HET HOOGLIED

Hoofdstuk 3B

Vers 5:

“Ik bezweer u gij dochteren van Jeruzalem, die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt, totdat het haar luste.”

De dochteren van Jeruzalem vertegenwoordigen alle namen in de christelijke kerk die niet in de ordeningen des Heren staan zoals die in de Heilige Schrift gevonden worden.

Deze dochteren worden door de geestelijke Salomo gewaarschuwd dat zij Zijn Sulamith met rust zullen laten tótdat de tijd daar is, het haar luste, dat zij zich in het openbaar vertoont in hetgeen dat zij zegt dat zij is.

Die dochteren Jeruzalems zijn geneigd om haar te bespieden, ja, meer nog om haar als het ware te dagvaarden, want zij denken dat, áls er een Sulamith is, dán moeten wij dat met onze ogen kunnen zien.

Die dochteren zijn bij de reeën of de hinden des velds; deze dieren zijn geweldig snel en zij ontvlieden spoedig de blik van de jagers zodat er geen één door de vervolgers geveld wordt.

In Psalm 42:1 stelt de dichter, terwijl hij ver verwijderd is van Gods Heiligdom, zich zélf vóór als een opgejaagd hert, dat dorst naar de waterstroom.

“Zó gaat het Christus’ uitverkorenen, Zó groeit de lelie onder de doornen.”

Wie is het niet zo gegaan,?

En, wie vergaat het ook nu nog niet zó?

Wie maakt zich geen ”idee-gemeente”?. En, waar dit gedaan wordt klimmen gedachten als deze op: ”Moet ik het nu in de Apostolische inzettingen zoeken en bezitten.? ”

Maar óók: “Wáár zijn die dan.?” Is het dan dat nietige hoopje, dat zich zo noemt en dat zegt in de inzettingen des Heren te leven en te staan.?

Maar wát en wíe zijn dat dan.?

Zijn wij niet veel degelijker.?

Is er onder ons niet veel meer ontwikkeling.?

Als zij dat was, dan moest immers iedereen dat dadelijk zien en erkennen.?

Vergeet echter niet, dat de Bruidegom een liefde en erkenning die om tekenen vraagt, onwaard is.

Dáárom zegt Hij: Laat haar, de Sulamith, rusten tot zólang tot het haar lust om zich te vertonen, om zich te openbaren als de uitverkoren Bruid.

Omdat de Sulamith de Bruidegom eert als haar Heer, daarom wordt zij wederom door Hem geëerd. 1Samuel 2:30b.

Vers 6:

“Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook en met allerlei poeder des kruideniers?”.

De Sulamith trekt, evenals Israël jaren tevoren, door de woestijn om zó in de beloofde erve te komen.

Als rookpilaren, omgord met mirre en wierook en ander reukwerk, kunstig toebereid.

In Galaten 2:9, zijn Jacobus, Kefas en Johannes voorgesteld als zijnde pilaren.

Rookpilaren, of rook als pilaren opstijgende, wordt voortgebracht uit het wierookvat. vergelijk: Exodus 30:1-7; en de verzen 34-37; Psalm 141:2; Openbaring 5:8; Openbaring 8:3.

Israël werd in de woestijn des daags door een wolkkolom, pilaar, en des nachts door een vuurkolom, pilaar, geleid.

Deze typen, waardoor Israëls eredienst bekend werd, waren door de Here God gegeven als bewijs dat de eredienst van Israël een eredienst was die door de Here God verordend was.

De Heere Jezus gaf aan Zijn gemeente een viervoudige bediening ; en, dit moet een ieder die de Schrift leest, toch wel in het oog vallen.

Deze bedieningen zijn voor de Bruid aangenaam en voor haar als een liefelijke reuk. Maleachi 1:11.

Kent gij, waarde lezer/es, dit wierookvat, ofwel het reukwerk van deze vier ambten in gebed en prediking.?

Kent gij de olie van de Heilige Geest, waarmede de Bruidegom gezalfd is.?

Die wierookgeuren die zo uit het wierookvat omhoog stijgen, zijn berookt met mirre, bitter, want ach, hóe worden de pilaren waarvan de rook opstijgt, veroordeeld en miskent.

In 1 Timotheus 2:1,enz., lezen wij, hóe er gebeden moet worden.

Vanuit de woestijn komt de Sulamith op als rookpilaren, gedragen door de vier pilaren ofwel de vier bedieningen. Cfr.Exodus 36:36; en Exodus 26:32.

