Het zoeken der Sulamith.
Hooglied, beter Hogelied, dwz. Het lied der liederen.
Zó heet het in de Hebreeuwse Kanon: d.i. het uitstekendste, het voortreffelijkste lied.
In de Vulgata wordt het Canticum Canticorum genoemd.
Om dit lied der liederen te kunnen lezen en verstaan, is het nodig om de beelden die hier in voorkomen, te kennen, en die beelden te kunnen vertolken.
Dit lied der liederen, is een lied der liefde. De inhoud is een gesprek tussen een verliefde Bruidegom en een liefhebbende Bruid.
Het geheel is de typische betrekking tussen Christus en Zijn gemeente.
Men leert hier de taal der liefde kennen, en, deze taal, waarin de beide gelieven spreken, is voor de één de gloeiende uitdrukking van weelderige zinnelijkheid; maar voor de andere slechts een allegorie ter beschrijving van een hogere verbintenis; en voor oningewijden zelfs onheilig en verfoeilijk, voor ingewijden echter de openbaring van de zuiverste liefde.
Beiden spreken ook van anderen, van derden, en, dezen spreken weer van- en over de beide gelieven.
Wij zullen niet blijven stilstaan bij datgene wat er al vóór en tegen dit Bijbelboek gesproken of geschreven is. Evenmin doet het iets ter zake wie de schrijver is, of het nu David of Salomo of een ander is. De auteur is dezelfde als van al de schriften die in de Kanon zijn vervat.
Dit lied is een werk van de Heilige Geest, overeenkomende met Psalm 45:1; Psalm 68:1; Psalm 110:1, enz.
In Hooglied 1:1, zien wij één, die zoekt en een die een begeerte uitspreekt.
Deze zoekende is de "Sulamith" die haar Bruidegom zoekt, opdat zij door hem gekust worde.
Vers 2:
"Hij kusse mij met de kussen zijns monds; want uwe uitnemende liefde is beter dan wijn."
Laat ons wel opmerken, dat zij niet zegt: "kus gij mij" maar: "Hij kusse mij".
Het is een begeerte die zij uitspreekt, een begeerte, die reeds door de vorm van het werkwoord wordt uitgedrukt. Deze vorm is de wensende wijs, waardoor duidelijk wordt dat haar beminde niet tegenwoordig is.
Zij spreekt deze woorden tegen de, haar omringende, maagden. Let er verder op, dat zij niet zegt: "Hij kusse ons", maar: "Hij kusse mij".
De sulamith spreekt hier haar eigen verlangen uit. Haar beminde is Jezus, de wáre Salomo, en alzo de meerdere dan Salomo. Mattheus 12:42; Lukas 11:31.
Deze is haar Bruidegom.
Als Godsmens is Hij één persoon, en heeft mond en leden. Zo ook de Bruid, de Sulamith, de gemeente. Deze heeft haar zichtbare leden en haar zichtbaar hoofd.
De verheerlijkte Jezus is haar onzichtbare Hoofd. Deze verheerlijkte, onzichtbare Christus, is in zijn dienaren, de dienaar.
Daarom zei Hij: "Wie u hoort, die hoort Mij".
In Exodus 4:1516 , wordt Aäron de mond van Mozes genoemd en Mozes de mond van de Here God.
In Deuteronomium 21:5 , worden de kinderen van Levi, de priesters, de mond des Heren genoemd.
Mozes, als dienaar, is een type van Christus in de vier hoofdambten; Christus is de Heer over Zijn eigen huis, wiens huis wij zijn. Hebreeën 3:16.
Aäron is mede een typerend persoon, als de drager van het ambt waardoor het getuigenis tot het volk kwam; dus, als de mond, evenals Aäron de mond van Mozes was.
De Here Jezus wil, spreken door Zijn ambten die zijn mond zijn, tot hen, die niet het uitverkoren volk zijn, tot de geestelijke Egyptenaren.
Door de ambten en gaven spreekt Hij tot Zijn uitverkoren volk.
In Spreuken 24:26, wordt gezegd: "Men zal de lippen kussen desgenen die rechte woorden antwoord".
Lippen: de ene lip wordt gevormd door de ambten die de Here Jezus gaf omdat zij in Hem zijn; de nadere wordt gevormd door de profeterende personen, die de gemeente stichtend, vertroostend en vermanend toespreken. Korinthe 14:3; Openbaring 19:10.
De Sulamith verfoeid de mond van de huurlingen en van de Baals, maar begeert het om gekust te worden door de mond van haar Bruidegom.
