Vers 1:
Ik ben een roos van Saron, een lelie der dalen.
Saron betekent: ruimzicht.
Dit was een uitgestrektheid van dalen in de nabijheid van de Thabor, toebehorende aan het huis van David, waar zijn vee in vette weilanden weidde.
In die vette grond groeiden tussen het gras doornen, waaraan rozen groeiden.Ook vond men daar de witte liefelijke lelie, die alzo prijsgegeven was aan het weidende, grazende, vee.
Volgens Jesaja 40, en 1 Petrus 1:24, is gras het beeld van het mindere volk, mensen, die minder begaafd waren dan anderen.
Ossen en koeien daarentegen zijn de typen van hooggeplaatsten, van dienaren in Kerk en Staat. Vergelijk Psalm 22:12-14.
Dalen, vooral hier, zijn het beeld van kerkafdelingen.
In deze dalen nu, zijn de zoekende zielen prijsgegeven aan de ossen, het beeld van hoofdbedienaren, en aan de koeien, het beeld van ondergeschikte dienaren, en worden door dezen onder de voeten vertreden.
Dit te ondervinden, is een pressing waardoor er een lijden ontstaat, uit hetwelk geklaagd wordt er aan overgegeven te zijn.
Geroepen te zijn door de geestelijke Salomo, om zijn uitverkoren bloem, Zijn lievelingsbloem te zijn, is deze ondervinding, om als een roos of lelie door de medogenloze voet van het weidende veer vertrapt te worden, te meer grievend en pijnlijk.
Hóe hoog begenadigd zij ook is, dit is toch een diepe vernedering voor haar.
Zij, de uitverkoren bloem, als een roos onder de doornen. Zij, de énige onder de dochteren, de uitverkorene, om de Bruid te zijn van de geestelijke Salomo. Dat doet haar het lijden dragen en dat geeft haar temidden van haar lijden, vrolijkheid en blijdschap.
Máár, is, wanneer zij zegt: Ik ben, dan geen vermetele, hooghartige inbeelding.?
Welk een zielekracht ligt er in deze enkele uitdrukking. Kan het ook zijn, dat zij zichzelf met valse overleggingen bedriegt.?
Neen, toch, want de geestelijke Salomo zegt van haar in:
Vers 2:
Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is mijn vriendin onder de dochteren.
De dochteren zijn hier genomen als diegenen die niet de Bruid zijn. Zulk een verzameling van gelovigen wordt hier een doornbos genoemd.
Welk een oordeel. Maar, dit oordeel is van Hem, Die niet oordeelt naar het aanzien, maar Die een rechtvaardig oordeel uitspreekt. Cfr. Richteren 9:6-16; Prediker 7:6,7; Spreuken 26:9; Micha 7:4; Hosea 2:5.
In de Heer te geloven zoals Hij wil, dat maakt de gelovige reeds een roos, een lelie.
Een verzameling van de zodanigen is een roos onder de doornen, in tegenoverstelling met anderen. Om nu zulk een bloem uit het midden van de doornen te verwijderen, is moeilijk, en daarbij blijft de verwonding niet uit.
Salomo, de Heer Jezus, kent dus de positie van Zijn lievelingsbloem temidden van de doornen. CfrHosea. 14:6; en Mattheus 6:28.
In het Oosten is de roos het teken van liefde.
De witte lelie is het beeld van de gerechtigheid, geopenbaard door een heilige in het oog vallende onderhouding van des Heren inzettingen.
Zij heeft zes bladeren; de verdrukking in deze vernedering, Saron, duurt kort. De geur van de roos en de lelie is verkwikkend en hun oliën zijn versterkend.
Het zaad van de bloemen is goudgeel, het beeld van de zich voortplantende hemelse waarheid; want, zij moet woekeren en zich voortplanten in deze Saron, zij het dan ook ónder de doornen.
In dit beeld van de roos is er voor de lijdende en strijdende Sulamith veel troost en versterking. Op de lofprijzing van haar Bruidegom kan de Sulamith evenwel niet zwijgen.
Vers 3a:
Tegenover de bomen van het woud, noemt zij Hem: "een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn liefste onder de zonen.
Het is niet de gewone appelboom die hier bedoeld wordt, maar de oranjeboom of citroenboom.
De stam van deze boom is niet mooi, niet zuiver, en daarom moet de eer van de vergelijking in iets anders dan in schoonheid gezocht worden.
