Vers 8:
Het antwoord op haar vraag volgt in dit vers. Wanneer de Sulamith vraagt dan ontvangt zij óók het antwoord. Dit is meer, dan in het afgetrokkene verhoord te worde; dat mogen wel antwoorden zijn, maar in zeer vele gevallen moet de bidder zélf het antwoord geven of maken.
Een vraag wil een antwoord.
Antwoord is een wederwoord, verhoren is aanhoren, in het verhoor nemen, vergelijk Job 38 tot Job 42:6.
In het heiligdom van Israël had men de aanspreekplaats: eigenlijk antwoord plaats.
In Psalm 94:9, vraagt de Psalmdichter: "zou Hij die het oor plant, niet horen.?"
Van de Kapporeth, of het verzoendeksel, tussen de Cherubs, sprak Jehova tot Zijn volk. vergelijk Exodus 25:22; Exodus 30:6; Numeri 5:89.
Zou de Here God die aan de mensen de gave van spreken heeft gegeven, niet Zélf kunnen spreken.? Of is de heerlijkheid van het Oude Verbond groter dan die van het Nieuwe Verbond.?
Tóen kende men een "levende God naar Wien men zich wendde en tot Wien men zijn handen ophief". vergelijk Psalm 28:2.
De belofte voor de Nieuw Testamentische bedeling is: "Ik zal onder hen wonen".
Tegen de Sulamith wordt gezegd: "Indien gij het niet weet, gij schoonste onder de vrouwen,ga uit tot de voetstappen der schapen en weidt uwe schapen bij de woningen der herderen."
Haar beminde heeft naar haar geluisterd en wijst haar nu zélf het spoor.
Zij zal acht geven op de voetstappen der schapen. De indruk van een schapevoet is tweevoudig.
Hij, haar liefste, houdt Zich aan de kudde en wijst de zoekende op dit tweevoudig indruksel, zoals Hij naar buiten arbeid verricht.
Een schaap is echter minder verstandig dan een geit. Haar werkzaamheid moet gericht wezen op het bijeenverzamelen van geiten en dezen tot één kudde te verzamelen.
Wij denken hierbij aan hetgeen Jacob in de kudde van Laban deed, hoe hij, door bonte, geschilde roeden, de eerstelingen uit de kudde van Laban haalde. zie Genesis 30:37-41.
Haar deksel, de sluier, moet weg, opdat zij niet als een Thamar, als een geestelijke hoer, misbruikt wordt. Genesis 38:13-15.
Een geit is in het bijzonder het beeld van geestelijk ontwikkelde Evangelisten, en met een profetische geest begaafde personen.
Dáárom moeten zij weiden bij de woningen der herderen, opdat zij, die uit een andere kudde komen, door haar verzameld worden.
De voeten van de Sulamith, die gaan zullen op de voetstappen van de schapen, zijn de twee voeten of ambten van het lichaam van de Here Jezus: het Apostel en het Evangelistenambt.
Vers 9:
Het zoeken en vinden: In dit vers zegt de geestelijke Salomo: "Mijn vriendin" bij het weiden der geiten "zijt gij te vergelijken bij de paarden en oorlogswagens van Farao".
Het Egyptische paard wordt in gestalte en edele, fiere schoonheid, boven al de andere dieren geschat; ook werd het gewoonlijk rijk en sierlijk opgesierd; in deze vergelijking wordt er op beiden bedoeld.(de navolgende teksten spreken over wagens: Psalm 68:19; Ezechieël 1:16-19,24; Zacharia 6:1-3,12; en over paarden: Zacharia 10:3; en Openbaringen 6:1-8.
Deze dingen wijzen op de eerstelingen.
Wanneer er een blik geslagen wordt op alle mogelijke confessien, wáár vindt u dan die vastheid en edele fierheid in het strijdperk als bij dat fiere oorlogspaard dat zich als het ware bewust is van zijn adel en van zijn zege.?
