Hoofdstuk IV.A.

De Bruid door de Bruidegom geroemd:

De natuur weet van geen lappen. Haar organisaties zijn geen mozaïekwerk, want, hoe meer mozaïek of ingelegd het werk van een kunstenaar, van een dichter of van een redenaar is, des te onnatuurlijker is het.

De natuur haat alle lapwerk omdat zoiets niet geschieden kan dan na een voorafgaande scheiding.

De natuur kent en leert alleen overeenstemming, geen eenstemmigheid.

Hoe meer er iets ontrold en ontzwachteld wordt uit één, en tót één, des te heerlijker, algemener en duurzamer is de werking, maar ook des te meer waarheid, kracht, natuur.

De mens is zulk een organisme waarin alle delen met elkander in overeenstemming zijn, en, indien dit niet het geval is, dan noemen wij iemand mismaakt.

De schoonheid van de mens bestaat in de evenredigheid van de leden van het lichaam tot elkaar.

De Bruid is óók een lichaam, het lichaam van Christus, dat uit vele leden tesamen is gebracht en waarin dezélfde geest leeft.—Cfr.Efeze 4:9-16; Efeze 5:25-32; 1 Korinthe 12:12-27--.

In de verzen 1-5 van hoofdstuk 4, worden zeven lichaamsdelen van de Bruid opgenoemd en door de Bruidegom geprezen.

Het getal zeven komt veelvuldig in de Bijbel voor; het is het heilige, volmaakte getal.

Het is het getal van de Drie-eenheid, met het geschapene in betrekking gebracht: het getal Gods “”drie””, met het getal der wereld “”vier””.

Altijd staat het in betrekking tot datgene wat naar het Verbond tussen God en de mensen heenwijst.

Het meeste komt dit getal voor in het boek der Openbaring van Jezus Christus omdat in dat boek de vervulling voorzegd wordt van alles wat er geschieden moet.

Wat zó dus het getal zeven draagt, is volkomen.

De zevende dag werd door de Here God geheiligd en gezegend.

Zeven is ook het getal van de eed, en, de eed is het einde van alle tegenspraak.

In het kort: zeven is het getal der volkomenheid.

Vers 1:

”Zijt gij schoon, mijn vriendin, zie, gij zijt schoon: uwe ogen zijn duivenogen tussen uwe vlechten”.

Haar ogen worden geprezen, en worden genoemd duivenogen tussen de vlechten. Ogen zijn het type van mensen.

Behalve over Hobab, die reeds in Hoofdstuk I werd genoemd, en die de kinderen Israël tot ogen zou zijn, lezen wij dat Job, in Job 29:15 zegt: ”den blinden was ik tot ogen”.

De blinde heeft ogen nodig, dat wil zeggen: iemand die hem de weg wijst.

In 1 Korinthe 12:12-16, spreekt Paulus in een leenspreuk over het lichaam, dat wil zeggen, de gemeente, en zegt, dat het oog een deel is van dat lichaam.

Wát het oog betekent voor het lichamelijke leven, dat zegt de Heer in Mattheus 6:22,23.

Door het oog wordt het gehele lichaam verlicht en wanneer het gezond is dan ziet het alles wat er aan het lichaam is. Zo óók het lichaam van de gemeente.

De bedieningen in de gemeente zijn de ogen zoals het in Openbaring 4:6 gezegd wordt; want dáár worden zij voorgesteld: vol ogen van voren en van achteren.

Deze ogen zijn mensen die in de gemeente dienen en haar leiden, of, die door de aan hen geschonken gaven van profetie, dromen en gezichten, de ogen zijn om te zien hoe het inwendig in de gemeente gesteld is.

De ogen van de Sulamith zijn duivenogen: eenvoudig, trouw en oprecht.

Ten tweede prijst de Bruidegom het haar:

Vers 1b:

”uw haar is als een kudde geiten die het gras van de berg Gilead afscheren.”

In Psalm 68:22 wordt de harige schedel voorgesteld als een vijand.

In Jesaja 3:17 lezen wij: ”de Here zal de schedel der dochteren van Sion schurftig maken”, dat wil zeggen:kaal maken; en, die dochter Sions was Jeruzalem.

Volgens Jesaja 7:20. dreigt de Here God om door een gehuurd scheermes, dat de koning van Assyrië was, het haar des hoofd te zullen scheren en de baard ganselijk weg te laten nemen.