Bomen in het algemeen, zijn het beeld van bedieningen; vergelijk 1 Koningen 6:32,33; Jeremia 18:19b; Ezechieël 17:24; Daniel 4:20-22.
Hier in het bijzonder het beeld van de bedieningen van de Here Jezus.
Vers 3b:
Ik heb grote lust in zijn schaduw, en zit er onder en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.
Om de schaduw van de boom, en de vruchten, is de vergelijking zo schoon; de schaduw is beschermend tegen de hitte en de vruchten zijn verkwikkend en lessen de dorst.
Onder de schaduw van de appelboom, het beeld van de bedieningen, ligt de Sulamith en geniet van de geestelijke zielsrust, terwijl de vruchten die door deze bedieningen tot haar komen, aan haar gehemelte zoet zijn, dat wil zeggen, zij geniet van de weldaden die aan haar toegediend worden door de bedienaren van de Heer Jezus.
Máár, zij heeft nóg méér te roemen want haar Bruidegom is de geestelijke wijnstok. De kinderen des huizes genieten de lekkernijen.
Vers 4a:
Alzo roemt de Sulamith: Hij voert mij in het wijnhuis.
Dáár wordt door haar een volle vreugde genoten.; deze vreugde komt tot haar in de prediking en de profetie en zó wordt zij gesticht, vertroost, vermaand, zodat zij kan zeggen:
Vers 4b:
De liefde is Zijn banier over mij. 1 Korinthe 14:22b.
Een andere banier begeert zij niet en een andere legerplaats zou zij zich niet wensen.Toen zij eertijds onder een andere banier legerde, toen moest zij ook ervaren dat de vreugde ontbrak.
Maar in het wijnhuis, Psalm 36:9, is zij tot overlopens toe vol, en dronken van liefde. Het is haar te moede, of zij reeds dáár is, waar zij wenst te zijn. Maar, zij erkent dat zij de gehele volheid nog niet kan bevatten, en, uit bezorgdheid dat die edele genietingen verloren gaan, begeert zij:
Vers 5:
Ondersteunt gijlieden mij met de flessen.
Zij begeert dit, opdat die flessen dat edele vocht mogen opvangen en dit zal tot haar ondersteuning zijn, want anders zou zij er als het ware onder bezwijken.
Zij wil mededelen aan anderen want zij weet, dat gedeelde vreugde dubbele vreugde is.
Deze flessen hebben daaraan behoefte. Crf.Klaagliederen 4:2.
Zij begeert ledige flessen, de zodanigen, die wederom mededelers en uitdelers kunnen zijn.
Zó schreef apostel Paulus aan Timotheus, die het werk van een Evangelist had te doen: En hetgeen gij van mij gehoord hebt, onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren. 2 Timotheus 2:2.-
Zij begeert dus dezulken die het Evangelistenwerk kunnen doen.
De prediking en de profetie, zoals bedoeld in de Heilige Schrift, is de wijn: Want de Here Jezus zeide: Wie u hoort, hoort Mij.
De getuigenis van Jezus Christus, is de geest der profetie. Vergelijk 1 Samuel 1:24; en 1 Samuel 10:3.
Ook is er in het zuchten van de Sulamith, en in haar begeerte naar de flessen, de behoefte om naar zuchtende zielen te zoeken.
Hetgeen dat aan haar versterkt, is ook tot genieting van anderen, want er is immers overvloed; krank is zij van de liefde. Waar zij zoveel geniet en voor anderen begeert, daar drukt zij haar genietingen uit in woorden die voor oningewijden moeilijk verstaanbaar zijn.
Vers 6:
Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en zijn rechterhand omhelze mij.
Op die linkerhand mag zij leunen; die rechterhand omhelst haar en trekt haar vriendelijk naar zich toe, en, zó rust zij aan de borst van haar beminde.
Wát is nu deze rechter- en linkerhand.?
De rechterhand is het beeld van macht en eer; want Hij, die door ons geëerd wordt plaatsen wij aan onze rechterhand. De rechterhand van de geestelijke Salomo, de Bruidegom, is Zijn ambt dat Hij in en door Apostelen bediend. In en door dit ambt, ofwel de rechterhand, zijn aan haar de gaven tot versiering gegeven die dienen tot haar leiding en bescherming.
Des Heren sterke rechterhand, doet door haar daan de wereld beven. Houdt door haar kracht, Gods volk in stand.
Zijn linkerhand is het profetenambt. In deze linkerhand zijn Zijn beloften, ja en amen.; dáárop mag zij leunen en haar hoofd op neerleggen, want zij zijn Gode tot heerlijkheid door haar.
