HERSTELD APOSTOLISCHE ZENDINGKERK.

Met dit schrijven: “Inleidende sleutel tot het begrijpen van het Bijbelboek Openbaring van Johannes”, hebben wij getracht een korte uiteenzetting te geven over het boek "Openbaring".

Voor verdere verdieping kunnen wij u verwijzen naar: “Het Boek voor onze tijd.” De Openbaring van Johannes. Door Apostel F.W. Schwartz.

Moge dit werk zijn tot eer en verheerlijking van Gods Naam en tot zegen van de lezer.

Inleidende sleutel tot het begrijpen van het Bijbelboek OPENBARING van Johannes.

Voorwoord.

Wij leven in een onrustige tijd. Een tijd' waarin wij met verbazing zien vastgesteld, dat velen niet meer in de levende God geloven. En dit, terwijl God de Bijbel als Zijn Woord aan de mensheid heeft gegeven. In deze Bijbel lezen wij dat God Zijn Zoon, Jezus Christus, heeft gezonden tot redding van de hele wereld. Bovendien bevat deze Heilige Schrift de sleutel van Godsopenbaring inzake verleden, heden en toekomst. Dus Gods Woord vertelt ons ook wat in de komende tijd staat te gebeuren. Vooral in het laatste Bijbelboek, de Openbaring van Johannes, lezen wij hierover. Velen hebben reeds de betekenis van de Openbaring bestudeert om de tegenwoordige tijd te kunnen begrijpen. Echter wij bieden u geen menselijke oplossing en verklaring aan, maar geven u de sleutel tot het begrijpen van het Bijbelboek: "De Openbaring van Johannes". Dit tot verheerlijking van Gods Naam en tot zegen van de lezer. God zegt in Johannes 14:29: “Ik heb het u gezegd, eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt."

De Openbaring van Johannes; hoofdstuk 1:1-8:

1: De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;

2: Dewelke het Woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al, wat hij gezien heeft.

3: Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, het geen in dezelve geschreven is: want de tijd is nabij.

4: Johannes aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn: genade zij en u vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal, en van de zeven Geesten, die voor Zijn troon zijn.

5: En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.

6: En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader: Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.

7: Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degene, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, Amen.

8: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Here, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.

Zoals gezegd: Het boek Openbaring is altijd al het onderwerp geweest van veel studie en vele overdenkingen. In de loop van de eeuwen zijn er een groot aantal, -gedeeltelijke of meer volledige, -verklaringen van dit boek gegeven. Ook in onze dagen zijn gelovigen bezig, om door studie en biddend onderzoek de diepe geheimen van dit Bijbelboek te begrijpen. Ondanks het feit, dat het ongeloof niet tegen te houden is en de afval alleen nog maar erger zal worden, wekt God in het hart van Zijn kinderen een toenemend verlangen op, om te horen en te begrijpen, wat de Geest tot de Gemeente zegt. De Kerk van Christus voelt dat het einde van de tijden dichtbij is. De dag, waarop de Heer Jezus Christus uit de hemel komen zal, om te vervullen, al wat Hij beloofd heeft, kan niet ver meer zijn. Hij zal komen tot schrik van Zijn vijanden, maar tot vreugde van hen, die Hem liefhebben. Dan zal Hij openbaren dat Hij werkelijk is de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste.

Wanneer dan ook een lezer Zijn Openbaring bestudeert om de tekenen der tijden te toetsen en te vergelijken, kan men aan velen de vraag stellen, die Filippus ook stelde in Handelingen 8:30: “Verstaat gij ook hetgeen gij leest?”

Wij wensen, in alle bescheidenheid, zo'n Filippus te zijn. Wij willen graag aan de lezer het licht, dat ons gegeven is in de verborgenheden van Gods Woord, doorgeven. De belofte in het begin van het boek Openbaring luidt immers: “Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie.” Openbaring 1:3.

Wij zijn dan ook ontzettend dankbaar, als wij de vervulling van die belofte voor ons zien. Het boek begint met ons te melden, dat het: “de Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft” is.

