zeer duidelijk.

Een ring is zonder einde en daarom het beeld van de eeuwige liefde. Lukas 15:22.

Zijn oog is het oog der liefde, eeuwiglijk en altoos. En waarlijk, zij mag wel roemen dat haar liefste duivenogen heeft, nederzittende in het volle.

Deze volheid zijn de gaven van de Heiligen Geest zoals Hij die van de Vader heeft ontvangen. Vergel. Jesaja 11:2; Johannes 3:34; Efeze 4:7,8.

Deze volheid werd reeds aangeduid in de tweede tempel door de steen met de zeven ogen Zacharia 3:9, waarop de Hogepriester Jozua het wierookvat nederzette.

In Hem, Christus, woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Collossenzen 1:19 en 2:9.

Hij is het die de zeven geesten Gods heeft . Openbaring 5:6; 1 Korinthe 12:3-10.

Wát Hij is, dat wil Hij zijn in Zijn dienaren. Johannes 17:8,14,18,22.

Waarlijk, de Sulamith mag van haar liefste roemen want Hij is een andere meer volmaakte liefste dan die van de dochteren Jeruzalems.

Vers 13a:

“ Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes”

Onder de ogen, terzijde van de neus en de mond, tussen de oren, is de plaats van de wangen. Neem de wangen weg en dan is de schoonheid van het aangezicht verdwenen. De wangen staan tussen de eigenlijke zintuigen en organen in en bekleden deze plaats om deze aan te vullen of beter te doen uitkomen.

Het zijn versieringen. Een specerijbed verspreidt een welriekende geur; specerijen zijn opwekkend en versterkend en worden voor de herstelling van zieken gebruikt.

De Apostel Paulus schreef in 2 Korinthe 2:14-16: ”Wij zijn een goede reuk van Christus in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan.”

De Sulamith wil zeggen: Mijn liefste openbaart Zich in daden, door Zijn bediening. Het bestuur bij de dochteren Jeruzalems is niet dát, wat het moet wezen, maar is bij de Bruidsgemeente, zoals dat typisch is aangeduid en afgebeeld in het Oude Testament en zoals het in het Nieuwe Testament wordt gezien.

Het verschil tussen apostelen en een dominee, met gemaakte ouderlingen en diakenen, is zeer groot.

[ Schrijvers dezes stelt hier in gemoede de vraag: “Betreurt gij het niet, mannen broeders, dat in uw gemeenten, hóe vrij gij ook mocht meent te wezen, dat de bekleding van zulk een waardig en gewichtig ambt als ouderling, afhangt van één of twéé onnozele papiertjes.?

Vindt gij dat wel Bijbels.?

Ik weet, dat velen van u dan zullen zeggen: Neen, maar wát moeten wij dan anders.?

Dan, waar men jaar op jaar dezelfde stemmingen heeft, hoe moet men dat noemen.?

Kan er van een en ander dan gezegd worden wat apostel Paulus zeide van en tot de ouderlingen te Efeze.? Handelingen 20:28?.

Gojim is geen scheldnaam van de heidenen want het uitverkoren volk heet op verscheidene bijbelplaatsen ook zo, bv. Exodus 19:6; Exodus 32:10; en Deuteronomium 4:6, enz.

Vers 13b:

” Zijn lippen zijn als leliën, druppende van vloeiende mirre.”

De lippen van de apostelen en de andere dienaren bewaren de wetenschap des Heren want zij zijn engelen des Heren. Maleachi 2:7.

Zij zijn als leliën, ofwel eerstelingen, personen en gemeenten, druppende van vloeiende mirre.

Mirre betekent bitterheid. Welk een bittere klachten worden er niet uitgesproken: dat de gemeente zó vér van de inzettingen des Heren is afgeweken.

De inzettingen van de dochteren Jeruzalems verbieden haar om deze afwijking te erkennen. [Maar al te vaak is de oorzaak dat men niet werkelijk tot de erkenning van het on-Bijbelse komt, hierin gelegen, dat men gevoelt: dan moeten wij van onze hoogte afkomen. Wat te willen zijn, terwijl men niets is, dat is het allertreurigste. Wie gaf aan Mozes het bevel om te bouwen.? Wie riep de profeten, de wachters Israëls.? Wie riep de apostelen.? Wie zonderde Barnabas en Saulus af.? Wie gaf aan Timotheus ene gave door profetie.? ]

De wáre wetenschap is niet bij u, o dochteren Jeruzalems.

Hóe de gevallen mens hersteld en naar het Raadsbesluit des Heren door de gegeven heilsgoederen weer deelgenoot aan Zijn eeuwige heerlijkheid wordt, zoals dit in Christus gegeven en bekend gemaakt is, daarvan hebben de dochteren van Jeruzalem niet de juiste kennis.!

Vers 14a:

“ Zijn handen zijn als gouden ringen gevuld met turkoois.”