Dit wordt gezegd van diegenen die het volk van Israël in zijn afwijkingen steunden en de beloften die aan Abraham gegeven waren, tot niets maakten. De Heer zou hen afsnijden en naar Babel brengen.

Haar en vlechten, hebben, met betrekking tot de mensen, de betekenis van de sieraden van een gemeente.

Zo was onder het volk van Israël de Nazareer de zichtbare uitdrukking van iemand die aan God geheiligd was. En dáárom mocht er, zolang de dagen van zijn Nazareerschap duurden, geen scheermes op zijn hoofd komen. En, wanneer hij vrijwillig de Nazareeersgelofte gedaan had, en de dagen van die belofte voorbij waren, dán moest hij een éénjarig lam ten brandoffer brengen, en een volkomen éénjarig lam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.

Aan de deur van de tent der samenkomst moest hij dan zijn hoofd scheren en het haar moest dan op het vuur gelegd worden, onder het dankoffer, opdat niemand aan dat haar afgodische- of relequieneer zou bewijzen.—Cfr. Numeri 6: de wet op het Nazireeerschap

Het haar van de Nazireeer had dus waarde door de levende persoon. Het wezen van het haar en de twee vlechten, duidt henen op de, van God gegeven beloften, in het Oude- en Nieuwe Testament.

Deze beloften zijn uitgesproken door profeten en door personen die de gaven van talen, uitlegging, gezichten en dromen hadden en hebben.

[Profeet--voor iemand de mond zijn; vergelijk Exodus 4:16 en Exodus 7:1,2. Door de profetie worden verborgenheden gekend en verstaan. Het is het helderziend en getuigen van bovenzinnelijke dingen. Het oog van de profeten behoort tot de ziel. De mens is daarbij in de geest, dat betekent: hij is dan geestelijk, hij ziet geestelijk, hij neemt geestelijk waar, bezield door de Heilige Geest.De menselijke geest kan geen Goddelijke dingen profeteren omdat hij ze niet verstaat en niet weet Korinthe 2:10-16tenzij hij door de Geest Gods vrijgemaakt en daarvan doordrongen is. Profetie betreft: wat was, wat is, en wat zijn zal. De profeten spraken omdat de Here God gesproken heeft. —Vergel.Jesaja 8:20 en Amos 3:8b.

Zullen dezen ons niet ontnomen worden door een oordeel Gods, of een scheermes, dán moet onze wandel in overeenkomst wezen met de beloften Gods.—Cfr.Jesaja 7:9b--.

Het haar is er tot versiering van de mens, vooral en in het bijzonder van een maagd en van een vrouw; het mag echter niet verwildert heen en weer waaien maar moet in orde gehouden, gevlochten of opgebonden worden.

Veracht dus de profetieën niet-.—Thessalonicensen 5:20--.

De haren kunnen zichzelf niet vlechten, zij moeten gevlochten worden, dat wil zeggen: zodanig begaafde personen moeten zich laten leiden.

Volgens 1 Korinthe 14:37, heeft iemand die denkt een profeet te zijn of te zijn bedeeld met geestelijke gaven, te erkennen, dat hetgeen de Apostel schreef, de geboden van de Heer waren.

”Als er geen profetie is, dan wordt het volk ontbloot”.

Parodisch: "kaal geschoren". –Vergel. 1 Samuel 3:1 met Spreuken 20:18--.

"Het haar is als een kudde geiten die het gras van de berg Gileads afscheren".

Gilead, Galed of Galaad betekent: hoop der getuigenis, of voortdurende fontein. --Vergel. Genesis 31--.

Laban noemde die hoop"Jegar-Sahadutha" dit is: steenhoop der getuigenis, en door Jacob werd zij genoemd: "Galeb".

De dode stenen zouden een getuigenis zijn tussen Jacob en Laban, én ook een wachttoren, want Jacob noemde ook die naam “Mispa”.

De levende stenen, ofwel de begaafde personen, zijn hier een getuigenis omdat zij geroepen zijn om de deugden te verkondigen van Diegene Die hen vanuit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht bracht.

Gras stelt het volk voor dat óp die berg der getuigenis groeit.

Die kudde geiten leeft van dat gras, dat wil zeggen, door de profetie wordt het volk overtuigd en geoordeeld, en worden de verborgen dingen des harten openbaar en erkent men dat de Here God waarlijk in de Zijnen is en uit hen spreekt en opzicht over hen heeft.—Cfr.1 Korinthe 14:24,25--.