Openbaring 1:1. Aan Johannes wordt dus iets onthuld, bekend gemaakt. Geen onbegrijpelijke voorstelling van dingen, die niemand kan bevatten, maar waarheden, die voor iedereen toegankelijk worden. Zij werd gegeven met het doel: “om Zijn ('s-Heren) dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten” Openbaring 1:1, in en door de Kerk van Christus.

Het boek toont dan ook hoe deze gebeurtenissen zich achtereenvolgens zouden ontwikkelen tot de tijd dat alles voleindigd zal worden. Het heerlijke werk van Gods genade zal voor de ogen van hemel en aarde dan helemaal voltooid zijn. Het spreekt vanzelf, dat de dienstknechten hun Heer en God hierin moeten kunnen begrijpen, anders zou van een openbaring geen sprake zijn. Nadat in de eerste drie verzen het doel van dit boek is meegedeeld, volgt in vers 4 tot 8 de zegen groet en bede van Johannes met een belijdenis van zijn geloof en hoop.

De zeven geesten van vers 4 zijn de zeven vurige lampen, brandende voor Gods troon, Openb.4:5, waarbij wij denken aan de zeven verschillende krachten of openbaringen van de Heilige Geest en mogen wij deze 7 geesten zien als de gaven en de krachten van de Heilige Geest, zoals in 1 Kor.12:8-l0 vermeld worden.

In vers 4 en 5 belijdt Johannes zijn geloof in God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In vers 9 bevestigt de schrijver dat hij de bekende Johannes is, die vanwege het geloof naar Patmos verbannen is.

Hij begint ons in vers 10 te beschrijven, op welke wijze hij deze Openbaring van Jezus Christus heeft ontvangen. Er zijn drie belangrijke vragen over de Openbaring, die eerst beantwoord moeten worden:

1: Met welk doel is zij gegeven?

2: Door wie is zij geschreven?

3: Wanneer is zij gegeven?

1a: Op de eerste vraag geeft de Openbaring zelf het antwoord in vers 1: ”om Zijn dienstknechten te tonen, (te laten zien), de dingen, die haast geschieden moeten”. Het Koninkrijk van Jezus is niet van deze wereld. Johannes 18:36. Daarom kan met de inhoud van de Openbaring ook niet de geschiedenis van de koninkrijken van deze wereld, noch de wereldgeschiedenis bedoeld zijn, maar de geschiedenis van het Koninkrijk Gods, dat met de komst van Jezus op aarde is gekomen. Markus 1:14,15. Met andere woorden: Het boek gaat over de geschiedenis van het christelijke volk hier op aarde, vervolgens over de heerlijkheid van haar, omdat zij als de strijdende en zegevierende Kerk het Koninkrijk der Hemelen, zoals onder andere genoemd in Mattheus 3:2. 4:17. 10:7, vormt.

2a: Door wie is zij geschreven? Het staat onomstotelijk vast, dat de Openbaring is geschreven door de apostel Johannes. Maar wij hebben hier wel te doen met een waarachtige openbaring van God. 2 Timotheüs 3:16a: “Al de Schrift is van God ingegeven”. Want ook het in vervulling gaan van deze openbaring aan Johannes is niet te ontkennen, tenzij men de ogen voor de waarheid sluit. De apostel Johannes heeft dus zelf deze openbaring van God ontvangen en opgeschreven. Van oudsher heeft men dit altijd geloofd. Want, het verschil in stijl tussen enerzijds het evangelie en de brieven van Johannes, en anderzijds de Openbaring, is gelegen in de taal en stijl van de Heilige Geest.

3a: Wanneer is zij gegeven? Is de Openbaring geschreven vóór of na de verwoesting van Jeruzalem? Wij menen dat het antwoord van deze vraag voor de lezer niet van belang is. De Openbaring is niet gegeven aan de Joden, noch aan de ongelovigen, maar aan de dienstknechten van Jezus Christus. Openbaring 1:1a: “De Openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten”. Zij heeft niets met de verwoesting van Jeruzalem te maken, omdat met de opstanding van de Heer Jezus Christus het Oudtestamentische rijk van Israël voor God geëindigd is. In de Openbaring is dan ook niets te vinden dat op die gebeurtenis zelfs maar zinspeelt.