Wie zijn er zo zeker van de overwinning?
Wie verspreiden er zo veel ontzetting en schrik , als de geroepen dienstknechten van de eerstelingsgemeenten.?
Vers 10-12:
In deze verzen worden de wangen en de hals van de Bruid door de Bruidegom geprezen
Frisse gezonde rozenwangen, verhogen de schoonheid van een Bruid. Het zijn híer de inzettingen waarin zij heeft te wandelen, en de werkzaamheden die zij heeft te verrichten. Deze inzettingen behoorden tot de Gemeente van vóór achttien eeuwen.
In een geregeld en goed georganiseerd huis, is alles in orde. Dit huis is niet alleen schoon, maar voor de bezoekers gemakkelijk en geriefelijk.
De hals verbindt het lichaam met het hoofd; zó heeft de Bruidsgemeente haar hals in de, aan haar door de Here Jezus gegeven gaven van de Heilige Geest.
De hals, is het type van de verbinding van het lichaam met het Hoofd, door middel van de Heilige Geest.
De parelsnoeren om haar hals, zijn de versieringen ofwel de verordeningen die uitgaan van de Here Jezus en die openbaar worden in de ambten die aan de gemeente in haar geheel zijn geschonken.
In Handelingen 15:22 en 23, lezen wij dat Judas en Silas met verordeningen gezonden werden om door woord en geschrift de waarheid te verkondigen.
Gouden spangen: goud, waarheid, in liefde;
Zilveren stipjes: zilver, liefde om liefde op te wekken en zo aan de keten weer nieuwe schakels als de gaven of edelstenen toe te voegen.
Zulke broederen, ambten, werden door Apostel Paulus dikwijls naar de gemeenten gezonden.
Wanneer de Bruid aan de ronde tafel van haar Bruidegom zit om met Hem het Avondmaal te houden, dan kan zij de geur van de nardus als een liefelijke reuk uitstorten, dat wil zeggen, de hartelijke dankbetuiging aan de Heer toebrengen voor de ontvangen eer en liefde.
Zij doet dit in Psalmen en liederen, in profetie en gebeden.
Bij het eerste Avondmaal vormde de Heer Jezus met Zijn dicipelen een kring, om daarmede aan te duiden dat het Avondmaal in het Rijk der Heerlijkheid eeuwig gevierd wordt. zie Mattheus 26:29 en Openbaring 5:7-9.
Het Heilig Avondmaal herinnert ons aan het lijden en strijden en geslacht worden van het Godslam; en, bij de viering daarvan roemt de Sulamith: "Mijn liefste is mij een bundel mirre, dat tussen mijne borsten vernacht."
Hij is voor haar niet alleen een voorbeeld van het lijden in de geestelijke nacht.
Hij heeft, zo spreekt de
Sulamith, in mijn plaats geleden. Nú is Hij de mijne en ik ben
de Zijne, en, uit dankbare liefde druk ik Hem, de lijdende
Christus, aan mijn hart.
Al het lijden dat over haar komt wil zij dragen omdat dat lijden
om Zijnentwil is. Zij weet: als ik met Hem lijdt, dan zal ik ook
met Hem verheerlijkt worden; als ik met Hem verdraag, dan zal ik
ook met Hem heersen.
En, wáárom als een bundel mirre tussen de twee borsten?
In Ezechieël 23, wordt over twéé vrouwen gesproken, dochters van één moeder.
De naam van de éne was Ohola, haar Tabernakel; en de naam van de andere was Oholiba, Mijn Tabernakel in haar.
Deze twee zijn het schaduwbeeld van twéé erediensten.
Hun borsten werden betast en zij begonnen te hoereren met vreemden, de Here hun God verlatende.
Door de borsten wordt aan de kinderen melk toegediend; en, uit Jesaja 66:8-11 blijkt, dat borsten het beeld zijn van bedieningen tot vertroosting.