In waarheid, dan is het haar prijzenswaardig. De profetie is een licht schijnende in een duistere plaats.

Ten derde worden geroemd: de tanden:

Vers 2:

”uwe tanden zijn als een kudde schapen die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te samen tweelingen vooortbrengen en geen onder hen is jongeloos.”

Een schone, dubbele rij witte tanden, sieren een maagd.

De tanden zijn onmisbaar voor het lichaam, want het zijn de malers—Prediker 12:3--,die het voedsel vermalen waardoor het lichaam in stand blijft.

Tanden zijn ook beelden van mensen.

Spreuken 25:19: ”een trouweloze ten dage der benauwdheid is als een gebroken tand.”.

In Spreuken 30:11-4, wordt een geslacht voorgesteld dat boos is, rein in eigen ogen, maar van zijn drek niet gewassen, welks tanden zijn zwaarden en welks bakstanden messen zijn om de ellendigen te verslinden.

In Psalm 57:5, zijn mensen voorgesteld wier macht is in hun geweld, wat wordt voorgesteld onder het beeld van tanden als spiesen en pijlen.

In Daniel 7:5 en 7, wordt een geheel Koninkrijk als vermalende en verscheurende tanden voorgesteld.

Tanden zijn dus de beelden van machtigen, van bedieningen. Een trouweloze prediker of voorganger is dus zulk een gebroken tand.

De Sulamith heeft gezonde tanden die blinkend wit zijn gemaakt door het Evangelie, of in melk gewassen.

Van de Silo wordt in Genesis 49:12 gezegd, dat hij wit van tanden is door de melk. Zo óók de Sulamith.

En nu een ernstige vraag aan allen die de waarheid willen en begeren:

Heeft de Kerk nu zulke gezonde witte tanden of predikers.?

“Kan men op hun leer--het vermalen voedsel--- vertrouwen en staat maken.?”

Laat een ieder hier nu zélf een antwoord op geven.

De tanden van de Sulamith zijn gezond; zij zijn als schapen die uit de wasstede opkomen. Het lichaam moet gezonde spijzen opnemen opdat het krachtig en sterk is.

Voor de gemeente is het voedsel de leer, die naar de Godzaligheid is.— Vergel. 2 Timotheus 1:13; 2 Timotheus 2:24-26; 2 Timotheus 3:10-17; 2 Timotheus 4:1-5; Titus 1:9-11; Titus 2:1,7,8--.

Wát is nu die wasstede.?

In Exodus 30:18-21 lezen wij: ”gij zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen, en gij zult het zetten tussen de Tent der Samenkomst en het Altaar, en gij zult water daarin doen, dat Aäron en zijn zonen zich daaruit wassen, hunne handen en hunne voeten. Wanneer zij in de Tent der Samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen opdat zij niet sterven; of, wanneer zij tot het altaar naderen om te dienen, dat zij het vuuroffer den Here aansteken. Zij zullen dan hunne handen en hunne voeten wassen opdat zij niet sterven; en, dat zal ene eeuwige inzetting zijn voor hem en zijn zaad, bij hunne geslachten.”

Er was dus voor de priesters van het Oude Verbond een wasstede.

Voor de priesterlijke dienaren van het Nieuwe Verbond is er ook een wasstede: de gerechtigheid van Christus waarin zijn staan en waarin zij geheiligd zijn.

Het Evangelie, dat niet is naar de mens, hoewel het is voor de mens, dat is de plaats der wassing.

Blijven in de eenvoudigheid van dat Evangelie, is een voortdurende wassing. Door dat Evangelie van kerkleer en menselijke begrippen ontdaan, is geschoren te zijn; want velen worden door die dingen omsloten als schapen door hun vacht.—Vergel.Mattheus 7:15--Zó komen de tanden van de Sulamith als helder wit te voorschijn, als geschoren en gewassen schapen waaronder er geen een jongeloos is, maar die ieder tweelingen voortbrengt.

Dáárom worden ten vierde geroemd: de lippen:

Vers 3a:

“ uwe lippen zijn als een scharlakensnoer, en uwe spraak is liefelijk.”

De lippen bedekken de tanden. De lippen zijn een macht en die macht is het woord waarvan de lippen de voertuigen zijn.

Hoeveel leugen en bedrog, gewerkt door een valse geest, kan er van iemands lippen stromen.

De lippen worden deuren genoemd. —Psalm 141:3--, en, evenals de deur in een huis de in-en uitgang is, zo zijn ook de lippen de ineen uitgang bij de mens.—Cfr.Mattheus 15--.