De Heer heeft aan Johannes dingen laten zien, niet alleen in de verre toekomst, maar ook die al snel, -haast-, gebeuren zouden. Openbaring 1:1. Johannes zag zelfs hetgeen er al was, dus de reeds bestaande toestanden.

Openbaring 1:19: “Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is en hetgeen geschieden zal na deze”. Zo beschrijft de Openbaring het verleden, het heden en de toekomst. Inderdaad! Wij zullen de Openbaring moeten leren kennen als een voorzegging in beeldspraak van de lotgevallen van de christelijke Kerk. Maar bovenal, en dit moet men nooit uit het oog verliezen, bevat zij in gezichten en beelden een aanwijzing aan Johannes en alle latere gelovigen, hoe de Heer de toestanden binnen de Kerk ziet. Tevens bevat zij Zijn denkwijze, zienswijze en oordeel over de toestand van de Kerk in de opeenvolgende tijdvakken of bepaalde perioden van haar bestaan.

De Openbaring begint met de vestiging van de Kerk: de uitstorting van de Heilige Geest op het Pinksterfeest. Johannes zegt zelf, dat hij de Openbaring op het eiland Patmos ontvangen heeft, waarheen hij onder de tweede christenvervolging in het jaar 93, verbannen werd. Openbaring 1:9: “Ik Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus”.

Johannes was in de geest op de dag des Heren. Openbaring 1:10a. Dit “dag” was niet een gewone zondag, waarop Johannes de Openbaring ontving, maar met de “dag des Heren” wordt de dag van de wederkomst van de Heer Jezus Christus bedoeld. Trouwens nergens in de Heilige Schrift wordt met de dag des Heren de zondag bedoeld. Wanneer Paulus daarvan spreekt, zegt hij niet: “op elke dag des Heren,” maar: “op elke eerste dag der week legt een iegelijk van u iets weg” enz. 1 Corinthiërs 16:2a, zie ook Handelingen 20:7. De genoemde dag des Heren is dus de grote dag, waarvan reeds alle profeten van het Oude Verbond en Jezus Zelf in de Evangeliën, en de apostelen in hun brieven met zoveel nadruk spreken, als de Toekomst van Christus. En met die Toekomst wordt de wederkomst van de Heiland bedoeld.

Lichamelijk was Johannes, Openbaring 1:9, op het eiland Patmos in ballingschap. Maar geestelijk, Openbaring 1:10, was hij geheel verplaatst naar de grote dag van de Toekomst des Heren. Toen hoorde hij de stem van de Heer en ontving van Hem deze openbaring. Wanneer wij deze openbaring goed willen begrijpen, dan moeten wij:

1e: Ons losmaken van de natuurlijke dingen, en open stellen voor de geestelijke zaken. 1 Corinthiërs 2:12: “Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn”.

2e: Een ruim en open hart hebben, zoals het hart van onze Heiland is: “die wil dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen”. 1 Timotheus 2:4. Ieder die tot deze kennis der waarheid wil komen, zal deze onbevooroordeeld tegemoet moeten treden.

3e: Een nederig, biddend hart hebben.

4e: Ons eraan blijven vasthouden dat Johannes geestelijk was verplaatst naar de eindtijd, te weten de dag van de wederkomst van Jezus Christus.

De apostel Johannes hoorde achter zich een luide stem als van een bazuin, die zei: “Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten, die in Azië zijn”. Openbaring 1:11. Hij zag in de geest niet alleen de bij hem staande engel, Openbaring 1:1), maar ook de Zoon van God. Jezus Christus, Gods Zoon, verscheen aan Johannes om te openbaren wat er in de kerk en de wereld zou gebeuren. Tevens werd hem getoond wat voor de gelovigen te verwachten en te beërven zou zijn. “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten”. Openbaring 1:17.

Geen wonder! Want die majestueuze gestalte van de Zoon des mensen, Jezus Christus, was geheel anders als in de tijd dat Hij op aarde rondwandelde: “Gelijk een vlam vuurs schitterden Zijn ogen, gelijk gloeiend koper waren Zijn voeten, het twee snijdende zwaard uit Zijn mond dreigde te verderven, en het aangezicht stralende als de zon, gaf Hem het voorkomen van de gloed, bij wie niemand wonen kan”. Openbaring l:14-16. Jesaja 33:14.

