Het Hooglied

Hoofdstuk III.A.

Gevonden, doch weer verloren en hervonden:

In de voorgaande hoofdstukken zijn de ondervindingen van de Sulamith geschilderd. Deze hadden echter voor haar andere vruchten moeten opleveren dan hier aan ons te genieten worden gegeven.

Nadat zij, de zoekende Sulamith, haar geliefde gevonden had, verloor zij Hem weer. Dit wordt door de Sulamith zélf op de volgende wijze aan ons medegedeeld:

Vers 1:

"Ik zocht des nachts op mijn leger, hem, die mijn ziel liefheeft; ik zocht em, maar ik vond hem niet".

Zij zocht Hem op haar leger, bed, zij dacht naast- en bij Hem te rusten, maar Hij was er niet.

Het bed is de rustplaats voor het vermoeide lichaam.

De inzettingen des Heren die Hij aan Zijn gemeente gaf, zijn het bed, zoals Hij dat vóór achttien eeuwen voor haar spreidde, en in de laatste tijd genadiglijk weder aan Zijn Bruid teruggeeft.

De Sulamith spreekt hier echter van mijn bed. Dit was dus niet het leger, bed, dat door de Heer als rustplaats was gegeven.

Zij leefde niet in des Heren inzettingen en Zijn rechten had zij niet onderhouden. Zó doet de naar waarheid zoekende ziel en gemeente. Wanneer zij slechts enkele zaken als heilsgoederen gevonden heeft, dan legt zij zich daarop neder en meent dan dat zij voldoende rust en bedekking heeft.

Niettegenstaande dat, wordt de ervaring opgedaan die de profeet Jesaja, in het 28e hoofdstuk, vers 20, ons doet horen: "Want het bed zal korter zijn dan dat men zich daarop zoude kunnen uitstrekken, en het deksel zal te smal wezen als men zich daaronder voegt".

Men is voldaan en meent: Wij hebben Jezus gevonden en kennen Hem, zoals de gelovigen van de eerste tijd Hem hadden gevonden en leerden kennen; nú kunnen wij rustig en zalig zijn; nú kunnen wij in vrede nederliggen.

Máár, wanneer men vraagt: "Woont de Here God dan wérkelijk onder ulieden; is Hij, dien gij zegt lief te hebben, wérkelijk bij u en in u en zijn het Zijn inzettingen die gehouden worden.?"; dán begint men te zoeken, en, wil men dan eerlijk zijn, dan zal rondweg deze belijdenis moeten volgen: "ons bed is een zelfgemaakt bed, en dat is te kort en het deksel is te smal".

Zo meent de één dat zij álles hebben in de Doop, en de ánder dat hij alles heeft in het leerstuk van de Verkiezing, en, weer anderen in de ruime prediking van Gods liefde over allen.

Zo heeft ieder een stuk en houdt dan dat stuk voor de gehele legerplaats van Gods Heiligen.

Máár, het zijn bedden die te kort, en deksels die te smal zijn.

((Deze dingen worden niet gezegd om te veroordelen, maar om de waarheid te doen uitkomen. De goedwillende lezer vergelijkt de bestaande toestanden in de Christelijke Kerk, met de hierboven genoemde zaken. Is het dan niet om te huilen van weemoed en van smart, over de versnippering waardoor de christelijke kerk zelf zeer gemakkelijk een prooi wordt voor het anti- christendom, met zijn inzettingen en inrichtingen waarin men tenslotte tegen wil en dank vervalt, wel niet om gewillig mee te doen, maar om onwillig de vrucht van het eigen zaad te oogsten.))

Wanneer nu iemand zegt: "Wij hebben alle gaven en bedieningen", vraag dan eens aan hem of haar: "leid mij eens rond bij uw bedieningen en laat mij toch eens iets van uw geestelijke gaven smaken."

Bijvoorbeeld: "Breng mij eens bij uw apostel, of naar één van uw profeten, enz." dan zal zo iemand zeggen: "Bedoeld gij de levende personen? Die kunnen wij u niet aawijzen want die waren slechts voor de eersten tijd, maar zij leven onder ons voort door het woord dat zij spraken, en door hun arbeid, die zij deden."

Weer een ander zal zeggen: "wel alle gaven zijn in de gemeente vertegenwoordigd, de een heeft de gave en het karakter van een Apostel, en de ander die van profeet, en weer een ander van een Evangelist en een ander van een Herder en Leraar."

[[ men doet dezulken de beste eer aan, als men hen maar niet wijst op hetgeen de Apostel Paulus aan de Korinthieërs schreef; vergelijk 1 Korinthe 9:2,3,; 2 Korinthe 3:1-3, alsmede dat wat er geschreven staat in Handelingen 15:32,33]]

Voor achttien eeuwen geleden zou men u bijvoorbeeld naar Petrus gebracht hebben en gezegd: Deze is de Apostel des Heren Jezus die onder ons arbeid; of naar apostel Paulus, en die zou u verzekerd hebben: "ik ben niet geroepen van mensen, noch door een mens, maar door de Here Jezus Christus".