((Er wordt dikwijls gezegd, dat men de Bijbel naar zich toe moet lezen. Kostelijk, maar, dan moet de lezer zichzelf wel kennen, om te weten, wat hij nodig heeft. Hóe zal ik nu weten of een woord van de Schrift voor mij is, waarop ik mij verlaten mag, indien het niet als tot mij gesproken, tot mij komt.? Dít nu is het wat de Heilige Geest doet, Die spreekt wat Hij in de Hemel hoort, en zo door profetie openbaart en bekend maakt datgene wat van node is. Zij, die dit niet willen erkennen , ontnemen de Heilige Geest Zijn werk en beginnen dat zélf te doen, maar, het is een onbestemd en onzeker werken zónder een degelijke ondergrond.))
Deze linkerhand heeft de Sulamith zo nodig voor haar zielerust, om niet ontbloot te zijn.
Zij is krank van de liefde, dat zij niet eerder dit heerlijke genot, deze zielsrust gezocht en gevonden heeft.
En ja, die smart is aan allen welbekend, die naar de Here Jezus zochten.
Allen hebben tot de Hemelse Bruidegom, Jezus Christus, gezegd: waarom heb ik toch niet vroeger gezocht en die hemelse zegeningen niet eerder gevonden?
Echter, een zodanige ontboezeming begeert de hemelse Salomo niet voor zich.
Vers 7:
De geestelijke Salomo bezweert de dochteren van Jeruzalem dat zij de liefde niet opwekken, of, in haar zielsrust niet mogen storen totdat het haar lust om te ontwaken teneinde de werken te werken van haar Bruidegom.
Terwijl zij ontwaakt, hoort zij de stem van haar Bruidegom, komende van de bergen en de heuvelen.
Vers 8:
Dat is de stem mijns liefsten; ziet hem, hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.
Bergen zijn het beeld van Rijken, of ook grote afdelingen van de christelijke Kerk.
Heuvelen zijn de kleinere
afdelingen.
Zij ziet hem, terwijl zij ontwaakt, vlug als een ree of een welp
der herten, vers 9a, die, wanneer zij vervolgd worden, vlieden, van
de ene berg op de andere berg of heuvel.
Zo ook Jezus, de Hemelse Bruidegom in Zijn ambten, het Apostel-en Evangelistenambt, buiten de eigenlijke kudde.
Hij sprak: vervolgen zij u in de ene stad, vlied in de andere.
De Sulamith of eerstelingsgemeente ziet Hem staan en zegt:
Vers 9b:
Ziet, Hij staat achter onze muur, kijkende uit de vensteren en blinkende uit de traliën
Deze muur en traliën, zijn wederom de beelden van Zijn bedieningen in de gemeente.
Ook wordt er het spreken tot anderen door te kennen gegeven door de mond van Apostelen en Evangelisten, dat zij toch deel zullen nemen aan de moeilijke arbeid.
Het is het roepen van de liefste:
Vers 10:
Sta op mijn vriendin, mijn schone, en kom.!.
Er is veel liefdewerk voor u te doen. Maar, laten wij nu eerst onderzoeken wát deze muur is.
Een muur sluit de gedachte in zich aan veiligheid, waardoor ook de vijand geweerd kan worden.
In Openbaring 21:12, zijn het de bedieningen die de muur en de poorten vormen van het geestelijke Jeruzalem, want, bij de komst van de hemelse Bruidegom, komt het vanuit de hemel op de aarde.
De geestelijke stad Jeruzalems is de Bruid des Lams.
In 1 Samuel 25:16, zijn het de krijgslieden van David die een muur zijn voor Nabals vrouw en huis, en, zó worden dus levende mensen als een muur voorgesteld.
In Spreuken 25:28, wordt een man die zijn geest niet wederhouden kan, genoemd: een opengebroken stad, zonder muur.
In Exodus 14:22, wordt het water voorgesteld als een muur, teneinde het Godsvolk beschut en beveiligd door de Jordaan te laten gaan.
De wijngaard des Heren is volgens Jesaja 5 omtuind met een muur. vergel Jesaja 26:1; Jesaja 49:16.
Volgens Ezechieël 22:30, kan één enkele man een muur zijn. Zo was Mozes, naar Psalm 106:23, een muur voor de kinderen Israëls.
Volgens Zacharia 2:4,5, wil de Here God Zélf door Zijn ambten een vurige muur zijn.