Een koning heeft toch geen borsten om aan kinderen voedsel te geven.? Vergelijk ook Jesaja 60:16.
In 1 Korinthe 3:1,2 schreef de apostel Paulus: "Ik heb u met melk gevoed en niet met vaste spijze".
Paulus was dus een borst voor de Korinthieërs.
Aan de Hebreeuwse christenen werd in Hebreeën 5:12-14 geschreven: "Gij behoordet leraars te zijn, dus voedsters en gij hebt wederom nodig dat men u lere, welke zijn de beginselen der woorden Gods, en gij zijt geworden als hen die melk behoeven"; dus, als de kinderen die nog aan de borst zijn.
Wat zijn nu die borsten.?
De Here Jezus gebruikt het Apostel- en Evangelistenambt voor hen, die melk behoeven.
Schreeuwende kinderen moeten aan de borst gelegd worden om door het toedienen van melk stil te worden.
Zo moeten dus ook schreeuwende geestelijke kinderen door het toedienen van de geloofsbeginselen, de melk, tot bedaren gebracht worden.
Wáárom zijn liefste nu een bundel mirre is tussen de twee borsten, kan de nadenkende lezer nu wel weten.
Mirre is een bitter kruid of specerij, het beeld van lijden; en, wij begrijpen en verstaan dit beeld wanneer wij denken aan de bitterheid die de apostel Paulus ondervond, én die al de dienstknechten des Heren nog ondervinden.
Vers 14:
"Mijn liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van Engedi".
Cyprus betekent: schoon, mooi, en, grote en mooie trossen werden door de wijngaarden van Engedi geleverd.
In de stam van Juda, te Engedi, had men zodanige schone trossen, vol van aangenaam en genietbaar sap.
Engedi betekent: Vergelijk:Psalm 78:65; Psalm 104:15; Spreuken 31:6; Prediker 9:7; Prediker 10:19; Jesaja 25:6.
Wanneer Juda, Godlover, geen Engedi heeft, dan wordt het somber in haar diensten, Jesaja 16:10, Juda had en heeft ook nú die trossen.
Engedi levert trossen, ambten en gaven, waardoor blijdschap gewekt en toegediend wordt aan hen die vrolijk willen zijn.
Schoon is de Bruid, als die fontein, de fontein van het Lam, welke is Jezus Christus. Die in Hem gelooft, zoals de Schrift zegt, zal een fontein, een Engedi zijn. Jeremia 2:13; Spreuken 10:11; Johannes 4:14; Johannes 7:38; 2 Petrus 2:17.
Zij, die niet geloven zoals de Schrift zegt, zijn waterloze fonteinen, vol slijk en modder, met ogen vol duisternis.
Vers 15:
De Sulamith heeft duivenogen."Gij zijt schoon, mijn vriendin, uwe ogen zijn duivenogen."
De ogen van de Sulamith worden in het oorspronkelijke niet vergeleken met de ogen van de duiven, maar met de duif zelf. De duif is het zinnebeeld van onschuld en trouw; vergelijkt men het hier gekozen beeld nu met de zaak, dan is de overeenkomst treffend.
De ogen van de Sulamith zijn trouw en onschuldig, dat wil zeggen,niet lonkende naar anderen.
De duif is ook het zinnebeeld van de Heilige Geest. De geestelijke Salomo noemt de Sulamith: "Mijn duif".
Ogen zijn gegeven om te zien, zodat men de weg kan vinden. Volgens Numeri 10:31, zou Hobab, of Jethro, de schoonvader van Mozes, de ogen zijn voor het reizende volk van Israël.
De zeven geesten zijn de zeven ogen of opzieners volgens Openbaring 5.
In Openbaring 4 worden de vier levende wezens voorgesteld als zijnde vol ogen. (de vertaling "dieren" is zeer onduidelijk. Luther heeft het vertaald met "Lebwesen").
