EEN WONDERLIJKE WEG GODS.
Hier en daar in de H.Schrift ontdekken we, dat de God Israëls onder de heidenen niet onbekend was.
Hij bewerkte daardoor een soort van voorbereiding voor het aannemen van het Evangelie door de volkeren, die in duisternis waren gezeten.
Soms was het middel groot in de ogen der mensen, b.v. door hetgeen geschiedde in Babel door Daniël en zijn vrienden. Maar ook veel eenvoudiger middelen heeft God aangewend, om Zijn Naam groot te makers. Een wel zeer eenvoudig
middel, hoewel wonderlijk genoeg, was de genezing van Naäman de Syriër.
Hier gebruikte de Almachtige een Joods slavinnetje.
Het meisje was door een bende Syrische stropers gevangen genomen en als slavin verkocht. Ze was in het bezit gekomen van de huisvrouw van Naäman, een door de koning van Syrië zeer gewaardeerde generaal, die hem door zijn daden groot voordeel had opgeleverd.
Jammer genoeg werd de krijgsman aangetast door de melaatsheid, die vreselijke ziekte, die de lijder een langzame zeer smartelijke dood doet sterven.
De verhouding tussen Naämans vrouw en het Joodse slavinnetje was ongetwijfeld zeer goed en het meisje zag met deernis, hoe haar meester wegteerde.
Ze wist, dat de ziekte ongeneeslijk was, maar ze wist ook, dat er in haar vaderland een man Gods woonde, die wonderen kon verrichten. En nu zei ze tot haar meesteres. “Och, of mijn heer ware voor het aangezicht des Profeten, die te Samaria is, dan zoude hij hem van zijn melaatsheid ontledigen”.
Zijn melaatsheid ontledigen!' Het meisje moet toch wel een betrouwbaar kind zijn geweest, dat haar meesteres zulk een mededeling kon geloven. En niet alleen zij, maar ook haar man geloofde, wat het slavinnetje gezegd had.
Hij vroeg de aan koning verlof, om zich naar Samaria te begeven, om daar hulp te vinden. De koning is in de veronderstelling dat de Profeet wel in dienst van de koning van Samaria zou zijn en dus schrijft hij een brief aan koning Joram, met een verzoek, om Naäman te genezen.
Met dit schrijven gaat Naäman op reis en neemt een groot geschenk mee, om aan zijn verzoek kracht bij te zetten: tien talenten zilver, en zesduizend sikkelen goud en tien wisselklederen. Het is niet gemakkelijk, om te berekenen, hoeveel geld omgerekend, de zieke meenam.
Aan zilver was er zeker 70.000 gulden en aan goud 24.000, gulden, terwijl de wisselklederen ook een groot bedrag vertegenwoordigden.
Joram leest de brief van de koning van Syrië. Hij is ontstelt en denkt dat de schrijver een oorzaak zoekt, om een oorlog met hem te ontketenen. Verschrikt scheurt hij zijn klederen en roept uit: "Ben ik dan God, om te doden en levend te maken en een man van zijn melaatsheid te ontledigen?"
De koning denkt er geen ogenblik aan, dat er in zijn land een man Gods woont. Wat stond hij hier ten achter bij het slavinnetje, dat in de vreemde haar geloof heeft bewaard en er voor uit durfde te komen.
Het werd bekend, wat er in het paleis van Joram was voorgevallen en het gerucht ervan drong door tot de profeet Elisa. Deze begaf zich naar het paleis van Joram en vroeg: "Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een Profeet is in Israël!"
Opgelucht zond Joram de vreemdeling naar de Profeet en de zieke is vol verwachting. Er zal iets groots gebeuren. Maar ach! Hoe anders kwam alles. De Profeet verwaardigt zich niet eens, om hem, de voorname generaal, te begroeten.
Een dienaar komt tot hem en: "Ga henen en was u zevenmaal in de Jordaan en uw vlees zal u wederkomen en gij zult rein zijn “.
Naäman is woedend. Wat was dat voor een behandeling en dan die dwaze raad!
“Ik zeide bij mij zelf, hij zal zekerlijk komen en staan en de naam des Heren zijns Gods aanroepen en zijn hand over de plaats strijken en de melaatse ontledigen!"
