GODS WONDERLIJKE LEIDING MET DE KERK
(Hand. 11 19-30)
"Gij
zult Mijne getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea
en Samaria en
tot aan het uiterste der aarde”, had de Heer gesproken onmiddellijk vóór Zijn hemelvaart.
Hoe zou dat vervuld kunnen worden
door eenvoudige lieden, die geen vreemde talen kenden en dus buiten Palestina
niet veel zouden kunnen aanvangen? Zij toch spraken Aramees, een vereenvoudigd
Hebreeuws.
Maar de Heer gebruikte een middel dat
wel hard was voor Zijn kinderen, maar dat toch zulke heerlijke uitkomsten gaf.
Er brak een vervolging uit door de
prediking van Stefanus. Hij werd gedood en de
gelovigen te Jeruzalem werden verstrooid door de landen van Judea
en Samaria.
Door een wonderlijke leiding Gods
konden de Apostelen echter te Jeruzalem blijven, waardoor er dus een onderlinge
band kon blijven bestaan.(Hand.8:1)
Paulus was in deze vervolging één van
de hoofd personen.
Om aan de woede van de vijanden te
ontkomen, vloden de aanhangers van de Christelijke leer tot ver in het noorden,
tot aan de stad Antiochië toe. Maar ook waren er, die
naar Penicië vluchtten, ja er waren er, die de zee
over staken en op het eiland Cyprus kwamen. Op dit eiland woonden vele Joden te
midden van een bevolking, die als losbandig bekend
stond en die in een beroemde tempel de Griekse godin Aphrodite
(Venus), de godin der schoonheid, vereerden.
De vluchtelingen verkondigden aan de
Joden, die op Cyprus woonden, de blijde boodschap en velen bekeerden zich tot
het Christendom.
De Jodenchristenen, die in Antiochië hun toevlucht hadden gevonden, predikten het
woord Gods, maar ook uitsluitend aan de Joden, die er zeer talrijk waren en er
een schone Synagoge bezaten.
Om verwarring te verkomen wijzen we
er op, dat er twee steden waren met de naam Antiochië.
De stad, waarover we hier spreken,
was de hoofdstad van Syrië, maar in Hand.13:14
wordt nog een stad van die naam genoemd, die in het landschap Pisidië lag, waar Paulus en Barnabas op hun eerste
zendingsreis het Evangelie verkondigden.
Het Antiochië,
waarover we eerst spreken, dus de hoofdstad van Syrië, was een zeer voorname
stad, de derde van het grote Romeinse rijk.
Ze telde ongeveer 500.000 inwoners
en werd in grootte slechts overtroffen door Rome en Alexcandrië
(in Egypte). In 300 voor Christus werd de stad gesticht door de beroemde
veldheer van Alexander de Groten, Seleukus Nikator. Ze werd in het noorden begrensd door de rivier Orentes, die haar met de Middellandse Zee verbond. Later
werd de stad vergroot en werd er een nieuwe wijk gebouwd op een eiland in de Orentes.
De beruchte Jodenvervolger uit de
tijd van de Makkabeeën, Antiochus
Epiphanes, bouwde nog een deel er bij, dat hij met
prachtige heidense tempels versierde. De ligging van de stad was zeer gunstig
voor de handel. Twee uur van de Middellandse Zee verwijderd,
maar door de rivier met haar verbonden, kon ze handel drijven met alle landen,
die door de grote zee omspoeld werden. Grote karavaanwegen verbonden haar met
de steden van het oosten. Geen wonder, dat we in deze bloeiende stad vele Joden
aantreffen.
Daar de stichter van de stad een wet
had uitgevaardigd, dat iedere vreemdeling, die er zich vestigde, het
burgerrecht zou verkrijgen, hadden de Joden er een rustig bestaan. Tevens was
deze wet de oorzaak, dat er mensen uit allerlei streken zich gevestigd hadden,
zodat de bevolking wel zeer gemengd was. Het grootste deel bestond uit Grieken.