Volgens Maleachi 2:7, zullen de lippen der priesters de wetenschap bewaren omdat hij een engel is van de Heer der Heirscharen. Uit zijn mond zal men de wet zoeken. De wetenschap is achter de lippen zoals de schatten achter goed gesloten deuren.

[Alles wat er in de menselijke geest ligt, ligt in de menselijke mond; evenals alles wat in God is, zichtbaar wordt door Jezus Christus. De mens heeft een mond die altijd spreekt, al zou hij ook altijd zwijgen. De menselijke mond is de zetel van wijsheid en dwaasheid, van kracht en van zwakheid, van de deugd en van de ondeugd, van fijnheid en van grofheid van de menselijke geest, van alle liefde en van alle haat, van alle oprechtheid en van a;;e valsheid, van alle nederigheid en van alle hoogmoed en geveinsdheid en waarheid. Gelijk de lippen, zo ook het karakter.]

Volgens Zefanja 3:9, moet des Heren reine spraak tot het volk gebracht worden opdat Hij met eenparige schouder gediend worde.

De lippen van de Sulamith zijn als een scharlakensnoer. —Cfr.Jos.2:18--.

Zij mogen niet anders dan tekenen van behoud zijn.

Niets anders mag er overgaan, dan dat wat tot redding van zondaren, tot vergeving der zonden, tot heiliging des levens dienen kan.

Waar deze wetenschap achter de lippen verborgen ligt en door de spraak ---het woord---, verkondigd wordt, daar wordt Christus in Zijn volheid openbaar, dat is het Evangelie, de boodschap en de openbaring des heils en van de verlossing voor verlorenen en verlosten.

In het bijzonder duiden deze lippen heen op het Evangelistenwerk zoals de Here Jezus dat aan Zijn gemeente heeft gegeven. Het is de arbeid van de gemeente naar buiten uit, door de Evangelisten.

Ten vijfde prijst de Bruidegom: de slaap haars hoofds:

Vers 3b:

“”de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uwe vlechten.””

Hoe gevoelig is deze plaats van het hoofd. Met één enkele klap die op die plaats wordt toegebracht, kan men iemand doden.

De haarvlechten dienen tot bescherming, maar kunnen een dergelijke harde slag niet tegenhouden.

Jael dreef een nagel in de slaap van het hoofd van Sisera waardoor hij meteen dood was. —(Richteren 4:21)--.

Wát zijn nu die slaap of slapen van het hoofd.?

Is er in de gemeente wel zoiets zichtbaar, dat zó gevoelig is.?

Ja,het zijn de profeten en de profeterende personen, want deze zijn gevoelig, spoedig geraakt, en licht kwetsbaar en zijn dan als de dood, dat wil zeggen: zij willen of kunnen geen profetie meer brengen en blussen daardoor de geest uit.

Maar, waar de profetie ophoudt, daar is het volk ontbloot, en, voor zodanige personen is het Woord in het Oude- en het Nieuwe Testament door profeten is gebracht, een bescherming. Want, niettegenstaande de profeten gesmaad, veracht en geslagen werden, brachten zij tóch het woord des Heren. —(Cfr. Mattheus 5:11,12; Jakobus 5:10,11.)--.

En, hoewel Jeremia zei: ””ik zal zijner niet gedenken en niet meer in zijn naam spreken”” , zo werd het in zijn hart als een brandend vuur, besloten in zijne beenderen, hij bemoeide zich om te verdragen, maar hij kon niet.—(lees vooral Jeremia 20)--.

Denken wij nu aan deze Jeremia, de man, die alle ellende onder de zon gezien heeft; aan Ezechieël, en van wien men zei: “”gij zijt een verdichter van gelijkenissen””.

Maar vooral aan de Here Jezus, die men, lijdende, nog in het aangezicht sloeg en spottend van Hem eiste: ””Profeteer ons Christus.!””

Dáárom ook, sprak de Heer tot de Zijnen: “”Zij hebben Mij vervolgt, zij zullen ook u vervolgen.””

En wederom: “”zalig zijt gij als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijd en verheugd u want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vervolgd die voor u geweest zijn.””

Wil de Sulamith, de Bruid, in het leven blijven, dan heeft zij Profeten en Profeterende personen nodig, maar dezen moeten wel door de vlechten beschermd worden, dat wil zeggen, opzieners en apostelen hebben de woorden Gods tot hun verdediging samen te vlechten. Door het vlechten wordt het haar in ere gehouden zodat het niet door elke windje heen en weer fladdert.

