EEN VLEK OP HET REINE KLEED
De Kerk te Jeruzalem,
zoals deze in de aanvang voor ons geestesoog verrijst, biedt een lieflijke
aanblik. Want wat is er schoner verschijning dan een Kerk, waar gehoorzaamheid
en liefde heersen, waar eenheid in de leer gevonden wordt en alle leden zich
voorbereiden, om straks hun Heer te ontmoeten!
In zulk een gemeenschap
kan de Heilige Geest Zich rijkelijk openbaren en Zijn gaven in volheid mededelen. Van zulk een Kerk gaat kracht uit en zij is een
eer voor haar stichter, haar Heer en Koning.
Het doet waarlijk goed,
wanneer we van de Kerk te Jeruzalem lezen: "Ze had genade gevonden bij het
ganse volk." (Hand.2:47) d.w.z. dat de
leden door de buitenstaanders met een zekere eerbied werden beschouwd.
Lukas schrijft dan ook
vol lof over haar: "En zij waren volhardende in de leer der Apostelen en
in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden. En een vrees
kwam over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de Apostelen.
En allen die geloofden waren bijeen en hadden alle dingen gemeen en zij
verkochten hun goederen en have en verdeelden ze aan allen, naar dat elk van
node had en dagelijks eendrachtelijk in de Tempel volhardende en van huis tot
huis brood brekende, aten ze tezamen met verheuging en
eenvoudigheid des harten en prezen God en hadden genade bij het ganse volk. En
de Here deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden." (Hand.2:42-47).
Een benijdenswaardig
voorbeeld voor alle tijden! Ook voor ons!
Er zijn dikwijls leden,
die het veel beter weten dan de van God gegeven
bedienaren, die de Bijbel handhaven 'en in de leer der Apostelen’ getrouw de
Heer dienen.
Zulke eigenwijze leden
verwonderen zich wellicht over het feit, dat zij zelf niet door de Heilige
Geest tot ambtsdragers zijn geroepen. Hun ingebeeld, diep geestelijk inzicht,
gaf er hun minstens toch wel enig recht op! Zulke mensen zullen ook wel moeite
hebben (en de ondervinding bevestigt meermalen deze veronderstelling), met het
blijven in de gemeenschap der broederlijke liefde.
Waar de innerlijke vrede
ontbreekt, wordt de wrevel dikwijls spoedig over de hoofden van anderen
uitgegoten. De breking des broods, (het H.Avondmaal),
maken ze voor zich zelf tot een verboden zaak, en, zo ze het
wagen, om onverzoend tot de Heilige Dis toe te
treden, eten en drinken zij zich een oordeel.
En, hoe kan er sprake
zijn van een innig gebedsleven, als
het hart met bitterheid vervuld is!
Het is niet zo maar, dat
Lukas voorop stelt het blijven in de leer der Apostelen! Het zal uit het
bovenstaande dan ook wel duidelijk zijn geworden, dat de geschetste gebreken zo
licht ontstaan kunnen, waar dit gehoorzaam volgen ontbreekt.
Maar hoe heerlijk, waar
de ware eensgezindheid heerst. Daar woont de liefde, die door God naar die 133e
Psalm met Zijn zegen wordt bekroond. En liefde straalt als een vuur warmte uit,
waardoor de koude omgeving verkwikt wordt.
De wereld is zo koud en
liefdeloos en, het egoïsme heeft in zoveel
harten post gevat. En toch hebben zoveel mensen, haast zouden we zeggen, ALLE
mensen behoefte aan liefde.
Deze hoeft zich niet al
tijd te uiten door stoffelijke bewijzen. Zij kan het ook doen door waarachtig
medeleven, of belangstelling in de lotsbeschikking van anderen. Dat trekt aan
en vindt bijna altijd een
goede voedingsbodem. Waar de woorden van het geloof gepaard gaan met
liefdedaden, wordt de ware kracht tot geloofsverbreiding gewerkt.
