DE VREZE DES HEREN.

Dit woord "Vreze" in de uitdrukking “de Vreze des Heren”, heeft reeds menigeen in mindere of meerdere mate verwonderd. Vrezen is bang zijn, angst hebben en hoe kan men nu bij mensen, die belijden, dat God LIEFDE is, denken aan bang zijn voor God?

Het woord GODVRUCHTIG doet lang zo vreemd niet aan, ofschoon het in de grond der zaak hetzelf­de betekent. In de vorming van de talen kan men spreken van taalwetten, daar er eigen­aardige verschijnselen optreden, niet wille­keurig, maar waarvoor bepaalde oorzaken zijn aan te wijzen.

 

De wetenschap, die zich met deze en dergelijke verschijnselen bezighoudt, komt tot zeer eigenaardige gevolgtrekkingen, die er op wijzen, dat zeer verschillende ta­len terug te brengen zijn tot een oude, oorspronkelijke taal.

 

Denkt nu misschien een eenvoudig lezer van "Vreze zij U!,' "Wat heb ik met die geleerdheid te maken?", dan heeft hij reeds in zo verre ongelijk, dat door de resultaten van de taalstudie b.v, het verhaal in Genesis 11, waar de spraakverwarring meegedeeld wordt, en waarmee men zo dikwijls de spot heeft gedreven, bevestigd wordt. En alles, wat de geloofwaardigheid van de H.Schrift versterkt, is waardevol.

 

Laten we nog even terugkeren naar het woord “godvruchtig”. We kennen allen het woord "wrochten", b.v. de kunstgewrochten van de Schepper. Dat woord "wrochten" is hetzelfde als het gebruikelijke "werken". Hier zien we, dat de letter-R van plaats is verwisseld. Welnu, zo is in het woord "Godsvrucht" ook de R van plaats veranderd.

 

Wie een weinig Duits kent, weet, dat het woord "Furcht" VREES betekent. Hier ziet ge, hoe het Nederlandse woord "Vrucht" in Godsvrucht dus dezelfde verandering heeft ondergaan als bij WERKEN en WROCHTEN geschied is. Godvruchtig betekent dus niets anders dan Godvrezend.

En, wat eigenaardig is, oorspronkelijk heeft het woord VREES nog niet de betekenis gehad van BANG ZIJN. Veeleer betekende het SCHUCHTER ZIJN, wat wel in de verte iets te maken heeft met vrezen, maar toch een geheel ander gevoel uitdrukt, b.v. “een zekere eerbied hebben voor”.

 

Nu verstaan we dus ook, dat van de oude Simeon gezegd kan worden: "Deze mens was rechtvaardig en GODVREZEND, verwach­tende de vertroosting Israëls en de Hei­lige Geest was op hem." (Luk.2:25).En toen hij het Kindeke Jezus gezien had, riep hij uit: "Nu laat Gij, Here, Uw dienst­knecht gaan in vrede naar Uw woord."

Men­sen, die in hun hart bang zijn voor God, verlangen niet naar heengaan uit dit leven!

 

Wie Godvrezend is, heeft dus een gevoel van schuchterheid, van eerbied voor de Almachtige, de Schepper van Hemel en van aarde. En dat is te begrijpen. Wanneer we, als eenvoudige mensen, door allerlei om­standigheden eens in aanraking komen met beroemde geleerden of kunstenaars, dan ­voelen we ons klein tegenover hen, vooral wanneer ze ons werk moeten beoordelen.

 

Indien we ook maar enigszins begrip hebben van het Goddelijk Wezen, dan spreekt het van­zelf, dat een gevoel van kleinheid ons overvalt.

We kunnen ons zelfs voorstellen, dat er een zeker gevoel van vrees kan ontstaan bij de gedachte, dat we op de een of andere wijze plotseling met God in aanraking zouden kunnen komen. Dat zal vooral het geval zijn met mensen, die Hem niet lief hebben of die twijfel in hun hart hebben, of Hij wel bestaat.