De oorspronkelijke Syrische inwoners waren meest kleine luitjes, die met
handenarbeid hun brood verdienden.
Steden met zulk een gemengde
bevolking waren oudtijds meestal plaatsen, waar de ondeugd welig tierde. De
Joden vormden echter een gunstige uitzondering en ernstige Grieken, die walgden
van de ongerechtigheden van hun medeburgers, verlieten de heidense tempels en
sloten zich bij menigten bij de Joden aan. De Joodse gemeente telde dus vele
zogenaamde proselieten of Jodengenoten. Tot dezen behoorde o.a. Nikolaüs, die volgens Hand.6:5
tot diaken van de Gemeente te Jeruzalem werd gekozen.
We zeiden, dat de gevluchte
Jodenchristenen uitsluitend het Evangelie predikten aan de Joden, die ze in Antiochië aantroffen. Hoewel Petrus op Goddelijke aanmaning
tot de heidense hoofdman Cornelius gegaan was en hem met zijn gezin en enkele
vrienden had laten dopen, konden de bekeerde Joden toch nog maar steeds niet
begrijpen, dat de Heiland der wereld óók voor de heidenen gekomen was. Slechts
enkelen namen een ruimer standpunt in. Dat waren de zogenaamde Griekse Joden,
die Christenen waren geworden.
Hier willen we iets uiteen zetten,
wat, misschien wel eens duister kan zijn.
We lezen, dat er in de Gemeente te
Jeruzalem twist ontstond tussen de Grieksen en de
Hebreeërs over de bedeling van de weduwen. (Hand.6:1)
Deze Grieken waren de Joden, waarvan de Pinkstergeschiedenis spreekt: "En
daar waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van alle volken dergenen, die onder de hemel zijn."
Dat waren Joden, wier ouders of
voorouders in landen buiten Palestina woonden en die allen een soort Griekse
taal spraken. Daarom werden ze Grieken genoemd. Het waren dus Joden, maar die
onder elkander niet Aramees, maar Grieks spraken. Het
taalverschil was aanleiding tot een zekere verwijdering geworden, die zelfs
in de Gemeente des Heren was blijven voortbestaan en aanleiding tot de genoemde
twisten werd.
Deze Griekse Joden waren
over het algemeen dweepziek van aard.
Met
hen streed Stefanus, met de Libertijnen (dat waren
nakomelingen van vrijgelaten Joodse slaven), de Cyreneeërs,
de Alexandrijnen en lieden van Cilicië en Azië.
Van deze "Grieksen"
werd een deel Christen, en, deze namen nu tegenover niet Joden een
verdraagzamer standpunt in. Ook zij moesten natuurlijk vluchten en nu lezen we Hand.11:20. "en er waren enige Cyprische en Cyrenische mannen uit hen, welke te Antiochië
gekomen zijnde, spraken tot de Grieksen,
verkondigende de Heer Jezus. En de hand des Heren was met hen
en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot de Heere."
Zo ontstond er dus een grote Gemeente
te Antiochië, bestaande uit bekeerde en heidenen.
Dezen leefden de eerste tijd broederlijk tezamen.
Later zou de vrede verstoord worden door fanatieke Jodenchristenen, die de
bekeerde heidenen wilden dwingen, om zich te laten besnijden.
Het werd te Jeruzalem bekend, dat er
in Antiochië zulk een grote Gemeente ontstaan was. De
Apostelen begrepen, dat er leiding moest worden gegeven en dus zonden ze een
broeder van de Gemeente te Jeruzalem, die zeer geschikt was voor dat werk, nl. Barnabas.
Hij heette ook Joses
en was een Leviet, die op Cyprus geboren was. Hij was een "Grieks” en zou
derhalve met de bekeerde Grieken goed kunnen verkeren.
Hij had een goede naam: “Zoon der vertroosting”, en dat hij die naam verdiende,
blijkt wel uit de omstandigheid, dat hij bij de vrijwillige verkoop van huizen
en landerijen een voorname plaats had ingenomen. (Hand.4:36.37).