We lazen: "En de
Heer deed dagelijks toe tot de gemeente, die zalig werden”
En, daarvóór vonden we
vermeld, dat die Gemeente genade vond bij het ganse volk.
Zeker, de Heer voerde de
bekeerlingen tot de Kerk en deze hield door haar eensgezindheid in de
leer, door haar onderlinge liefde en heiligheid des levens, de deuren van die
Kerk wijd open.
De door de Heer tot die
deuren gebrachte zielen vonden daar geen hindernissen van verdeeldheid en
onheiligheid, waardoor ze afgestoten werden. Neen, de toegang stond wijd open
en, het schone, dat gepredikt werd, vond men IN de
Kerk in toepassing gebracht.
En, waren de toegebrachten eenmaal, binnen de muren van de Kerk,dan werden ze, van trap tot trap, ingeleid in de heerlijke
leer die kracht gaf voor het moeilijke aardse leven, dat nu in de glans der
Heerlijkheid van het eeuwige leven werd gesteld.
Zó werd de Kerk het
machtige wapen tegen het rijk der duisternis.!
Is het een wonder, dat de
vorst der duisternis zich opmaakte, om tegen dat wapen zijn eigen werktuigen te
stellen!
Twee er van zijn al heel
geschikt, om het doel te bereiken: en, wélk doel had de satan hier het eerst op
het oog?
We zagen, hoe de goede
naam van de Christenen een grote aantrekkingskracht uitoefende, op de
buitenstaanders. Deze goede naam moest dus, indien mogelijk,
beschadigd worden,
Ieder roemde het reine
kleed van de Bruid, welks blinkende schoonheid
beantwoordde aan dat, wat Ps.68:1.4
zegt: “Al laagt gijlieden
tussen twee rijen van stenen, zo zult ge toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver en welker vederen zijn met
uitgegraven geel goud"
De glans van het zilver
en het blinken van het uitgegraven goud moesten verdwijnen. De liefde en de
waarheid, twee hoofdkenmerken van het Koninkrijk Gods, moesten beschadigd
worden. De goede naam van de Kerk moest worden aangerand, opdat de vreemden
zouden zeggen: "Ziet ge wel, hoe weinig verschil
er is tussen de belijders van Christus en van hen, die Hem verwerpen?"
En
nu vond de satan twee krachtige wapens: hoogmoed en gierigheid; de hoogmoed,
die de eerste mensen ten val bracht en de gierigheid, die volgens de Apostel de
oorzaak is van alle kwaad. (1Tim.6:10).
Maar, konden dan zulke
eigenschappen nog gevonden worden in de harten van wedergeborenen, van mensen,
die door het vuur van de Heilige Geest gelouterd waren?
De ervaring leert het,
en, al zou deze droevige waarheid niet te verklaren zijn, zelfs dan nog blijft
ze een onweersprekelijk feit. Vergeten we niet de juiste betekenis, die in het
woord zelf opgesloten ligt: geboorte is de aanvang van het leven en dus is de
wedergeboorte de aanvang van het nieuwe leven, dat met zorg ontwikkeld moet
worden door gebed, door het lezen van Gods Woord, door het kerkelijk
leven, waar ons telkens versterking wordt verleend door het Heilig Avondmaal.
Waar in alle ernst zulk
een leven wordt geleid, daar zal het nieuwe leven zich harmonisch gaan
ontwikkelen en zullen er schone vruchten des H.Geestes
aanschouwd worden.
Maar niet altijd gaat de
geestelijke wasdom ongestoord. Niet overal is de nodige ernst aanwezig of de
vaste wil, om den. Heer te dienen en daar is dikwijls meer van de oude mens te
zien, dan wenselijk is.
En waar de verkeerde
eigenschappen niet met tak en wortel worden uitgeroeid, daar vindt de boze aangrijpingspunten, zwakke
plekken in de vestingmuur, waarop hij zijn aanvallen richt.