En, dáárom uit zij haar begeerte: "Hij kusse mij met de kussen Zijns monds".
Wát is nu de mond van de Hemelse Bruidegom.?
Deze mond is het ambt, of de ambten, waarvan Hij Zich bedient en waarmede Hij kust.
De kus is de uiting van het liefdeleven, waarin het leven van de één in dat van de ander overgaat en opgenomen wordt.
Het was hard voor Job, dat de levensgemeenschap tussen hem en zijn vrouw, verbroken was, hetgeen Job zo eigenaardig uitdrukt in Job 19:17: "Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd".
In de kus is het leven. (Vergelijk hiermede Psalm 2:12).
Wanneer de gelovige, de Sulamith, zich onder de prediking of onder het horen van profetie bevindt, volgens 1 Korinthe 14, en daar de liefde van de Here Jezus, als het vleesgeworden Woord, tot troost en vermaning uit de mond van de geroepen dienaren en profeterende personen, hoort, dan wordt hij/zij gekust door zijn/haar Hemelse Bruidegom.
Zulke kussen wekken een liefde op die uitnemender is dan de vreugde van de wijn.
Toch vergeet zij niet, dat zij nog op het gebied van de vreemden is, dat wil zeggen, in Babel.
De naam van haar Bruidegom, die zij bemint omdat zij door Hem bemind wordt, kent zij niet alleen.
Ook andere maagden, kerkgenootschappen, kennen die Naam. Die Naam is: Jezus, of Verlosser, Zaligmaker, Christus of Gezalfde. Zij is als een uitgestorte olie.
Maagden zijn het beeld van gemeenten, waar de Here Jezus ook beleden wordt. Gemeenten, of, béter gezegd Kerkafdelingen, en andere groeperingen.
Omdat dezen de Here Jezus dus kennen en Zijn Naam beminnen, voegt zij er in vers 3b aan toe: "Daarom hebben u de maagden lief".
Vooral zijn hierbij op te merken de vijf dwaze maagden zoals die aan ons voorgesteld worden in Mattheus 25, uitgaande de Bruidegom tegemoet.
Méér in het bijzonder óók wat wij kunnen lezen in Genesis 24:59,61.
De uitverkorene van Izaäk werd vergezeld van voedster of maagden, om Izaäk tegemoet te gaan, echter, alléén Rebekka was de uitverkorene.
Volgens Galaten 4:24, zijn dit dingen die een andere betekenis hebben: nameijk: Het zijn de dienaren in de twee verbonden.
Vers 4:
"Trek mij", de Sulamith zegt niet: "trek ons".
Zó kan alleen een, met liefde vervuld, bruidshart spreken, en Zijn liefde voor zich begeren. Zij alleen wil en zal Hem als Bruidegom hebben om de koningin van bidden, opdat zij de uitnemende liefde vermelden van Hem, die haar trekt.
Vóór 18 eeuwen geleden, mocht geen ongedoopte bij de aanbiddende Avondmaals dienst tegenwoordig zijn.
Zij bidt: kus mij in de binnenkamer, laat mij uwe liefde smaken. Zó zingen en bidden zij als uit één hart en mond als de Sulamith. Lukas 12:2,3-
De Here Jezus kust haar door Zijn ambten en gaven.
Hij wil met Zijn liefhebbende hart, Zélf een binnenkamer zijn voor Zijn Bruid. (vergelijk: Johannes 17:21-23; Johannes 6:56; Jesaja 26:20).
In Hem is de zalige, verborgen liefdes gemeenschap.
Hij in ons, en wij in Hem, door de dienst van het Heilig Avondmaal, zoals Hij Zélf zeide:"Die Mijn vlees eet en mijn bloed drinkt die blijft in Mij en Ik in hem."
Kent gij, lezer/es, deze binnenkamers waarin de verborgen liefdesgemeenschap gevonden en genoten wordt.?
De Sulamith zegt: "De oprechten hebben U lief".
Indien gij, de Here Jezus als de Bruidegom, in de hiergenoemde binnenkamers zoekt, dan zult gij Hem ook vinden; want, de oprechten haat het licht op in de duisternis. Psalm 112:4a.
Hij zal u leiden in de schoonste binnenkamer, in de derde hemel om daar, behorende tot de Bruid des Lams, aan de Vader te worden voorgesteld als de Sulamith, de volkomene, de regelmatige, als de gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks. Psalm 45:12-16; Efeze 5:27; Openbaring 9:7,8.