Achter zulk een muur ziet Hij door het venster wát en hóe de eerstelingsgemeente doet. Hij ziet door de gaven, vensters, van gezichten en doet Zijn stem horen in prediking en profetie.
Hij roept: Sta op mijn vriendin, mijn schone, en kom! Kom te voorschijn, kom tot openbaring en toont wie gij zijt.!
Vers 11:
Want ziet, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan.
De winter is de koude staat van het hart. Openbaring 3:15,16.
Ook die koude regens, vermengd met hagel, die vooral in het Oosten voorkomen, evenals bij ons als Maartse buiten, zijn voorbij.
Volgens Deuteronomium 32:2,3, wordt het gesproken woord vergeleken met de regen. Mozes zei: Mijne rede vloeie als een regen.
Het mensenwoord maakt de harten koud maar het Woord des Heren, gesproken door de gaven van de Heilige Geest, wekt leven en geestelijke wasdom.
Vers 12a:
De bloemen worden gezien in het land.
Het leven wordt openbaar. Het voorjaars-en het lenteleven, het leven van de eerste gemeente, het eerste leven van de gemeente, wordt gezien.
Bloemen zijn het beeld van begaafde gelovigen in Kerk en Staat.
Het is het schoonste, of ook het beste, het uitnemendste. Zo spreekt men ook van de bloem der Ridderschap; de bloem der helden; een bloemlezing van gedichten.
Die bloemen moet de Sulamith afsnijden en tot een boeket bijeen binden voor haar Bruidegom.
Vers 12b:
de zangtijd genaakt.
Dit is de tijd om Psalmen en lofliederen te zingen onder de eerstelingen, om deze te zingen tot verheerlijking van de Here God, gedreven door de Heilige Geest
Vers 12c:
de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.
Wíe zij nu die tortelduiven.?
In Jesaja 60:8, wordt gevraagd: Wie zijn dezen, die daar komen gevlogen als duiven tot hare traliën.?
En, in Jesaja 48:28, worden de inwoners van Moab opgewekt om de steenrotsen tot een woonplaats te verkiezen en als een duif te zijn die in de doorgangen van de mond eens hols, nestelt.
Enkele gelovige zielen kunnen als duiven zijn, her- en derwaarts zwevende zonder rust te vinden, gelijk als de duif van Noach die geen rust vond voor de holte haars voets.
De Sulamith is de vereniging van de gelovigen die rusten in de ordeningen des Heren, in wie de Heilige Geest woont als in Zijn éigen Tempel, en van waaruit Hij spreekt als de volmaakte duif.
Vers 13a:
de vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort.
In Mattheus 24:32, spreekt de Here Jezus over de vijgeboom. De vroege vijg werd voor de lekkerste gehouden. De Heiland wees er op, dat er gelet moest worden op het teder worden van de takken en het uitspruiten van de bladeren, als de aankondiging van de naderende zomer.
Vijgen hebben een genezende kracht, vergelijk Jesaja 38:21, en wezen vooral op het Evangelistenwerk naar buiten en naar binnen in de gemeente.
Toen het eerste mensenpaar gevallen was, Genesis 3:7, namen zij vijgebladeren en bedekten zich hiermede.
Toen door de geestelijke Salomo, Christus, de zondeval vernietigd werd, gaf Hij Evangelisten om herstelling, genezing en bedekking toe te dienen, geestelijk en lichamelijk. Openbaring 22:2.
Maar ook in onzen tijd zien wij in gelovigen de begeerte steeds meer levendig worden om het Evangelie te verkondigen. Vergelijk: Handelingen 2:41; Handelingen 3:1-26; Handelingen 6:8; Handelingen 8:1-17; Handelingen 9:17, enz..
Vers 13b:
De wijnstokken geven geur door hun jonge druifjes.
Zó wordt de Sulamith gewezen op de wijnstokken. De druifjes zijn nog jong en zijn nog niet rijp en nog niet eetbaar, dus nog niet wat zij moeten zijn. Niettemin geven ze een geur waardoor oude en jong vossen worden gelokt om voedsel in de wijngaard te zoeken.
Deze wijnstok is het beeld van Christus; Hij zei: Ik ben de ware wijnstok.
De jonge druifjes, de nog niet voldragen vrucht, is het beeld van de verordeningen in de bijzondere gemeenten.
Vers 13c:
sta op mijn vriendin, mijn schone en kom.!, zo klinkt wederom de uitnodiging aan de Sulamith.