Hoeveel redenen zijn vijanden ook mogen hebben om voor Hem te sidderen, Zijn vrienden hoeven niet te beven, want voor hen is Hij eeuwig dezelfde goedertieren Heiland, vol van liefde en genade. Tegen Johannes zei Hij: “Vrees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste”. Openbaring l:17b.

In Johannes 11: 25 en 26 zegt Jezus: “Ik ben de opstanding en het leven, die in Mij geloofd zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft en in Mij geloofd, zal niet sterven in der eeuwigheid”. Voor iedereen wil Hij de Levensvorst zijn. “Wat gij nu ziet, is om u te onderrichten aangaande hetgeen nu is, en hetgeen geschieden zal na deze”. Hierdoor bemoedigd mogen wij hetgeen door Hem geschreven is ter hand nemen. Wanneer wij van de Vorst des Levens de lessen aannemen die Hij wil schenken, zullen wij het eeuwige leven mogen beërven, want: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid”. Hebreeën 13:8.

De beeldspraak, d.i. om doormiddel van een taalbeeld een gedachte of begrip uit te drukken, in de Openbaring begint direct in het eerste hoofdstuk. De gedaante, waarin Johannes de Heer ziet, Openbaring 1:13-16, de titels en macht, die de Heer zichzelf toekent, Openbaring 1:17 en 18, zijn van grote profetische betekenis. De gemeente dient het lichaam van Christus te zijn; Hij is haar Hoofd. “En Hij is het hoofd des lichaams, namelijk der gemeente” Colossenzen 1: 18a, en, “gijlieden zijt het lichaam van Christus”. l Corinthiërs l2:27.

De verschijning, waarin de Heer zich aan Johannes vertoont, is een profetische aanduiding. Deze verschijning duidt de volmaaktheid van Jezus Christus aan. Het streven naar de volmaaktheid hoort in elk tijdvak in de gemeente gevonden te worden, want de gemeente moet gelijkvormig zijn aan het beeld van Gods Zoon, en het beeld dragen van de Heer uit de hemel. 1Corinthiërs15:47-49 en 1 Petrus 2:21. Zij heeft daar echter niet in alle tijdvakken in gelijke mate aan voldaan. Aan het hoofd van ieder van de eerste zes zendbrieven vinden wij een gedeelte terug van deze volmaaktheid, titels of macht van de Heer. Zie Openbaring 2:1, 8,12,18 en Openbaring 3:1,7. Daar vinden wij ook de verklaring van die beeldspraak in haar betekenis voor dat betreffende tijdvak.

Johannes zag de Heer in het midden van zeven kandelaren en in Zijn rechterhand waren zeven sterren. De verborgenheid van de kandelaren stelde, volgens de eigen uitlegging van de Heer, de zeven gemeenten van (klein) Azië voor en de zeven sterren haar engelen, opzieners of leraars. Openbaring 1:20. “de verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechterhand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten”. En Maleachi 2:7: “Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken; want hij is een Engel des Heren der heerscharen”.

Aan ieder van hen wordt vervolgens een schrijven gericht. Het getal zeven neemt in het hele boek Openbaring een bijzondere plaats in.

Wij vinden: zeven kandelaren en zeven sterren, Openbaring 1: 20, zeven zegelen, Openbaring 5:1, zeven bazuinen, Openbaring 8:2, zeven vio1en, Openbaring 15:7.

Drie is het symbolisch getal Gods, dat ziet op de Ene God, Die Zich drievuldig openbaart in Vader, Zoon en Heilige Geest. Vier is het symbolische getal der aarde, Openbaring 7:1: “En na deze zag ik vier Engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom”. Deze beide vormen, opgeteld, het getal zeven. Het zevental duidt op de voleinding van Gods Openbaring op aarde. In het zevental ligt bovendien een opeenvolging opgesloten. Zo maakten zeven jaren in het Oude Verbond een volheid van tijd uit, een bepaalde periode, en zevenmaal zeven jaren, met het vijftigste tot jubeljaar maakten ook weer een volheid van tijd uit. Veertig jaren of dagen vormen ook een tijd; deze periode komt meerdere malen in de Heilige Schrift voor als een tijd van beproeving of voorbereiding. Veertig maal vijftig maakt 2000 jaren, en deze zijn ook een volle tijd. In ronde getallen uitgedrukt was de wereld 2000jaren zonder wet. Een deel van de mensen leefde als uitverkoren volk onder het Oude Verbond.