"Ja, maar Paulus, dat kan een ander ook wel zeggen; ik geloof wel dat er apostelen zijn, maar of gij er wel een zijt, ziet, dat is de vraag".

"Welnu, zou Paulus geantwoord hebben: leest dan mijn brief, lees dan het zegel van mijn apostelschap. Als gij onderzoek naar mij wilt doen, dan is dát mijn verantwoording."

Paulus kon niet met de Heilige Geest dopen, zomin als ook maar éen enkel sterfelijk mens. Dat kan alleen de Here Jezus. Hij is de Doper met vuur, geen mens.

Maar, wanneer nu de apostel Paulus aan de Korinthieers vraagt:"Waarin zijt gij minder geweest dan de andere gemeenten.?"

Dan doet hij dat ten opzichte van zijn ambt. vergelijk 2 Korinthe 12:11-13.

Had de Korintische gemeente dan geen overvloed van geestelijke gaven, zodat de apostel daarover zelfs onderwijs moest geven omdat men er te veel in zocht.?

Wie had aan hun dan die gaven geschonken.?

Paulus? Nee toch.!

Wie kan nu de geestelijke gaven geven.?

Maar, mág Paulus dan wel roemen dat hij in geen ding minder is geweest dan de uitnemendste apostel.?

"Hoewel" zo zegt hij, "ik niets ben".

Had de Here Jezus het niet door hem gedaan.?

En zó was de gemeente Paulus' brief, en de gemeente een brief van Christus, geschreven, niet met inkt maar door de Geest van de levende God.

Men zou u ook gebracht hebben naar Judas en Silas en gezegd hebben: "dezen zijn onze profeten, die onder ons de wil van God, tot stichting, tot vermaning en vertroosting, verkondigen".

Of naar een Agabus, deze heeft door de Geest te kennen gegeven dat er een grote hongersnood zou zijn, opdat de gemeente zou weten wat haar roeping was. vergelijk Handelingen 11:27-30, met Amos 3:7 en ook Genesis 18:17-19.

Men zou u gebracht hebben naar het huis van Filippus, de Evangelist, en gezegd hebben:" ziedaar, vier zusters die profeteren".

Maar waarlijk, men kan menen dat men de zielsrust gevonden heeft in het eigen opgemaakte bed, echter, indien men het ernstiger wil opvatten, dan zal men moeten toegeven: wij hebben Hem, die onze ziel liefheeft, niet zoals wij dat begeren en zoals wij van Hem lezen in de Schriften, dat Hij Zich openbaren wil en zoals Hij Zich voor achttien eeuwen in de gemeente openbaarde.

Vers 2:

Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten: "ik zal Hem zoeken dien mijne ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet."

De wachters die in de stad omgingen vonden mij; ik zeide: Hebt gij dien gevonden die mijn ziel liefheeft.?

De stad is hier het beeld van de Christelijke Kerk. vergelijk Openbaring 11:8,11).

De wachters in deze stad zijn de dienaren die zich dienaren van Christus noemen. Zij geven echter aan de zoekende geen antwoord; misschien denken zij: "gij zijt een hoogmoedig, een eigengereid schepsel; loop maar heen en zoek verder."

Hoe dwaas doet de Sulamith toch; waarom gaat zij niet terug naar de eerste gemeente om daar te zien hoe Hij, dien haar ziel liefheeft, te vinden is.

Maar dát doet zij niet. Nu zij echter haar leger heeft verlaten, gaat zij verder, en:

Vers 4:

"Toen ik een weinig van hen weggegaan was, vond ik Hem, dien mijne ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan totdat ik Hem in mijns moeders huis gebracht had, in de binnenkamer van degene die mij gebaard heeft."

Op haar zoektocht heeft zij haar Geliefde weder weergevonden.

Hóe zij Hem vindt.??

In Zijn ambten, in Zijn Evangelisten- of Apostelambt, ontmoet zij Hem.

Zij is verblijdt en zij laat Hem niet gaan totdat zij Hem in haar moeders huis gebracht heeft. Dit is dus geen onkuise minnehandel die hier aan ons beschreven wordt.

De vermelding van het moederlijke huis, is voldoende bewijs dat dit zoeken van de Sulamith een eerbaar zoeken is.

In het binnenste vertrek, waar onder het toeziende moederlijke oog de eer van de beide gelieven veilig is en daardoor volkomen gerechtvaardigd wordt.

De moeder is de gemeente zoals zij vóór achttien eeuwen was, volgens de ordeningen en de leer der Apostelen; het huis van haar moeder zijn de inzettingen die door de Here Jezus aan Zijn gemeente zijn gegeven.

De Sulamith vond dus de bedieningen weer, zoals die in de gemeente behoren te zijn. In dit huis van haar moeder worden, door de Doop met Water en de Doop met de Heilige Geest en met vuur, de kinderen geteeld.

Deze inzettingen zijn de middelen tot geboorte, die door de levende ambten en bedieningen van de Here Jezus worden toegediend.

vervolg van dit hoofdstuk in Hooglied 3B.

Vervolg: aflevering 3b