Had hij deze verre reis gemaakt, om zich te baden in de Jordaan, een onaanzienlijke rivier met troebel en lauw water.
Dan waren er in zijn eigen land wel betere stromen, b.v. de Abana en de Parpar, die beide, en vooral de eerste, beroemd waren door hun helder en koud water!
Woedend en teleurgesteld aanvaardde hij de terugreis. Zijn dienaren kalmeerden hem en spraken een verstandig woord: "Mijn vader, zo die Profeet u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel temeer naardien hij u gezegd heeft: "Was u en gij zult rein zijn”.
Hij voldeed aan hun verzoek en.... zijn vlees kwam weder gelijk het vlees van een kleine jongen en hij werd rein.
Vol dankbaarheid keerde hij met zijn gehele reisgezelschap terug naar de woning van de Profeet, die hem nu ontving en de belijdenis aanhoorde: "Nu weet ik, dat er een God is op de ganse aarde dan in Israël".
En nu wilde hij Elisa rijkelijk belonen. Maar de Profeet weigerde met plechtige woorden iets te aanvaarden., waarop de hoofdman verlof vroeg, om een last aarde van een juk muildieren te mogen meenemen naar zijn land, om er een altaar van te bouwen, om er de God van Israël offeranden te kunnen brengen.
Maar tegelijkertijd gevoelde hij een moeilijkheid: hij was als hoveling verplicht om, met de koning, de tempel van Rimmon te bezoeken en zijn heer te helpen bij het neerbuigen en opstaan bij het aanbidden van die afgod, de dondergod van Assyrië, die dus ook in Syrië gediend werd.
"Is het mij nu nog geoorloofd, om in de tempel te knielen, waar ik de God van Israël erken?" De Here, vergeve mij toch in deze zaak."
En Elisa antwoordde: "Ga in vrede!"
Lezen we eens deze boeiende en roerende geschiedenis in 2 Kon.5. Ze is eenvoudig en leerzaam. Op enkele punten willen we even de aandacht vestigen.
Het eerst treft ons het geloof van het Joodse meisje.
Ze had kunnen zeggen: "Wanneer er een God is, waarom heeft Hij dan toegelaten, dat ik slavin werd?"
Ze had nu wel een goede meesteres getroffen, maar het kind miste toch haar ouderlijk huis en leefde in een heidense omgeving. Maar in haar eenvoudig hart was het geloof aan Israëls God levend gebleven en ze schaamde zich niet, om daarvan getuigenis of te leggen.
Ze wist heel goed, dat melaatsheid een ongeneeslijke ziekte was, en, dat alleen een wonder de zieke helpen kon. En ze wist, dat de Profeet, als de man Gods, wonderen kon doen.
Dat kind staat daar voor ons allen als een getrouwe getuige, wier geloof haar sterkte en anderen tot zegen werd. Zulke genade is voor ons allen weggelegd, dat een kinderlijk geloof ons tot een zegen kan maken voor onze omgeving.
Ten tweede zien we de onbaatzuchtigheid van Elisa. Welk een schat kon hij op een eerlijke wijze zonder moeite verkrijgen!
Maar neen, wát zou die heiden moeten denken, dat Gods liefde en gaven voor geld te koop zijn? Neen! Dat zou de eer van Israëls God krenken, die alleen geloof en onze liefde vraagt.
De Heer Jezus zei tot Zijn dienaren: “Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet!"
Ten derde zien wij bij Naäman het gebrek, dat zeer veel mensen kenmerkt: het uiterlijk grote heeft alleen waarde voor hen. Zijn knechten hadden gelijk: "Als de Profeet een grote zaak tot u gesproken had, zoudt ge ze niet gedaan hebben?"
Ja, de weg van het Koninkrijk is voor de meeste mensen te eenvoudig.
Allerlei stelsels, die zeer ingewikkeld zijn, worden door zeer velen met moeite onderzocht en aangehangen, maar de uitnodiging om tot de Heiland te komen, die alle vermoeiden en beladenen rust voor de ziel wil geven, wordt versmaad.
En nog iets anders, heel gewoons, ontdekken we in Naäman, iets wat ook zeer gevaarlijk is: "Zie, ik zei bij mijzelf..."
Met andere woorden: "Ik dacht ..”