Genesis 17:7,10: Abraham: “En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uwen zade na u”.

En, in vers 10: “Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult, tussen Mij en tussen u en tussen uwen zade na u, dat al wat mannelijk is u besneden worde”.

Het Oude Verbond was tot aan de kruisdood van Christus, Hebreeën 10: l4: “Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden”. Ongeveer 2000 jaren zal een deel van de mensen onder het Nieuwe Verbond- (Christus)- of onder de tijd van genade leven. De laatste tijd van ca. 2000 jaren, zou door de christenheid in zeven op elkaar volgende tijdvakken of perioden doorleefd worden. Deelt men deze tweeduizend jaren door zeven, dan maakt dat ongeveer driehonderd jaren voor ieder tijdvak. Inderdaad vindt men in de Nieuwtestamentische geschiedenis van haar begin af (de uitstorting van de Heilige Geest op het Pinksterfeest), telkens om de driehonderd jaren een hoogst belangrijke gebeurtenis.

Hiermee treedt iets nieuws in de geschiedenis van Christus Kerk op. Deze gebeurtenis sluit een tijdvak af en vormt dan tevens het begin van een nieuw tijdvak. Het blijkt, dat ongeveer 300 jaren een nieuwtestamentische tijdsperiode zijn. Wanneer naar deze berekening de zesde tijd, 6 maal 300, eindigt in het begin van de negentiende eeuw, zou het zevende tijdvak duren tot ca 2100. Niemand weet de exacte datum, aangezien wij die van God niet mogen berekenen. Wij leven thans in het zevende tijdvak. Zoals de tekenen van de tijden en de vervulling van de profetieën ons leren, leven wij dicht bij het einde van dat zevende tijdvak. Deze schijnbare tegenstrijdigheid wordt door Christus als ook door de Openbaring opgelost.

Mattheüs 24:22: “En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zoude behouden worden, maar om der uitverkorenen wille zullen die dagen verkort worden”.

En Markus 13:20: “En indien de Here de dagen niet verkort had, geen vlees zoude behouden worden; maar om der uitverkoren wille, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort”.

In Openbaring 10:6 en 7, aan het einde van het zesde tijdvak, waar dit overgaat in het zevende tijdvak, lezen wij de waarschuwing, dat dit laatste tijdvak geen driehonderd jaren zal duren, maar veel korter zal zijn. Openbaring l0:6 en 7: “en hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zal zijn; maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten den Profeten verkondigd heeft”.

De plechtige eed, die Christus, de Engel van het Verbond, Maleachi 3:lb: “en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Here, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des Verbonds, aan Welke gij lust hebt”, zweert bij de Almachtige betekent dat “er geen tijd meer zijn zal, maar dat in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, vele verborgenheden Gods ontsloten zullen worden”.

Daniël 12:4,9 en l0. Vers 4: “En gij, Daniël, sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek tot de tijd van het einde: velen zullen het nasporen, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden”.

Vers 9 en l 0: “En Hij zeide: Ga heen Daniël; want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot de tijd van het einde. Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan”.

Die stem heeft reeds geklonken. Wij zijn onder het geluid van de zevende bazuin: de evangelieverkondiging en haar uitwerking, zoals die voor onze tijd voorzegd is. De waarschuwing van de Engel des Verbonds, Jezus Christus, is voor ons bestemd, en is gegeven aan ons, die in het laatste tijdvak leven. Wij moeten letten op de getrouwe en waarachtige woorden van God, omdat de woorden van de profetie "dezes boeks" niet meer verzegeld zijn, maar openbaar, want "de tijd is nabij". Openbaring 22:10: “En hij zei tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij”.

Jezus komt haastig en Zijn loon is met Hem, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn. Openbaring 22:12: “En zie, Ik kom haastelijk, en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn”. Daarom, wie oren heeft, die moet horen, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Openbaring 2:7a.