Naar het oordeel van de Here Jezus is de Christenheid geen hof maar een dorre woestijn.

Is nu de Sulamith de lelie of roos, de olie die daaruit geperst wordt heeft een welriekende reuk.

De Here Jezus prijst haar door profetie en gezichten, hetgeen voor de miskende tot troost is, want, niet hij die zich zélf prijst, maar hij, die door de Heer geprezen wordt, is beproefd.

Zo óók de gemeenten, die door profetie door de Heer geprezen worden, zijn beproefd. 2 Korinthe 10:10,11,18.

Vers 7:

“Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israël.”

Het bed van Salomo is de plaats waar Salomo met Zijn uitverkorene rust.

Dit bed is het beeld van de rust welke Christus Zijn Bruid toebereid heeft.

In Hebreeën 4 wordt hierover zeer schoon en treffend gesproken. De werken Gods waren vanaf de grondlegging der wereld af, al volbracht, dat wil zeggen, de schepping, door God en uit God voortgebracht, was erop aangelegd om de mens te ontvangen. In hem, de mens, kwam de schepping tot haar slotsom.De Goddelijke arbeidsweek verdeelt zich in twéé helften die beiden even lang zijn. In deze beide helften is een vaste gang merkbaar: die van het onbezielde naar het bezielde.

Genesis 2:1: ”Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al haar heir.”

Alles was dus ingericht om de mens te kunnen ontvangen. Toen de mens, als de kroon der schepping, uit de handen van Zijn Maker kwam, kwam hij in de rust. De Here God rustte op de zevende dag van al Zijn werken,welke God geschapen had om te volmaken.

Van de eerste tot en met de zesde dag lezen wij telkens: ”Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest,” en zo over de eerste, de tweede, de derde dag, enz.

Van de zevende dag lezen wij niet: ”Toen was het avond en morgen geweest, de zevende dag.”

Waaróm niet.?

Omdat de Sabbath de rust niet mocht ophouden. (het woordje “rust”, komt van de vrouwelijk vorm van het woord “zeven”.)

De mens was dus in de rust, en, door te zijn wat hij was, bleef hij in de rust; maar door wat anders te worden kwam hij in de onrust.

Zijn bebouwen en bewaren van de Hof was rust; want het was de genieting van de werken Gods. De mens is begonnen om iets te doen en kwam daardoor in de onrust; de Sabbath hield op en de rust had een einde genomen.

Met de verkiezing van Israël heeft de Here God bewezen dat Zijn doel toch hetzelfde bleef, en, dáárom stelde de Heer de Sabbath als een Verbondsteken aan dat volk en beloofde aan dat volk dat Hij het in de rust, Kanaan, zou brengen.

Doch dit woord der prediking deed Israël geen nut omdat het met het geloof niet gemengd was in diegenen die het hoorden; dáárom kwamen zij niet in de rust.

Kanaan was voor Israël slechts de terugwijzing naar het verleden, de rust Gods, én de aanwijzing van een betere rust. Dáárom was de Sabbath een verbondsteken.

Zou de mens echter weer rusten, dan moest eerst al het werk gedaan worden en dáárom is er een andere dag bepaald door David, die dit gesproken heeft, lang nadat er gezegd is: ”Alzo zijn volbracht, en God rustte op de zevende dag”

Die dag is ”heden”. Voor de mens bestaat eigenlijk geen heden, hij is de voorbijgaande ; het heden is dáár, ....én verdwenen.

Elk ogenblik búiten de rust is verloren. In God alleen is het ”heden”. Jehova is de alleen zijnde.

De Here God heeft die andere dag bepaald, die aangebroken is omdat de Zoon van God op de werken des Vaders is ingegaan en alles volbracht heeft.

Nú is het wéér Sabbath, de rust is hergeven, een rust voor het volk van God. Deze rust nu is het bed waarvan gesproken wordt.

Heden dus, indien gij Zijn stem hoort, ga in tot de rust, verhard u niet.

Hoe bewonderenswaardig is de wijsheid Gods. Dit bed is een sponde. een troonzetel die door velen gedragen wordt.

Bij de Bruiloft des Lams, zal de Sulamith, geboren uit de Christelijke Kerk, als de eerstelinge, evenals Christus de Eersteling is, als de Kroon en Bruid van het Lam, schitteren.

Dán zal zij mét de geestelijke Salomo het jubelfeest in de Hemel vieren, en, op aarde in het Rijk der Heerlijkheid.