In de oorspronkelijke tekst staat "Zooa", dat wil zeggen: "een wezen dat leven en licht geeft."
Hetzelfde woord wordt gebruikt in Johannes 6:40, en op vele andere plaatsen.
De betekenis is: iets dat eeuwig leven heeft.
Voor de meer geoefende lezer is het ook te vergelijken met Bios, leven, en met Zooas.
Deze vier levende wezens beelden, naar de aard van hun karakter, de vier bedieningen af in de gemeente.
Zij werden door de ziener aanschouwd, zijnde van binnen en van buiten vol ogen.
Twéé ambten zijn de ogen naar buiten, dat wil echter niet zeggen dat er slechts twee personen zijn, maar ten opzichte van de ambtelijke bediening zijn het twéé.
Twéé ambten, twee bedieningen, uitgeoefend en vervuld door vele personen. Deze zijn naar buiten: Apostelen en Evangelisten.
De Bruid vertoont de ogen van haar Bruidegom in de ambten en de gaven van de Heilige Geest om het geestelijke Israël in de erfenis in te leiden.
"Ook groent onze bedstede".
Het bed is de plaats waar het vermoeide lichaam rust geniet. Zo zijn de inzettingen des Heren de bedstede waarop de zielerust genoten wordt. Vergelijk Mattheus 11:28-30.
Daar worden kinderen geteeld en daardoor krijgt het huis inwendig een rijk en schoon aanzien; want, het sieraad van het huis zijn de kinderen.
Vers 17a:
"De balken onzer huizen zijn cederen".
De ceder is het type van koningen. Vergelijk Richteren 9:15; 2 Koningen 14:9; 2 Koningen 19:23; Psalm 80:11; Jesaja 2:13; Jesaja 37:24; Ezechieël 17:3; Amos 2:9.
De gemeente is het Koninklijk-Priesterdom. Vergelijk Exodus 19:5,6, met 1 Petrus 2:9.
De ambten van de gemeente zijn de balken, de dragers, de vasthouders, zij zijn de koningen van dat Priesterlijk Koninkrijk.
De ceder is een zeer majestueuze boom, met een opgaande stam en een brede kruin, en zijn hout is zeer duurzaam omdat dat geheel doortrokken is met een welriekende harsachtige stof die, daaruit afgezonderd, gebruikt wordt om lijken te balsemen. Het cederhout heeft als timmerhout grote waarde; de Tempel van Salomo was gebouwd van cederhout.
Vers 17b:
"Onze galerijen zijn cipressen".
Cypressen zijn bitter, en worden ook wel treurwilg genoemd. De galerijen, omgangen, hoogten, zijn cipressen. Iedere verhoging van de gelovige, vooral van de Sulamith, heeft een bittere nasmaak, hoe zoet het ook mag zijn om zo hoog te staan. Crf.Openbaring 10:9-11.
Vanuit de hoogte ziet men het meeste, dat is het zoete, maar daar wordt men ook het meeste bespied en beoordeeld, dat is het bittere. De cipres is eigenlijk een treurboom, dat wil zeggen, een boom met hangende takken. Vooral in het Zuiden van Europa wordt deze boom veel als een teken op kerkhoven geplant omdat hij, met zijn altijd groene bladeren, als een symbool van eeuwig leven aangemerkt kan worden.
Zijn hout is uitstekend geschikt voor de scheepsbouw.
De geur van de cipres is zeer aangenaam en wordt zelfs voor zeer heilzaam gehouden zodat de inademing daarvan de gezondheid bevordert. Uit de ceder, zowel als uit de cipres, kan een vocht worden afgescheiden dat een aangename geur verspreidt, dat bederfwerend is en dat terpetijnolie genoemd wordt.
Hóe rijk zijn deze beelden, en, dáárom is aan de lezer een onderzoek naar de verdere betekenis van ceder en cipressenboom aanbevolen.