Als de zeven tijdvakken zijn afgelopen, dan volgt daarop de grote vredestijd, het Jubeljaar der verlosten, de dag van de rust, die er overblijft voor het volk van God. Hebreeën 4:9: “Er blijft dan een ruste over voor het volk Gods". Dit is het 1000-jarig vrederijk. Openb.20:4.

Daarna volgt het grote Rijk der Heerlijkheid, dat het einddoel van Gods verlossende liefde is. 1 Corinthiërs 15:28: "En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen".

Het voorbeeld van deze zeven tijdvakken met hun heerlijk slot, vinden wij in het Oude Verbond als beeld of voorafschaduw van het Nieuwe Verbond. Het Oude Verbond begint met Abraham, met wie God de Heer dat Verbond sloot. Wij vinden daar het:

1e Tijdvak: Abraham, Isaäk en Jakob, als vreemdelingen in Kanaän.

2e Tijdvak: Israël in Egypte.

3e Tijdvak: Israël in de woestijn.

4e Tijdvak: Israël in Kanaän onder de Richteren.

5e Tijdvak: Israël onder de Koningen.

6e Tijdvak: Israël zonder erve en in Babel gevangen.

7e Tijdvak: Israël uit Babel terug, onder de heidenen verdrukt en wachtend op de komst van Christus.

Aan het einde van het Oude Verbond verschijnt Christus; een klein gedeelte van het volk, dat in Hem gelooft als de verwachte Messias, is door Hem gered en in het Rijk van het licht overgebracht. Het grootste gedeelte echter werd in geestelijke duisternis onder de volkeren verstrooid.

De zeven kandelaren, of de zeven zendbrieven aan de gemeenten in Azië, Openbaring 1:4 en11, betreffen in de eerste plaats deze zeven gemeenten uit de eerste nieuwtestamentische eeuwen. De zeven gemeenten vertegenwoordigen de gehele Kerk. Hetgeen in deze zeven gemeenten al dan niet gevonden werd, is een profetische afbeelding van hetgeen er met en door de kerk in de loop der eeuwen zou gebeuren, tot aan de wederkomst van Christus.

Wij menen dat door deze inleidende sleutel de betekenis van de, in deze zeven zendbrieven voorkomende beelden, duidelijk zal worden. De Heer Jezus heeft daarin de geschiedenis van Zijn Kerk voorzegd.

Allen, die Zijn verschijning liefhebben, worden onderwezen, gewaarschuwd en bemoedigd in het verleden, het heden en in de toekomst. De geschiedenis van de christelijke Kerk zou plaatsvinden in dezelfde volgorde als de zeven zendbrieven.

De volgorde van deze brieven aan de gemeenten- Openbaring l:11b loopt dus parallel met de geschiedenis van de christelijke Kerk.

Voorbeeld: de eerste brief aan Efeze beschrijft tevens het eerste tijdvak. De verschillende tijdvakken vloeien geleidelijk in elkaar over, maar elk tijdvak heeft zijn bijzondere kenmerken, die tot het einde aanwezig blijven.

Bijvoorbeeld: Bij het licht van de tweede kandelaar brandt ook nog de eerste. Bij het geluid van de derde bazuin klinkt ook nog het geluid van de eerste én de tweede bazuin na, en zo verder. Een bepaalde godsdienstige opvatting, die in het tweede tijdvak opgeld deed, zal tot in het zevende teruggevonden worden.

Samenvattend: in ieder opvolgend tijdperk in de gemeente, Kerk en evangelieverkondiging openbaart zich iets nieuws, dat in de vorige tijdvakken nog niet bestond. Het vorige blijft echter ook, hoewel in mindere kracht, voortduren.

Aan het einde van het Laodicese tijdvak, bij zijn overgang in het Rijk der Heerlijkheid, zullen al de zeven kandelaren lichten, al de zegels geopend zijn, al de bazuinen klinken en al de fiolen uitgegoten zijn.