Nu is er geen enkele
"zielenmuur" volmaakt, maar we kunnen wel ontdekken waar de fouten
schuilen, vooral door te bidden zoals David deed, of God Zelf ons wil tonen,
waar het aan hapert: "Doorgrond mij, 0 God! en
ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten, en zie of bij mij een schadelijke
weg zij en leid mij op de eeuwige weg”.(Ps.139:23-24).
"Leid ons niet in
verzoeking, maar verlos ons van de boze",
zo leert de Heer ons bidden en Hij heeft beloofd, dat ieder, die bidt, verhoord
zal worden. Wie dus ernst maakt met het zelfonderzoek en dan ook durft het mes
te hanteren, waar een zieke plek moet worden uitgesneden, die zal ongetwijfeld
toenemen in heiligmaking, zonder welke niemand God zien zal.
Maar wie zijn fouten wil
verschonen, zijn gebreken soms zelfs nog als deugden wil bezien, die zal heel
gemakkelijk een prooi worden van de vorst der duisternis en zijn machtig geestenheir.
Hoogmoed en gierigheid,
zeiden we, zijn de fouten, die het de boze
al heel gemakkelijk maakt, om ons in zijn net te krijgen. En deze zwakke
plekken vond hij in de harten van Ananias en Saffira. Zij wilden mee doen met de, toen algemene beweging
om de bezittingen te verkopen ten bate van de gemeenschap. (Met communisme
heeft dit niets uit te staan).
Een
voorgeschreven systeem was het niet, want Petrus zegt (Hand.5:4):
"Zo het gebleven ware, bleef het niet uwe en verkocht zijnde, was het niet
in uwe macht?"
Men deed het, daar men
ten eerste uit de woorden van de Heer, wist dat de Kerk in de wereld
verdrukking zou lijden en dat men verjaagd en verstrooid zou worden. Dan kon
men beter zijn vaste goederen verkopen ten bate van de armen dan dat ze straks
in vijandige handen zouden vallen. Bovendien, de Heer zou toch zeer spoedig
wederkomen en waartoe zouden dus die goederen dienen?
Kinderlijk geloof en
naastenliefde heersten dus in de harten van de bezittende klasse in de kerk,
want, geloof was toch in ieder geval nodig om tot deze stap te komen en, zonder
liefde tot de naaste zou men zich toch niet arm maken.
Dat niet allen hun huizen
hebben verkocht, blijkt wel uit een latere mededeling: dat Petrus, ná zijn
bevrijding, naar het huis ging van Maria, de moeder van Johannes die toegenaamd was Markus, waar de gemeente vergaderd was en
welk huis dus tamelijk groot moet zijn geweest.
Hij, die het eerste zijn
bezittingen verkocht, zal wel Joses zijn geweest die
ons in Hand.4:36 wordt genoemd met de erenaam
Barnabas, zoon der vertroosting.
Van hem staat tenminste extra medegedeeld dat hij een akker verkocht en
het geld aan de voeten van de apostelen bracht.
Uit zijn verkregen
erenaam blijkt, hoe hoog zijn nobele daad door de apostelen geschat werd, velen
volgden zijn voorbeeld.
Het genoemde echtpaar
wilde wél de roem oogsten om ook kinderen der vertroosting te zijn; daartoe
spoorde hun hoogmoed hen aan.
Maar, hun gierigheid
verzette zich tegen het schenken van de gehele verkoopsom; en, de satan blies
hen aan om zich met een schone schijn te tooien, een schijn, die hun zo
dierbaar was, dat ze die tot geen prijs wilden missen en waardoor ze zelfs een
leugen tegenover een dienstknecht des Heren durfden te
gebruiken.
De Schrift zegt, dat de ogen van de mensen door de satan
worden verblindt, en zeker, waren de ogen van deze echtelieden verblind.