Vers 14:
Mijn duive.!, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon mij uw gedaante, doe mij uw stem horen; want uw stem is zoet en uwe gedaante is liefelijk.
Kom als mijn duif uit de steenrotsen waarin gij u verborgen had, te voorschijn. Kom uit die hoge en steile plaats. Jezus Christus, de geestelijke Salomo, is, volgens Mattheus 16:18, in Zijn verlossingswerk de Rots, Petra.
Volgens 1 Petrus 2:4, is Hij de levende steen, door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar. Vergelijk hiermede Psalm 118:22; Jesaja 8:14; Jesaja 28:16.
Wie de Christus der Schriften belijdt evenals Petrus, die staat op de Rots.
Maar, deze Rots is gespleten. Exodus 17:6; Numeri 20:11; Psalm 78:15,16; Psalm 105:41; Jesaja 48:21; 1 Korinthe 10:4.
((de belangstellende lezer kan het niet genoeg worden aanbevolen om de verschillende teksten te lezen en met elkander te vergelijken, omdat men in vele opzichten van zo snel met iets anders tevreden is, dan met de Schrift zélf.))
Al deze genoemde Schriftplaatsen, wijzen op de gespleten rots. Er zijn scheuren en spleten in die rots ontstaan, dat wil zeggen, er zijn velerlei belijdenissen van Christus waarin en waarachter de zielen zich verschuilen.
Hun stemmen zijn echter wel waarneembaar want zij belijden de Here Jezus en geloven dat Hij Zijn Gemeente weder zal oprichten.
"Maar", zo zeggen zei, en, indien het niet gezegd wordt dan is het tóch de verwachting: Hij zal wel in onze rotskloven, dat wil zeggen, naar onze belijdenis doen".
"Want", zo zegt of denkt men, "wij kunnen ons niet zomaar nederlaten van zulk een steile plaats", niettegenstaande de stem des Heren zegt: kom te voorschijn.
"Maar", zeggen zij dan tegen die roepende stem die door Apostelen en Profeten tot hen komt: wij kunnen niet erkennen dat er anders geloofd moet worden, dan dat wij nu doen, dus, wij kunnen u niet volgen".
((De moeilijkste taak in dit opzicht, is het om eerlijk te zijn tegen zichzelf. Zodra er erkend wordt: wij zijn niet zó, zoals de Gemeente, de Sulamith, van vóór achttien eeuwen was en wij hebben niet wat zij wel had, en, met minder kan het toch niet toe., dán moet men doen, wat de Heer verlangt. Aan Hem onze gedaante tonen, en aan Hem onze stem, laten horen.))).
Zeg het eens: Ik zal komen uit mijn hoge en steile plaats en ik zal gaan werken in de wijngaard des Heren.
Vers 15:
Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes
Indien deze vossen niet gevangen worden, dan zullen wij geen wijnoogst hebben want zij zullen dat jonge leven schaden.
Indien wij nu dít beeld willen begrijpen, dan moeten wij eens lezen wat de Heer in Lukas 13:31,32 zegt van de koning Herodus.
De Farizeeën zeiden tot Hem: vertrek van hier, want Herodus wil u doden.
Hij antwoordde en zeide: Zegt dien vos, zie ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derde dage wordt ik voleindigd.
Deze zelfde Herodus had met zijn handlangers, jonge vossen, Johannes de Doper in de gevangenis gebracht en laten onthoofden. En, zó werd door hen het Getuigenis Gods aangetast en bespottelijk gemaakt.
In Ezechieël 5:17,18, wordt de berg Sion bespottelijk gemaakt door mensen die daar als vossen voorgestelde worden en zo dus vijanden van de wijnberg des Heren, ofwel van het volk Gods zijn.
In Ezechieël 13:4 worden valse profeten als vossen voorgesteld, die de vijand zijn van het volk des Heren en het woord der profetie vervalsen en twijfelachtig maken
In de Christelijke Kerk, zijn het de fantasten, de dichterlijke genieën, de sceptikers, de mediums, enz. die zeggen: wij zijn wat de profeten waren, want dat fantaseren, dat poëtisch zwevende, dat kennen van verborgenheden, dat vloeide eertijds voort uit het kennen van zekere wetten, welke kennis nu ónze kennis is. Wij staan nu dus veel hoger dan die profeten die zeggen dat zij door de Heilige Geest spreken en die hier en daar als gemeenten vertonen. Dit is enkel maar opwinding, dweperij, en overspanning van zenuwen.