Hoewel de tijdvakken in elkaar overvloeien is er toch een bijzonder kenmerk bij de overgang naar een volgend tijdvak. De grote strijd tussen het Licht en de duisternis, het goede en het slechte, de waarheid en de leugen, die strijd, die vanaf het begin aanwezig is, wordt door alle tijdperken heen onder verschillende vormen en omstandigheden voortgezet tot aan het einde de worstelende Kerk zegevierend uit het strijdperk treedt, en met haar Heer en Hoofd wordt verheerlijkt in het Rijk van de Waarheid en het Licht. De zeven gemeenten zijn de zeven kandelaren. Openbaring 1:20.

Wij hebben dus in de geschiedenis van de Christelijke Kerk, van haar begin af aan, tot aan de toekomst van Christus, zeven tijdvakken; het laatste eindigt in het Rijk der Heerlijkheid. In de Bijbel vinden we eerst de zeven kandelaren beschreven; daarná de zeven zegelen, de zeven bazuinen en uiteindelijk de zeven fiolen, (of toornschalen).

Deze fiolen schetsen niet bepaald heerlijke gebeurtenissen en kunnen niet pas na de zevende kandelaar in het Rijk der Heerlijkheid plaats vinden.

Wij hebben ze dus eerder te plaatsen, maar waar?

De Openbaring zelf geeft genoeg aanwijzingen, om ook hier het antwoord te vinden. Een vergelijking van de zes laatste bazuinen met de zes laatste fiolen, laat zien, dat de fiolen over dezelfde zaken handelen als de bazuinen, dat de tweede fiool met de tweede bazuin, de derde met de derde enz. overeenkomt en dat de uitgieting van de fiolen dus niet na afloop van de bazuinen, maar gelijktijdig daarmee plaats vindt. Vergelijk bijvoorbeeld hoofdstuk 8:8 en 9 met 16:3, hoofdstuk 8:10 met 16:4, hoofdstuk 8:12 met 16:8, hoofdstuk 9:1-12 met 16:10 en 11, hoofdstuk 9:14 met 16:12, hoofdstuk 11:15 met 16:17-21.

Vier maal wordt hetzelfde tijdsverloop geschilderd, van Christus' komst op aarde tot aan Zijn wederkomst, maar die schildering betreft telkens een ander onderwerp van die geschiedenis. Johannes kon niet alles tegelijk zien. God, die een God van orde is, liet hem daarom eerst, in de kandelaren, de geschiedenis lezen van de gemeenten. Daarna, in de zegelen, die van de geestelijkheid in de Kerk en de staat; in de bazuinen die van de Evangelieverkondiging en in de fiolen Zijn oordelen over de Kerk en de wereld. De Heer verkoos in Zijn Openbaring deze vier beelden: kandelaar, zegel, bazuin en toornschaal, omdat:

1e: de Kerk een licht op aarde moet zijn. Lukas 11:33: “En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degene, die inkomen, het licht zien mogen”.

Zij moet het licht, door de Heer in haar ontstoken, op alle plaatsen laten schijnen. Hoe de Kerk dit licht in de loop van de eeuwen zou bewaren en uitstralen, deed de Heer aan Johannes weten, door de voorstelling van de zeven kandelaren. De kandelaar is de drager van het licht. De kandelaar met de zeven armen, die in de tabernakel stond en door de priesters steeds brandend gehouden moest worden, had ook deze spreekwoordelijke betekenis van het licht, dat God in het midden van Zijn volk deed schijnen.

2e: de Kerk ook een boek is. Zij is het boek, (de rol), niet beschreven met inkt, maar door de Geest van de levende God. 2 Corinthiërs 3:2,3: “Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen, als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest des levende Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten”. De Kerk van Christus is hier op aarde de draagster en bewaarster van Gods geheimen, en moet Zijn raad overal aan de mensen verkondigen en Zijn verborgenheden openbaren.

1Corinthiërs 4:1: “Alzo houde ons een ieder mens als dienaars van Christus en uitdelers der verborgenheden Gods".