Alzo blijven de slapen bewaakt en bewaard. Die slaap is als een granaatappel; een doorgesneden granaatappel is rood en wit, en wel, purperrood en leliewit.

Het purperrood is de kleur van de koninklijke heerlijkheid en majesteit.

Het wit is de kleur van de gerechtigheid van Jezus Christus waaraan de Sulamith een grote behoefte heeft want zij is zwart van zichzelve, dat wil zeggen: onrein.

Zo wordt er door de profetie aan herinnert wát de Sulamith is en waartoe zij bestemd is en wát zij tot haar bestemming nodig heeft.

Ten zesde roemt de Bruidegom: de hals:

Vers 4

“”Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van het wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde de schilden der helden.””

Deze toren of deze kolom, was gebouwd om het wapentuig in op te hangen waaraan de rondassen van Davids helden aanhingen.

Deze helden dienden het huis van David door hun krachtige en heldhaftige daden. De namen van die helden waren aan hun wapens verbonden om ze in gedachtenis te houden, maar óók om de tegenstanders te laten zien met welke helden de strijd gevoerd werd en verder nog gevoerd zou worden.

Muren en poorten zijn typen van mensen, evenals torens op een muur.

Wat betekent nu de hals, en waarván is hij het beeld.?

De hals is de overgang van het lichaam---gemeente---naar het hoofd---Jezus Christus--- en door de hals is het lichaam met het hoofd verbonden, en is hier het beeld van het opzienersambt.

De geschiedenis laat ons zien dat er mannen geweest zijn die zich in de geestelijke strijd als helden betoonden.

Mannen, die als torens uitstaken, en aan wie de anderen als het ware gehecht zijn en door wien zij zich lieten leiden. Zo kon dan ook onder “”toren”” heel wel verstaan en begrepen worden: de eerste onder de opzieners, de baanbrekers, als het ware de wegbereiders, onder wie anderen dienden en aan wien zij zich verbonden gevoelden, niet door een reglementair gezag, maar door levensverbinding.

Zo zien wij in de geschiedenis van David een Achitofel; en, in latere tijd onder koningin Esther, een Mordechai, een Petrus, een Paulus, een Luther, enz.

Hun wapenen waren: Het Woord; en, met dit Woord begonnen zij de strijd en daarmede overwonnen zij.

Die wapens heeft de Sulamith nodig voor haar verdediging en, zij heeft die. Al wat hoog is onder de mensen, dat is een gruwel voor de Here God. Dus niet wat wij hoog noemen maar dát, wat naar het oordeel van de Here God hoog is, dát is werkelijk hoog.

Want, tegen alles wat hoog is voor de mensen, zegt de Heer in Jesaja 2:11-15, dat Hij al wat hoog is, zal vernederen en dat de dag des Heren zal zijn tegen al wat hoog is, óók tegen alle hoge toren en tegen alle vaste muur.

Wat hoog is voor de Here God is bijna altijd veracht bij de mensen.

Dáárom zei de Here Jezus dan ook: dat wie een toren wil bouwen: dat wil zeggen hij die waarlijk groot wil zijn in de ogen des Heren, die moet de kosten berekenen, hij moet berekenen of hij ook heeft wat er tot volmaking van node is, want, daar zijn heel wat ogen op gericht en het is aan zeer veel beoordeling onderhevig.

Ten zevende roemt de Bruidegom: de twee borsten:

Vers 5:

“”uwe borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden.””

Dat leliën enkele zielen, alleenstaande gelovigen zijn, of óók één enkele gemeente kan betekenen, dat weten wij reeds. Een ree is vlug op de bergen.

Welpen zijn jonge leeuwen; de leeuw is het type van het koningschap want hij is de koning des wouden.

Volgens 1 Korinthe 3:1 en Hebreeën 5:12,13, is het Evangelie de melk, gebracht door de koninklijke Bruid, die begeerte daartoe heeft, als een welp tot de roof, en vlug is als een ree op de bergen.

Bergen beelden Rijken uit, zowel in Kerkelijk als in Staatkundig opzicht.

Op die bergen verblijven nog vele uitverkoren eerstelingen die de behoefte hebben aan de melk van Gods Woord om daardoor te kunnen opwassen/groeien.—1 Petrus 2:2)--.