De wáre Salomo ontvangt een kroon: dat wil zeggen: de ondertrouwde Sulamith, door de moeder, de christelijke Kerk, gebaard. De bijeenvergaderde uitverrkorenen zijn de kinderen Sions, het wáre Israël, de Sulamith.

Op de dag van de ondertrouw rust de Bruidegom met Zijn Bruid in de troonzetel.

In Spreuken 17:6, worden de kindskinderen de kroon der ouden genoemd, en, in Spreuken 12:4 heet een kloeke huisvrouw de kroon haars Heren.

In Jesaja 62:3 heet de wáre Kerk van Christus: een sierlijke kroon in de hand des Heren, een koninklijke hoed in de hand haars Gods.

Volgens vers 6, komt de Sulamith op vanuit de woestijn.

Dit beeld herinnert ons aan Israël, worstelaar met God en mensen.

Deze begeert om de ontvangen beloften vervuld te zien.

Het Israelitische volk had van de Here God de aanwijzing ontvangen hoe Hij gediend en geëerd wilde zijn, want Hij sprak tot Mozes: ”Zij zullen Mij een Heiligdom maken dat Ik onder hen wonen”.Exodus 25:8.

[En, met dit door God gegeven bevel, was de grond gelegd voor de gehele orde van de Godsverering. Ook de grondwaarheid van het gehele raadsbesluit der verlossing, is daarin gegeven, in haar aanvang, in haar midden en in haar voleinding. Want Hij, de levende God, is de Alfa en de Omega, degene in wien alles gezegd is; het begin en het einde, de aanvanger maar ook de voltooien; de eerste en de laatste die het dus aan de mens niet vrijlaat om er van te maken wat de mens zelf goeddunkt, zoals over het algemeen gedacht wordt. Men denkt: wij kunnen God dienen zoals wij willen en dat moet de goede God maar voor lief nemen. Zou dat nu waar zijn.?? Is het een wonder, dat vele mensen de Bijbel niet meer geloven. God is een jaloers God want Hij zal Zijn eer aan geen ander geven.]

In deze eredienst vond de opgejaagde ziel niet alleen vergeving van zonden, maar ook de levende God. In ieder mens leeft de behoefte om twee zaken te hebben, en wel: verbonden te zijn aan een liefhebbend hart, en verenigd te wezen met God de Heer.

Wanneer nu deze twee zaken verwezenlijkt worden, dan geeft dat aan de mens rust en vrede.

De Sulamith heeft de eredienst die zij van de geestelijke Salomo heeft verkregen.

Het Israël naar den vleze zag in zijn optrekken door de woestijn vanuit de Tabernakel rookpilaren opstijgen van het Altaar dat aan de ingang van de Voorhof stond.

Op dat altaar brandde dag en nacht het vuur; daarop werden de offers ter verzoening gebracht opdat het volk vrede bij God zou hebben.

Maar, om de zielsrust te hebben, was de gehele Tabernakel van node. De inrichting van de Tabernakel was een afbeelding van die tegenwoordige tijd, Hebreeën 9:9, totdat een betere en volmaaktere tijd gekomen zou zijn.

Van deze betere tijd was de eerste Tabernakel een afbeelding.

In de Voorhof stonden 60 pilaren waardoor er een ruimte afgepaald werd van 100 ellen lang en 50 ellen breed.

Daar omheen hing een voorhang van witte bewerkte stof, die geweven was van draden die elk van zes draden waren getweernd. Het gehele heiligdom werd daardoor dus afgepaald.

Het bed van de geestelijke Salomo is de Voorhof, het Heilige en het Heilige der Heiligen. Dit geheel is omringd door 60 pilaren.

Door deze pilaren worden de Evangelisten afgebeeld die, buiten onder de heidenen , de joden of de christenen, arbeiden.

Er zijn twaalf stammen en iedere stam moet vijf van zulke pilaren hebben.

Het gehele Evangelistenwerk draagt het witte doek, dat een ieder moet zien.

Wit is de kleur van de gerechtigheid, en, iedere zondaar, die zielsrust begeert, moet binnen die omheining in de Voorhof treden om bij het altaar, de verdiensten van Christus, te komen, en tot besprenging des bloeds en de afwassing van de zonde.

Vers 8:
“Die altemaal zwaarden houden, gereed ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, vanwege de schrik des nachts”

Deze zestig zijn dus helden die geoefend zijn voor de oorlog, altemaal zwaarden houdende.

Dit zwaard is het Woord Gods, het tweesnijdend scherp zwaard. Jesaja 49:2; Hebreeën 4:12; Openbaring 2:12,16; Efeze 6:17.