Vers 5:
De liefde van de Bruidegom ontdekt de Bruid aan zich zelve, waarom zij zich zelf aanklaagt:"Ik ben zwart, ja zwartachtig , gelijk de tenten van Kedar".
Kedar, zwartachtig, was een afstammeling van Ismaël. Het was een rondzwervend volk, dat woonde in tenten die zij overal met zich mede voerden en zo dus geen vaste woonplaats hadden. Genesis 25:13,enz.
Dat volk had het teken van het Verbond, de besnijdenis; maar de belofte ontbrak hen, en dus ook het leven van het uitverkoren volk.
De Sulamith heeft ook Verbondstekenen: Doop en Avondmaal.
Anderen hebben dit met haar gemeen, want zij, de Sulamith, is van zichzelf ook niet beter en reiner dan de anderen.
Waar hun samenkomsten donker, zwartachtig zijn, de eredienst van buiten zwartachtig is, en van binnen geheel zwart, (Cfr.Openbaring 6:12), daar heeft de Sulamith van zichzelve niets om zich over te verheffen. Daarom beziet en beoordeeld zij zichzelf als in een spiegel omdat zij in haar zwervenden zoekend leven, zwart blijkt te zijn, toen de zon haar heeft beschenen.
In de duisternis blijft alles duister, maar, zodra het licht doorbreekt wordt alles openbaar en kunnen de voorwerpen in haar ware gedaante bezien worden.
Zó is het óók met de Sulamith gegaan, en dáárom schaamt zij zich voor haar zwartheid en zegt tot de maagden, kerkgenootschappen: "Gij dochters van Jeruzalem, ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen".
Sedert ik mij toonde de zoekende Sulamith te zijn, werden zij tegen mij ontstoken, die mij hadden moeten helpen. De kinderen mijner moeder zetten mij tot een hoederin der wijngaarden.
Ik werd in het licht van de Zon geplaatst, waardoor mijn zwartheid openbaar is geworden. Zie mij niet aan, want sedert de Zon, Christus is de Zon, mij bescheen is mijn zwartheid gebleken; ik ken mijn zonde; ik heb mij laten misbruiken door anderen, en daardoor is mijn wijngaard niet gehoed geworden.
Dáárom heeft de Bruidegom Zich teruggetrokken; omdat Hij een afwijken vond van de eerste liefde, en deze aan anderen gegeven. Dat allen, die het waarlijk menen en naar des Heren wil wensen te leven, tot een zodanige zelfkennis kwamen.
De Bruid van de Koning zou dan weliswaar veel te verduren hebben, maar zij zou snel tot haar einde geraken.
Tenten zijn beelden van bijeenkomsten of vergaderplaatsen; plaatsen van rust en gemeenschapsoefening met elkaar, en óók het beeld van kerkafdelingen. Jesaja 33:20.
De gordijnen of dekselen, zijn het uitwendig aanzien.
Deze tenten zijn zwart, donker, onaantrekkelijk en vertonen zonde en vleselijkheid. In zulke tenten, onder zondige mensen, moet de geestelijke Salomo niet wonen.
Daarvoor moet men eerst een zekere hoogte van heiligheid bereikt hebben; maar, men vergeet, dat de Sulamith zegt: "Ik ben zwart", ja, dat ben ik, "doch liefelijk" in Zijn ogen.
En dáárom wil de Vredevorst bij haar wonen omdat in aanmerking komt wat Hij is en wast Hij heeft.
De Kerkvader Ambrosius schreef, ziende op Hooglied 1:5-7: "Ik ben zwart wegens mijn schuld en zonde".
Augustinus schreef: "Zwart ben ik door de erfzonde, zwart wegens mijn zondige natuur, doch door het Sacrament van de Heilige Doop, door Zijn genade, ben ik in Zijn ogen liefelijk geworden."
Hoe treffend zijn hier de beelden van de Sulamith getekend.
Ach ja, zij is niets beter dan de anderen; wat zij is, dat is zij door de genade en de volheid van haar Bruidegom.
Vers 7:
De Sulamith vervolgt, en vraagt smekend: "Zeg mij aan, dien mijne ziel liefheeft, waar gij weidt, waar gij legert in de middag, want waarom zou ik zijn als ene die zich bedekt, sluiert, bij de kudde uwer medgezellen".
Medgezellen zijn hier het beeld van predikers.
De Sulamith wil dus niet gesluierd zijn; zij wil tot niemand anders behoren dan alleen tot de Bruid. De Heer zal haar vrijmaken. Hij zal openbaar doen worden dat zij wérkelijk Zijn Bruid is, de énige uitverkorene van de geestelijke Salomo.