Hij was het ook geweest, die medelijden had met de bekeerde Paulus, want, toen
deze enige tijd na zijn bekering zich tot de Apostelen te Jeruzalem wilde
wenden, werd hij, wat wel te begrijpen is, met wantrouwen beschouwd. Maar
Barnabas maakte de zaak in orde. (Hand.9:27).
Lukas, die te Antiochië
gewoond had, kende hem van nabij en hij zegt van hem, dat hij een goed man was, vol des Heiligen Geestes
en des geloofs.(Hand.11:24)
Volgens vers 23 was deze trouwe
dienaar verblijd, toen hij in Antiochië zulk een
bloeiende gemeente vond. Hij vermaande de kinderen Gods om met een voornemen
des harten bij de Heer te blijven, met andere woorden, dat ze standvastig in
het geloof zouden blijven. Barnabas zal het nuttig geoordeeld hebben, dat er
in deze grote Gemeente degelijk onderricht zou worden gegeven. Nu kende hij een
man, die zeer zeker die taak op zich zou kunnen nemen en met hem zou kunnen samenwerken.
Maar, waar was die man? Waar was
Paulus gebleven?
Bekend was, dat, na zijn vlucht uit Damaskus naar Jeruzalem hij daar tegen de Griekse Joden
streed, die hem hetzelfde lot bereiden wilden als ze aan Stefanus
gedaan hadden. En dus zonden de leden van de Gemeente hem naar Tarses, zijn geboortestad. Barnabas ging dus naar Tarses en zocht en vond zijn vriend en leidde hem naar Antiochië, waar ze beiden een jaar werkzaam waren.
Aanvankelijk hield men de aanhangers
van de Christelijke leer voor een soort Joden,maar
langzamerhand werd toch wel duidelijk, dat ze een geheel andere leer hadden en
dat hun bijeenkomsten geheel anders waren dan die, welke in de Synagoge
gehouden werden.
Nu gaven hun medeburgers hun een
naam, Christiana, waaruit ons woord
"Christenen" ontstaan is. Het was het meer een naam, die spot
uitdrukte, maar langzamerhand werd hij een erenaam, die bij voorkeur door de
leden van de Gemeente gebruikt werd.
Toen b.v. de slavin Blandina tijdens de regering van Marcus Aurelius,
vreselijk gemarteld werd, gaf ze op alle vragen het antwoord; "Ik ben een
Christin."
In de tijd, toen Paulus en Barnabas
te Antiochië werkzaam waren, kwamen er enige Profeten
van Jeruzalem en hoewel het niet vermeld staat, kunnen we aannemen, dat men
door de profetieën dezer dienaren getroost en in alle
waarheid geleid werd. Ook toekomstige dingen werden geprofeteerd.
Agabus,
één der Profeten, voorspelde een hongersnood, en, volgens Hand.11:28 kwam deze onder de regering van keizer Claudius.
Ook de wereldgeschiedenis vertelt van
een geweldige hongersnood onder de regering van deze man. En waar de Gemeente
te Antiochië haar geestelijke rijkdom verkregen had
door de dienst van de leden van de Gemeente te Jeruzalem, besloten ze, een
geldinzameling te houden
tot steun van de armen in Judea.
Nu was er dus in een heidens land een
grote Gemeente ontstaan, in een stad, die met alle delen van de beschaafde
wereld in verbinding stond en waar men de taal sprak, die in al die landen
gesproken werd. Aldus werd deze Gemeente de Moederkerk voor de heidenen, het
uitgangspunt voor het zendingswerk.
We lezen dan ook in hoofdstuk 13 van
de Handelingen, hoe Barnabas en Paulus als Apostelen werden uitgezonden om het
Evangelie aan de heidenwereld te verkondigen. Zo
bracht de wrede vervolging van de Gemeente te Jeruzalem, schone vruchten voor
de verbreiding van het Christendom en we dus met recht
boven ons artikel schrijven: "Gods wonderlijke leiding met de Kerk”. AJK.