Rondom de Tabernakel was het uitverkoren volk in vier afdelingen gelegerd; telkens drie stammen onder één banier, met het aangezicht gericht naar het witte doek waarachter het Heilige der Heiligen lag.

Juda, Issaschar en Zebulon gingen vooraan en waren tegen het Oosten van de Tabernakel gelegerd. De banier waaronder zij zich schaarden, vertoonde een Leeuw.

Tegen het Zuiden waren gelegerd: Ruben, Simeon en Gad, die een mensengestalte in de banier voerden.

Tegen het Westen waren gelegerd: Efraïm, Manasse en Benjamin, die een rund in de banier voerden.

Tegen het Noorden waren gelegerd: Dan, Aser en Naftalie, die een vliegende adelaar in de banier voerden.

Door deze legering werd het volk er steeds aan herinnert: Wij zijn verbonden aan God de Heer, wij behoren aan Hem en ook aan elkander toe.

Waar het hart in de ware eredienst rust, daar houdt het zoeken en het gejaagd zijn op want daar geniet men rust en vrede en smaakt men het vette van des Heren Huis en is dronken van liefde. Psalm 36:2.

Laten wij nu nog een ogenblik aan de Tabernakel wijden.

De ingang tot het Heilige werd afgesloten door een voorhang van witte stof, waarin purper, hemelsblauw en karmozijn.

Deze voorhang hing over vijf pilaren, wier kapitelen van goud en waarvan de voeten van koper waren.

Als wij nu moeten geloven dat Mozes dit alles moest maken volgens de afbeelding die aan hem op de berg werd getoond, dan moeten wij ook geloven dat hier in niets toevalligs of willekeurigs is.

De vijf pilaren voor het Heilige zijn wederom de beelden van ambten, die aan de gemeente zijn gegeven.

Het Heilige was een vierkant, doch langwerpig, dus, geen volkomen vierkant.

Zo is ook de gemeente hier op aarde niet volkomen en dáárom zijn er vijf ambten in de gemeente. Vergelijk Efeze 4:11.

Het getal vijf vertegenwoordigd de voortgang. Het is het getal van de onvolkomenheid, bestaande uit het volkomen drietal met het onvolkomen tweetal. Dít moet wel in het oog worden gehouden want anders zou men kunnen denken dat er hier een tegenstrijdigheid gezegd wordt. Deze lost zich echter gemakkelijk op wanneer men het Heiligdom maar voor ogen houdt.

De voeten van de kapitelen waren van goud.

Wat zij doen, waar zij heenwijzen en waartoe zij gegeven zijn, is zuivere waarheid: goud is het beeld van de waarheid.

Wát moet er van hen uitgaan.?

Dit wordt door de kleuren aangewezen; want ook deze kleuren waren niet willekeurig aanwezig.

Vier kleuren werden er door deze vijf pilaren gedragen.

Wit

Deze reinheid mist de mens, maar de Here God geeft haar.

De hyacint, het donkerblauw, is de kleur des hemels en verzinnelijkt de oorsprong van de hemelse gezindheid.

De mens is tot het aardse geneigd, en, geeft de mens aan die neiging toe dan wordt hij een slaaf van de aarde en het aardse. Hij voelt zich gebonden, niettegenstaande is er in hem de trek naar grootheid, naar heerschappij te bespeuren. Hij vindt dit echter niet beneden, want beneden wordt die behoefte niet bevredigd; deze bevrediging kan alleen door de Here God gegeven worden.

Het purperrood is de uitdrukking van Koninklijke heerlijkheid en majesteit.

Daarvoor is de mens bestemd, en, wanneer de mens dat verlangt, dan moet hij zichzelf verliezen, zijn leven verliezen en de levenskracht die van het Heiligdom uitgaat, aanvaarden.

Het karmozijn of lichtrood is het beeld van het leven, de kleur van het bloed en wijst aan, dat, in het ten offer brengen van het leven, van het heiligdom levenskracht uitgaat. Cfr.Exodus 37:38.

De ingang van het Heilige der Heiligen werd afgesloten door een voorhang van dezelfde stof, waarop Cherubim waren afgebeeld, over vier pilaren, wier voeten van zilver en wier kapitelen van goud waren.

Het Heilige der Heiligen was van een volmaakte vorm, de Kubus, waarin alle vormen besloten zijn; en dáárom waren daar dan ook slechts vier pilaren.