 

Maar, is het nu niet in tegenspraak met hetgeen we hierboven zeiden, dat Godvrezend niet betekent: bang zijn voor God, wanneer we lezen, dat zelfs Godsmannen als Daniël en Johannes op Patmos grote vreze vertoon­den, wanneer zij een of andere verschijning der Godheid aanschouwden? Lezen we dan niet, dat ze als dood werden?

Nee, hier bestaat geen tegenspraak.

Het was het plotselinge verschijnen van het Hoogheilige, dat de vrees veroorzaakte en waardoor het verschil tus­sen het eindige en Oneindige, het zondige en Heilige, op overweldigende wijze de Zie- ners beving. En Hij, Die verscheen, wilde volstrekt niet, dat Zijn dienaren bevreesd zouden blijven, want telkenmale klinkt het hun tegemoet: "Vreest niet!"

 

Wanneer we lezen in Spreuken 1:7: "De Vreze des Heren is het beginsel der wijsheid," dan verstaan we, dat hier van angst hebben voor God geen sprake kan zijn. Hoe zou men, ver­vuld met angst en sidderen en vreze, ooit kennis Gods verkrijgen kunnen?

Maar de Spreu­kendichter meent: "Willen we Goddelijke ken­nis verkrijgen, dan moeten we beginnen met eerbied voor Hem te hebben, dus te vragen naar Zijn wil, naar Zijn geboden, naar Zijn openbaring aan de mensen. En dan zal men ontdekken, dat de waarlijk Godvruchtige, de Godvrezende mensen, geen angst bij hun onder­zoek aan de dag leggen, maar grote eer­bied, die hoe langer hoe meer vermengd wordt met liefde. En hoe kan daar dan nog sprake zijn van angst en vrees?

 

Zegt Johannes niet (1Joh.4:18): "Daar is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees naar buiten, want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde."

 

Ludwig Albrecht, een bedienaar van de "Oude Orde" vertaalt: "Want de vrees heeft pijn" aldus. "De vrees denkt aan straf" en hij tekent daarbij aan: "En waar sprake is van straf, daar moet ook zonde zijn”.

 

Wanneer we het voorrecht hebben met waarlijk godvrezende mensen om te gaan, treft het ons altijd, dat ze blijmoedig zijn. En dan ontdekken we, hoe de ongelovigen zich vergissen, wanneer ze denken, dat Godsvrucht tezamen gaat met een wrang ka­rakter, met een zekere stuursheid, met gemis aan levensvreugde. 0 ja, er zijn ze­ker mensen, die de Heer dienen en die zulke eigenschappen bezitten, maar ach, hoe weinig kennen ze God en hoe weinig verstaan ze, dat God in Christus ons een Va­der geworden is! Hij is voor hen de God der wrake, der eeuwige verdoemenis.

 

Neen, wanneer we ons zulk een, beeld van God vormen, is het wel zeer misvormd! De vrome dich­ter van de 119e Psalm zingt. "Die U vrezen, zullen mij aanzien en zich verblij­den, omdat ik op Uw Woord gehoopt heb."

Dus, de Godvrezenden zullen zich verblijden, dat zij iemand ontdekken, die met hen op de Heer hoopt, die dus hetzelfde voor­recht geniet als zij zelf! (Vers 74).

Hoe loven de vrome Psalmdichters allen de Heer en hoe vele malen klinkt hun uitroep: "Hallelujah!" (Prijst God!)

Zulke uitroe­pen kunnen alleen geboren worden in har­ten, die verblijd zijn, doordat ze met de Almachtige in gemeenschap staan!

Hoeveel te meer mogen de kinderen van het Nieuwe Verbond juichen, door de Zone Gods met de Heilige verzoend zijn, die zich door Christus met de Zoon als kinderen Gods mogen beschouwen, ja als mede-erfgenamen der Heerlijkheid!