Nadat de Heer aan Johannes in de zeven kandelaren had geopenbaard, hoe het in de Kerk met het licht of Goddelijk leven zou gaan en Hij daartoe alle zeven tijdvakken met hem doorlopen had,-tot aan het heerlijke einde, het toekomstige Rijk der Heerlijkheid-voerde Hij hem weer terug, om hem vervolgens te laten zien, hoe het in de zeven tijdvakken met de leer zou gaan. Johannes zag namelijk het boek met zeven zegelen, dat niemand waardig was te openen dan het Lam, dat geslacht was. Openbaring 5:1-5. Hij zag de zegelen één voor één breken, en, elk verbroken zegel ontsloot een deel van het boek, (de boekrol), en maakte openbaar, welke waarheden en raadsbesluiten de Heer van de Gemeente in elk van de zeven tijdvakken door Zijn dienaren in de kerken aan de wereld zou openbaren en verkondigen.

3e: de Kerk ook een strijdend leger is. Efeze 6:10-17. De Gemeente van God heeft hier op de aarde vele vijanden, zij wonen in haar hart en nestelen zich heimelijk in de Kerk of vallen haar openlijk met vereende krachten aan. Zij moeten bestreden en overwonnen worden, willen wij de kroon ontvangen die de Heer voor ons bereid heeft. Ook de aanstaande worstelingen van de Kerk zou Johannes zien. Daarom voerde de Heer hem, toen hij aan het einde van het zevende zegel, weer tot aan het Rijk der Heerlijkheid was gekomen, opnieuw terug naar het begin.

De Heer liet aan hem zien wélke vijanden zich zouden verheffen en, hoe de Kerk, alle eeuwen door, zou strijden en uiteindelijk overwinnen. Johannes zag de zeven engelen die de bazuinen ontvangen hadden, Openbaring 8:2: “En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegeven.” Bazuinen werden van oudsher gebruikt om de soldaten op te roepen tot de strijd,--Openbaring b8:6: “En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.”. Voor elk tijdvak werd een bazuin geblazen, en, elk bazuingeluid had zijn eigen uitwerking want elk tijdvak van de Kerk heeft ook zijn bijzondere strijd.

4e: zij is ook een huisgezin, 2 Timotheüs 2:20,21. Een samenleving van broeders en zusters; kinderen, door de Heilige Geest uit God geboren. Die kinderen zijn ongehoorzaam, eigenzinnig, opstandig en moeilijk. Zij doen hun Hemelse Vader veel verdriet en dwingen Hem vaak, om uit liefde, de roede op te heffen en hen zijn boosheid te laten voelen. Ook de wereldse vijanden van God doen dit huisgezin zoveel geweld aan, dat Hij in straffende gerechtigheid tussenbeide moet komen. Dit, om de Zijnen uit de macht van de boze te verlossen en om Zijn tegenstanders te laten weten dat Hij alléén God is.

Daarom moet Hij dus van tijd tot tijd Zijn boosheid over de Kerk en over de wereld uit storten, tot zuivering van Zijn Gemeente en zo mogelijk, tot bekering of anders ter bestraffing van Zijn vijanden. Hoe, en met welk gevolg, dit gebeuren zou in de loop der eeuwen, dat liet de Heer aan Johannes zien in de oordelen die in elk van de zeven tijdvakken de Kerk en de wereld zouden treffen.

Opnieuw zag Johannes van het begin van de Christelijke Kerk af aan, hoe de zeven engelen met de gouden fiolen, -toornschalen-, een beeld, ontleend aan het gezinsleven-die vol waren van de boosheid Gods, in ieder tijdvak een fiool uitgoten over de aarde. Openbaring 15:7 “En één van de vier dieren gaf aan de zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van de toorn Gods, Die in eeuwigheid leeft.”

Toen de zevende fiool was uitgegoten zag Johannes zich geestelijk weer aan de ingang van het Rijk der Heerlijkheid geplaatst, nu echter niet om nogmaals terug te keren, maar om die eindelijk binnen te gaan. Om naar het Halleluja van de verlosten te horen, Openbaring 19, en om de volkomen overwinning van Christus en de Zijnen te zien, Openbaring 20, en in zalige ontroering rond te gaan in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont, Openbaring 21, om daar in grote blijdschap te aanbidden, Openbaring 22:9, en met de Geest en de Bruid, -Zijn Gemeente-, uit het diepste van zijn ziel te zeggen: “Amen, Ja, kom Here Jezus.!” Openbaring 22:20. Amen.