Jammer, dat niet één van deze twee, de andere tot inkeer
probeerde te brengen, maar integendeel: gezamenlijk werd het boze plan opgemaakt want niemand
zou immers hun bedrog kunnen ontdekken.
Petrus had immers toch
geen voldoende kennis van de waarde van huizen en akkers en niemand hoefde te weten,
tegen welk bedrag zij hun bezitting te gelde hadden gemaakt. Nee, mensen zouden
het bedrog niet kunnen ontdekken, maar daar is er Eén, Die het oor geplant
heeft en Die het oor geschapen heeft en Die dus kan zien en horen; Die, zelfs
in de geheimste schuilplaatsen van het hart doordringen kan!
DIE laat Zich niet bedriegen en Hij openbaarde, door
de H.Geest, aan Petrus, wat boos stuk het echtpaar bestond te, doen!
“Gij
hebt de mensen niet gelogen, maar God".
Het vreselijke in deze
geschiedenis is, dat deze Ananias geen gelegenheid
kreeg, om zich nog te bedenken en, letten we er wel op,dat het niet Petrus was, die hier het vonnis velde.
We kunnen ook niet
aannemen, dat Petrus zulk een zware en ogenblikkelijke straf zou hebben durven toepassen. Met Saffira
stond de zaak wel iets anders en erger. Zij kon uit de vraag van de Apostel
opmaken, dat hij op de hoogte was van het bedrog, minstens dat hij bedrog
veronderstelde. Zijn vraag stelde haar nog in de gelegenheid om berouw te
tonen, maar ook Saffira was verstrikt in het leugen van de vader der leugenen.
En nu was het Petrus, die
het vonnis velde, en, stellig heeft hij dat gedaan door aandrijving des Geestes. Hoe zou hij als mens, zulk een straf hebben durven
opleggen, hij, die zelfs voor de oversten der Joden, die de Christus hadden
overgeleverd tot de kruisdood, nog welwillende woorden over had (Hand.3: 17).
Maar wèl
wordt door deze ijselijke geschiedenis ons duidelijk, dat een andere Apostel
kan schrijven, dat onze God een verterend vuur is en dat het vreselijk is, te
vallen in de handen van de levende God!
Dat er in Jeruzalem grote
vrees in- en buiten de Kerk ontstond, kunnen we ons voorstellen. En ook, dat er
bij buitenstaanders veel zal zijn gesproken over een gemeenschap, die beweerde
de Heilige Geest te hebben ontvangen en waartoe zulke bedriegers behoorden!
En, het reine kleed der
Bruid was bezoedeld door hen, die het moesten dragen. Op morsige kleren ziet
men niet of nauwelijks wanneer en waar er een vlek bijgekomen is, maar op een
rein, wit kleed ontdekt men onmiddellijk een smet, zelfs als deze heel klein
is.
Of er naderhand nog meer
zulke oordelen over de lieden gekomen zijn, die de dienaren des Heren bedrogen
hebben, vermeldt de H.Schrift niet.
Wel vinden we een zware
straf uitgesproken over een lid van de Gemeente te Korinthe,
waar ook de eer des Heren aangerand was. Dààr werd de
schuldige overgegeven in de macht van de satan, opdat door verderf van het
lichaam de geest nog zou worden behouden (1
Kor.5:1-5).
Hoe zich dit nu heeft
voltrokken, weten we niet, maar erg is het in ieder géval geweest.
Deze geschiedenis is een
ernstige waarschuwing voor allen die het met de eer des Heren en van de Kerk
niet zo nauw nemen of die menen, dat men de dienaren Gods straffeloos kan
bedriegen en voorliegen.
Laat ze ons aansporen, zo
we gezondigd hebben, om ons misdrijf eerlijk voor God te belijden en Hem bidden
om kracht tot geloof om te leven tot eer van Zijn Naam.sdj.