De mens is bestemd ter bijwoning Gods, waarvoor de Cherubim de verzinnelijkte uitdrukking is.

Doch, zolang de gemeente niet voor des Vaders troon is, en, als het Nieuwe Jeruzalem, in een zuiver vierkant zal liggen, zullen de voeten van de pilaren niet van zilver zijn.

Maar dáár wél.! Zilver, of liefde zal het wezen wat de verheerlijkte Gemeente in de bijwoning Gods zal vervullen tot vertroosting en redding van de op de aarde achtergeblevenen.

Ook herinnert de Cherub aan de openbaring van de heerlijkheid Gods die aldaar, in het Heilige der Heiligen geopenbaard werd in een wolk, en óók hier beneden in de gemeente, maar in een wolk gezien wordt, dat wil zeggen in en door de wolk der getuigen, maar straks in volle luister geopenbaard wordt.

Dán zal het alles goud, waarheid; en zilver, liefde; zijn. Vergelijk Exodus 37:36 en Micha 4:1-5-.

Vers 9:

“De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van de Libanon.”

Een koets, eigenlijk: een draagzetel.

Libanon betekent blinkend wit. Op de Libanon groeiden de cederen, en, het hout van de Libanon is dus cederhout.

De ceder is het beeld van het koningschap; het is dus een koninklijke draagzetel.

Dit moet men de geestelijke Salomo wel ten goede houden, dat Hij een koets heeft die de waardigheid van de Zijnen uitdrukt.

Vers 10:

“De pilaren derzelve maakte Hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreidt met de liefde van de dochteren Jeruzalems.”

De troon, een koninklijke troon.

De pilaren waren van zilver, dat wil zeggen, de zuilen waarop het gehemelte van de draagzetel rustte.

De pilaren van het Heilige der Heilige hadden zilveren voeten, maar deze pilaren zijn geheel van zilver, dat wil zeggen: volmaakte liefde.

De ambten van de gemeente zullen straks volmaakt in liefde zijn en onfeilbaar; hier op aarde is alle nog altijd gebrekkig en onvolmaakt.

De vloer van goud, het beeld van de waarheid.

Hier brengt Hij Zijn Bruid in het Rijk der waarheid en straks zal het alleen maar waarheid, de onfeilbare waarheid zijn.

Haar gehemelte van purper, het beeld van het Koninklijk Priesterdom. 1 Petrus 2:9.

Het binnenste is bespreid met de liefde van de dochteren Jeruzalems; de dochteren van Jeruzalem zijn vredemaaksters; hun liefde vervuld het binnenste geheel en al, alsof zij elkaar de eer benijden om in die draagzetel aan de zijde van de Koning te zitten.

En zó vervult hun liefde deze zetel geheel en al; echter, díe plaats is alléén voor de Sulamith.

Vers 11:

“Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren van Sion.!, de Koning Salomo, met de kroon waarmede Zijn moeder Hem kroonde op de dag Zijner bruiloft en op de dag der vreugde Zijns harten.”.

Zó zullen de dochteren van Sion de geestelijke Salomo zien.

De moeder van Salomo heette Bathseba, dochter des eeds.

Toen Adonia stiekem het Koninkrijk wilde bemachtigen, toen ging Bathseba, op aanraden van Nathan, naar de koning David en herinnerde hem aan de eed die hij aan haar gezworen had dat háár zoon, Salomo, de troon van Israël zou erven.

De moeder van Salomo is de dochter des eeds, ofwel zij die zich aan de eed houdt, en zorgt dus dat Salomo het Rijk als troonopvolger erft. God de Heer is het, Die die beloften gaf.

De moeder, dat wil zeggen: het oude verbondsvolk heeft zich aan de eden gehouden en toen de geestelijke Salomo kwam, heeft deze het Rijk aanvaard.

Straks zal het Nieuwe Jeruzalem nederdalen vanuit de Hemel; in het aardse Heiligdom was het Heilige der Heiligen alleen maar de voorafschaduwing van het volmaakte; maar dat Jeruzalem dat apostel Johannes vanuit de Hemel zag nederdalen, dat zal volmaakt zijn.

De stad lag vierkant, zo zegt de ziener van Patmos, en, haar lengte was zo groot als haar breedte en hoogte.

Dit is de kroon van de geestelijke Salomo, waartoe het Oude Verbond voorbereidend werkte; want Johannes zag dit nieuwe Jeruzalem, toebereid als een Bruid die voor haar man versierd is. Openbaring 21.

Vervolg: aflevering 4a