De handen houden het lichaam in postuur. De éne hand is het regerend Apostelambt en de andere is het Profeten-ambt.

Gouden ringen wijzen op de eeuwig blijvende waarheid; gevuld met turkoois.

Turkoois zijn ondoorzichtige edelstenen van een blauw-groene kleur.

Blauw is de kleur van de hemelse gezindheid; groen is de kleur van de hoop.

Edelstenen verwijzen naar de hemelse gaven, en, welke heerlijke dingen zij voor de toekomst doen hopen.

Iedere eersteling is een edelsteen, die als een levende steen behoort bij de geestelijke tempel, 1 Petrus 2:1-10, tot het hemelse Jeruzalem. Openbaring 21:9-13.

De gaven wijzen op de grote, heerlijke bestemming van de mens en zij zijn een voorsmaak van de blijvende dingen.

Vers 14b:

“ Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met affieren.”

Elpenbeen of ivoor, is een vaste, onverderfelijke stof die door polijsten zeer blinkend wordt en het was in de dagen van Salomo van zeer grote waarde.

De saffier is een edelsteen die als een ster fonkelt en van een diep blauwe kleur is.

Dit vaste, wit gepolijste en blinkende elpenbeen, omzet met flonkerende schitterend blauwe edelstenen, is het beeld van de buik van haar liefste.

Er staat in het Hebreeuws niet “zijn buik”, maar het gedeelte onder de hals, tot aan de heupen, wordt hiermede aangeduid.

In Daniel 2:31-33, worden met dat gedeelte van het lichaam, waartoe ook de armen behoren, twéé grote Rijken aangeduid.

Het lichaam van de geestelijke Salomo, is de gemeente. Efeze 1:22,23.

De Here Jezus is de Koning, Hij is de Koning der gerechtigheid, de Vorst des vredes, de Koning der heelrijkheid.

De verzegelde, begaafde personen, schitteren als sterren, want in en door hen wordt Hij geopenbaard. De Sulamith zal het aardrijk erfelijk bezitten en daarop als koningen en priesters wonen.

De dochteren Jeruzalems denken dat zij, ná hun sterven, rechtstreeks naar de Hemel gaan. Eigenaardig is het, dat men, waar men zulks gelooft, toch nog zó aan het leven hangt; want immers, wanneer het werkelijk zo was, dan zou er geen groter voorrecht zijn voor iemand die geloofde, om direct maar te sterven om dan in de Hemel te zijn.

En, waarvóór zou dan de opstanding dienen.?

Hier is een dubbelzinnigheid omdat men niet de Schrift laat spreken, maar deze Schrift met een vooropgezette gedachte leest.

Vers 15:

“ Zijne schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud. zie Galaten 2:9. Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.”

Pilaren van marmer op de grondslagen van goud, waren alleen mogelijk voor een rijk vorst om daardoor de heerlijkheid en de waarheid van zijn rijk aan te tonen.

Marmer is het beeld van vastheid en duurzaamheid. Goud is het beeld van de waarheid.

De pilaren en de voeten van de geestelijke tempel, het lichaam van Christus, zijn van marmer, rustende op voeten van goud.

Deze schenkelen en voeten van het lichaam van haar Liefste, zijn haar bedieningen waarop zij rustende is.

De gemeente is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten. Efeze 2:20.

Haar Evangelisten en Herders, in welke de Here Jezus de Evangelist en de Herder is, zijn niet als de leraars en de leidslieden van de dochteren van Jeruzalem, want deze staan, als gewone stenen, op gewoon metselwerk, dat wil zeggen, op de leer zoals die is samengesteld door mensen.

De pilaren van de Sulamith rusten op de waarheid, zoals die in de Here Jezus is.

Mijn liefste is gans verheven, groot, heerlijk als de Libanon en uitverkoren als de cederen. In Hem ben ik gerechtvaardigd, blinkend wit, Libanon, mijn gerechtigheid is uit Hem. In Hem wordt zij een volk dat het waarachtige koningschap zal bekleden. Openbaring 1:6 en 2:10.

De Libanon met zijn cederen was de grens tussen het uitverkoren volk en de Gojim, (zie hierboven), of heidenen: volken.

Vers 16a:

“ Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.”

Dit vers behoort eigenlijk tot hoofdstuk 6:1-3. Het is een samenvatting van al het beminnelijke en bekoorlijke dat zij heeft opgenoemd.

Alles wat zij spreekt, is zoet, en alles wat van en uit Hem komt is als honing; het is alles even begeerlijk. Het is de voltooiing van haar beschrijving, als om alles in één enkel woord samen te vatten en te kunnen komen tot de sluitreden: ” Zulk één is mijn liefste, ja, zulk één is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem.”

BEREIDT U, de HEER KOMT.!

Vervolg: aflevering 6