Hoe dikwijls stuit men, wanneer men het geloof naar de Schriften wil verkondigen, op deze woorden: "Ik dacht..."
Maar, de Heer vraagt ons niet, wat wij denken, Hij zegt ons, hoe HIJ wil, dat wij geloven zullen. Hier zijn onze eigen gedachten te gebrekkig. We moeten ons laten leiden door Gods Geest, wat DIE ons openbaart, heeft waarde.
Met de woorden: "Ik dacht...", kunnen we ons tegenover God niet verontschuldigen. Zijn Woord is beslissend en niet de eigen meningen van mensen.
Zeer zeker, de rivieren van Damascus waren aantrekkelijker dan de Jordaan, maar God wilde de laatste gebruiken en daar alleen wilde Hij Naäman de genezing aanbieden.
Zo zijn er in allerlei kerkafdelingen zeer zeker veel zaken, die, menselijkerwijze beschouwd, waarde hebben!
Wat zijn er geen grote theologen, beroemde kansel redenaars! En hoeveel kerkgebouwen zijn er niet die een sieraad voor het oog zijn en waar men onwillekeurig onder de indruk komt door het overweldigende van de bouw of de schoonheid van de gebrandverfde ramen.
De heersende rust in zulke machtige gebouwen doet weldadig aan, maar een andere vraag is: "Woont Gods Geest er?"
Laat het voorbeeld van Naäman ons waarschuwen!
Indien hij bij zijn bewondering voor de Abana enParpar gebleven was, dan zou hij melaats in Damascus teruggekomen zijn.
Jammer, dat de geschiedenis in 2 Kon.5 zo droef moest eindigen.
De dienaar van de Profeet, Gehazi, verschilde wel zeer van zijn meester! Hij had zich geërgerd toen hij hoorde, hoe Elisa elke beloning van de hand wees! . . .
Na het vertrek van de hoofdman reisde hij hem achterna en had onderweg een leugen verzonnen. "Er zijn twee jongelingen van de zonen der Profeten tot mijn meester gekomen van het gebergte Efraïms; geef hun toch een talent zilver en twee wisselklederen!"
Naäman is blij, dat hij zijn dankbaarheid nu toch nog bewijzen kon en drong er bij Gehazi op aan om twee talenten zilver en twee wisselklederen te aanvaarden en gaf zelfs twee lieden uit zijn gevolg mee, om het geschenk te dragen.
Zoveel eerbied had hij zelfs voor de dienaar van de Profeet. Maar deze laatste mocht in geen geval weten, wat er geschied was.
Toen de mannen van Naäman de woonplaats van Elisa naderden, moest Gehazi ze zien weg te zenden en hij liet in een of ander huis de schat opbergen, wat ook wel weer met leugens gepaard geweest zal zijn.
En nu komt de goddeloze knecht voor zijn meester. Dat hij Gods eer gekrenkt had in de ogen van de heidenen, kwam niet in hem op, evenmin dat hij schandelijk gelogen had. Een Duits dichter heeft gezegd, dat de vloek van de boze daad is, dat ze steeds weer boze daden voortbrengt.
En zo werd Gehazi gedrongen, om Elisa voor te liegen. Maar God had Elisa geopenbaard, wat zijn dienaar had gedaan.
En nu vraagt de Profeet: "Was het tijd om dat zilver te nemen en om klederen te nemen en olijfbomen en wijngaarden en schapen en runderen en knechten en dienstmaagden?"
Elisa meende met deze woorden: "We hebben de grootste moeite in Israël, om Gods eer te handhaven en moest gij nu die eer krenken door uw hebzucht? Ge hadt u voorgenomen een heerlijk leventje te leiden door uw bedrog! Daarom zal u de melaatsheid Naämans aankleven en uwen zade in eeuwigheid!"
Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als sneeuw.
0,dat men er steeds zich van bewust was, dat er een God is, Wiens ogen het gans heelal doorlopen. "De Here schouwt uit de hemel en ziet alle mensenkinderen. Hij ziet vanuit zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde." (Ps.33:13-14)
En, welk een tegenstelling tussen het lieve slavinnetje met haar kinderlijk geloof en de hebzuchtige en leugenachtige slaaf der zonde. SdJ