Om deze bergen te beklimmen is niet altijd even gemakkelijk, waarom wel nodig is wat wij lezen in Habakuk 3:19: “”de Heere Heere is mijn sterkte; en hij zal mijn voeten maken als der hinden en Hij zal mij op mijne hoogten doen treden.”” (Vergel. Hierbij Jesaja 52:5-15; Nahum 1:15; Romeinen 10:14,15)--.

Deze voeten, als der hinden op de bergen, deze borsten voor de toediening van de melk van het Evangelie, zijn de twee bedieningen in de gemeente die naar buiten arbeiden: de Apostelen en de Evangelisten.

Het Profeten- en het Herderambt zijn de twee borsten tot vertroosting in de gemeente, om de van honger schreeuwende kinderen voeding en verkwikking toe te dienen.

In Jesaja 60:16, zegt de Heer tegen Israël dat het de melk der heidenen en de borsten der Koningen zal zuigen.

Dat een koning geen borsten heeft om kinderen te zogen, dat hoeft niet te worden gezegd; en, dat ook deze dingen een andere betekenis hebben ligt voor de hand.

De vraag is nu dus: Wát zijn de borsten van de Koningen.?

De ene borst is het ministerie van eredienst met zijn toebehoren, en de andere de ministeries van Staatsaangelegenheden.

Hoelang zullen de hier genoemde leden en delen van de Bruid hier op de aarde in nederigheid werken.?

Wel, het antwoord hierop lezen wij in:

Vers 6:

“”Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal ik gaan tot de mirreberg, en tot de wierookheuvel.””

Wélke dag.??

Die dag, waarop de Bruidegom komt en er geen schaduwen meer zullen zijn. “”Dan zal de Here mijn God komen, en al de heiligen met U, o Here.””

Dan zal er geen vermenging meer wezen van het heerlijke licht met de duisternis.

[Dus geen schemerdonker, want díe tijd van de morgen is een vermenging van licht en duisternis]., maar het zal een enige dag zijn, en ten tijde van de avond zal het licht wezen.

Dán zal de Bruid haar liefste zien om voor altijd met Hem verenigd te worden.

Ook tot zolang gaat de Bruid tot de mirreberg en moet ze gaan tot de wierookheuvel omdat haar liefste daar nú nog is en Zich openbaart.

Mirre is het beeld van bitterheid en van lijden; Wierook is het beeld van het gebed.

Tot aan dien dag aan toe zal bitterheid en lijden haar deel zijn; men zal haar blijven miskennen omdat zij van zichzelve niets beter is dan de anderen.

Maar, zij moet geduldig zijn in de verdrukking en zich verblijden in de hoop, zij moet volharden in het gebed opdat dat gebed gedurig als een lieflijke wierook opstijgt naar omhoog en door de Hogepriester in het binnenste Heiligdom geofferd wordt.

Dat lijden van de tegenwoordige tijd is niet te achten tegen de heerlijkheid die aan haar geopenbaard zal worden. De verdrukking werkt lijdzaamheid, en, deze ondervinding —(bedroefdheid)— werkt de bevinding —(bedroefdheid)— de hoop, welke niet beschaamd.—(Cfr.Romeinen 5:1-5)--.

Vers 7:

“”Geheel zijt gij schoon, mijne vriendin.! En er is geen gebrek aan u.!””

Zó kan alleen de geestelijke Salomo van Zijn Bruid spreken omdat hij niet oordeelt naar het aanzien, maar Zijn Bruid in deze staat van nederigheid, reeds in de toekomst aanschouwt.

In 2 Korinthe 11:2, schreef de apostel Paulus dat hij ijverig was met een ijver Gods, omdat hij de gemeente had toebereid om haar als een reine maagd aan een man voor te stellen.

Deze Man is geen andere dan Christus, die, naar waarheid, alleen een man kan heten.

In Prediker 7:28 wordt gezegd: “”Een man uit duizend heb ik gevonden, maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden””.

In Handelingen 17:31, noemt Paulus de Oordeler der wereld een “”Man””, namelijk de Here Jezus.

Deze lofprijzing aan ene, hier nog onvolmaakte, maar die, door hem die ze geeft, in het heden reeds als zonder gebrek aangemerkt wordt in de toekomst, is een woord ter bemoediging.

Wij zullen haar noemen: een lokstem.—(Vergel. Hosea 2:13-15) ,opdat zij volbrengt hetgeen de Bruidegom verlangt.

Op deze roepstem volgt nu een uitnodiging.

Bereidt U, want Jezus komt.!

Vervolg: aflevering 4b