 

En juist hier moet de vreze des Heren blijken, dat is grote eerbied voor God. Daartoe is nodig kennis der zonde en de diepte der el­lende, waarin ze het mensdom heeft ge­stort. Wanneer iemand aan een vreselijke ziekte zou lijden, waarvan hij de gevolgen niet weet, hoe kan hij dan de geneesheer dankbaar zijn die hem van zijn 1ijden geneest?

Zo ook, wanneer we geen kennis van zonden hebben, hoe kunnen we dan dankbaar zijn voor het werk der Verlossing? Moeten we dan geen eerbied, vermengd met, ja, overvleugeld door liefde, in ons hart gevoelen wanneer we er­varen, dat onze zonden verzoend zijn door het Bloed des Lams, dat God in Zijn genade ons rechtvaardigt door ons geloof in het werk van Hem, Dien Hij gezonden heeft, opdat wij het eeuwige leven zouden beërven?

 

Zacha­rias, de Vader van Johannes de Doper, zong, toen zijn tong weer los gemaakt was: "Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden ZONDER VREZE in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, alle de dagen onzes levens”.

 

En wij, die weten, dat de Heer Je­zus na Zijn kruisdood, Zijn werk als de biddende Hogepriester voor ons voortzet in de hemel, hoe worden we telkens bepaald, wan­neer we onze zonden belijden en de dienst van het H.Avondmaal vieren, bij dat werk der Verlossing, dat de welsprekendste prediking der genade Gods is! En daarom noemde men van oudsher de dienst de Eucharistie, d.w.z. de Dankzegging!

 

Hier vervult wel dankbaarheid en liefde ons hart, maar hier is geen sprake van vrees, van angst! Maar wel van EERBIED, van een heilige schuchter­heid, want wij zullen aan de dis des Heren deelnemen aan Zijn offerande, eenmaal voor alle tijden en alle geslachten volbracht. Daar komen de ware God vrezenden zonder vre­ze, maar met jubelende klanken tot de Tafel des Heren, om Zijn heilig verborgen Lichaam te eten en Zijn heilig verborgen Bloed te drinken, waardoor de ware gemeenschap met Hem vernieuwd wordt.

 

Godvrezend.... dus met heilige eerbied vervuld! Hoe staat het daarmee, niet al­leen bij het nuttigen van het H.Avondmaal, maar in geheel ons leven?

0, daar zijn er (zijn het er velen?) die de zin van het woord Godvrezend, met heilige eerbied vervuld zijn, niet blijken te verstaan; die in de grond der zaak alle schuchterheid voor het Heilige hebben verwisseld met een gemeenzaamheid, die kan doen huiveren.

 

Wij bezochten eens een oude zuster der gemeen­te, die iets liet vallen en daarbij een gruwelijke vloek deed horen. Toen wij haar vermaanden, kwam er een verontschuldiging: "Onze lie­ve Heer is niet voor heiligen gekomen".

Welk een zelfbedrog! En zo nu en dan hoort men wel eens uit andere monden, die eigen­lijk God moesten prijzen, Zijn heilige Naam als stopwoordje gebruiken, ook wel in ver­basterde vorm.

Hoe is het mogelijk? zou­den we vragen. Hier zouden we bijna wensen, dat Godvrezend voor hen betekende bang zijn voor God.

 

Maar ach, waar zou dan de blijdschap des geloofs blijven? 0, dat we toch nooit spelen met de dingen der genade! God gebiedt, dat we Zijn Naam niet ijdel­lijk zullen gebruiken en Hij dreigt in Zijn liefde:”Ik zal niet onschuldig hou­den, die Mijn Naam, ijdellijk gebruikt!"

 

Jakobus zou vragen: "Kan er uit een bron zout en zoet water voortkomen?" Wanneer in ons hart de ware liefde, de ware eer­bied voor God wonen, dan kunnen we Hem al­leen maar loven en prijzen en gehoor geven aan het woord van de Psalmist: “DIENT HEM MET BLIJDSCHAP!”. sdj.