((Die hiervoor in de gelegenheid is, die vergelijkt het boekje na vijf jaren, van Ds.P.Huet, en die leest vooral op blz.19 wat deze eerlijke spiritist meende in het spiritisme gevonden te hebben. En hoor dan bij al het licht dat hij meende te zien, zijn droeve klacht op bladzijde 21: En, waar bleef nu mijn Bijbel? Waar bleef mijn Heiland.? Wat was Gods Woord voor mij.? Wat waart gij voor uw vroegere dienstknecht, o Heer.? En dan, op bladzijde 22: Geen wonder, dat bij dergelijke overwegingen, de vrucht van spiritistische litteratuur, de Bijbel bij mij op de achtergrond raakte. En, vervolgens op bladzijde 34: Wat is het licht van spiritistische seances bij het licht dat mij van Christus toestroomde. Dit gehele werkje van Ds.P.Huet kan als een Apologie beschouwd worden van hetgeen de Apostolische Kerk was en is.))
De vraag is evenwel niet overbodig: zouden er in die gemeente ook vossen zijn.? Zeer zeker zijn die er.Daar worden personen openbaar die als de vossen doen. Zij proberen om dáár, waar jong, fris leven openbaar wordt, om dat te smoren en te verderven. Zij doen als de oudste zoon uit de gelijkenis, die met minachting sprak tegen de vader over zijn jongere, terugkerende broer.
De ambten, en de bedieningen en bedienaars van de Here Jezus verdacht te maken, dat doet de vossenaard van de mens openbaar worden. Iedere verleider tot zonde of tot opstand is een oude of een jonge vos. Zij eten het jonge leven uit de harten en uit de gemeente weg.
Ook is het voor onszelf nodig om te vragen en te onderzoeken: ben ik een oude vos of een jonge vos, óf ben ik een lelie of een roos in de ogen dergenen die op mij ziet.
Wij moeten kunnen zeggen wat wij lezen in:
Vers 16:
Mijn liefste is mijne, en ik ben zijne, die onder de leliën weidt.
Aan Hem behoor ik toe. In Zijn oog ben ik een lelie, de zijne ben ik geheel en al. Hij heeft mij deze zekerheid gegeven op grond van het verbond der dopen met Water en de Heilige Geest, als tekenen des verbonds in Verzegeling en Avondmaalsviering. Psalm 73:26,28; Romeinen 8:33-39; Romeinen 14: 7-9; 1 Korinthe 6:17;
Ziende op het verbond, maakt zij zingende de woorden van Genesis 13:1,2, tot waarheid:
En, dan voegt zij er nog bij, dat, wat wij kunnen lezen in:
Vers 17:
Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden: Keer om, mijn liefste! Wordt gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether.
Zij wil, als enkele gelovige, of als gemeente, of als stam, biddend en arbeidend wachten totdat alle schaduwbeelden zullen zijn voorbijgegaan, en, het wezen van de hemelse dingen, de dag des Heren zelf, is aangebroken.
Zolang er nog schaduwen zijn, heeft het licht nog niet zijn volle hoogte bereikt. Tot zolang moeten wij, als de Sulamith, bidden: Keer om, mijn liefste Bruidegom, wordt gelijk een ree of welp der herten op de bergen van Bether.
De bergen van Bether zijn scheidsbergen. De Bruid wil dus zeggen: Tot op de dag uwer heerlijkheid zijn wij door scheidsbergen, belijdenissen, gescheiden van anderen die ook uw naam belijden.
Die belijdenissen staan tussenbeide, wees nu met ons in de arbeid vlug als een ree; uw werk der verlossing moet volbracht worden en de zichtbare vereniging moet plats hebben.
Dán zal men zien, dat geen berg, belijdenis, hoog genoeg is om er veilig te zijn, maar dat de berg van het Huis des Heren vastgesteld zal zijn op de top; dat wil zeggen: bóven de bergen, en verheven zal zijn bóven de heuvelen. Jesaja 2:2-5; Micha 4:1-5.
Dán zal men zien en erkennen dat alleen het wandelen en het leven in de inzettingen van de Heer recht geeft op die schone erfenis.
Of, om met Micha te spreken: dat het wandelen in de Naam van de Heer, onze God, méér is en hóger is dan álle belijdenissen, dan álle bergen, die nu, helaas, voor zo velen een oorzaak zijn van scheiding en van verwijdering.