De reis naar onze bestemming
Lukas 15:11
Er zijn vele treffende parallellen te onderscheiden tussen de gedragingen van beide zoons die Christus ons tekent in de gelijkenis van de verloren zoon, en het leven van de jeugd die nu jong is.
Het begint al direct met die verre reis met onbekende bestemming, die de jongste zoon onderneemt, te vergelijken met de reis van een jongeling naar volwassenheid. Avontuurlijk en ook riskant, zeker vandaag de dag, waar het jong zijn bepaald niet eenvoudig is. Men kan zomaar op gevaarlijk terrein terecht komen. Weliswaar bestaat de vrije keus om te beslissen welke kant men op wil, maar dan wel temidden van velen die hun eigen gang wensen te gaan, zonder principes of morele voorschriften.
Op de ijdelheids-kramen van het moderne leven liggen vele aanlokkelijke zaken uitgestald. Satan zelf is de chefmanager van dit grote wereldwinkelcentrum en zijn bedienden achter de stands weten ze heel goed te verkopen. Je raakt er dan ook nauwelijks op uitgekeken.
Wat doet de vader?
Het is geen wonder dat de vader uit de gelijkenis met die vreemde reis van zijn zoon niet veel opheeft. Het staat er weliswaar niet met zoveel woorden, maar je voelt aan alles dat hij er tegen is. Tussen oudere en jongere generatie is er altijd het conflict geweest over de manier van leven, maar nog nooit zo fel als in onze tijd, waar de macht der duisternis hoogtij viert. Wij ouderen kunnen de jeugd vaak nauwelijks volgen in hun beleving van het jong zijn. We weten eigenlijk niet wat we met ze aan moeten. Moeten we nu meer toelaten en veel meer over onze kant laten gaan, of moeten we op tafel slaan en ons gezag laten gelden?
We begrijpen weinig van die vader die wist dat het met de reis van zijn jongste zoon niet goed zat en die niets doet. Ja, hij verschaft die jongen zelfs de middelen voor zijn reis door hem zijn erfdeel te geven. Doet hij daar wel goed aan?
Dat is onze vraag van heden.
De generatiekloof
In de chaos van het leven van tegenwoordig, waarin de jeugd als immer de reis naar volwassenheid onderneemt, zijn de oudere en jongere generatie steeds verder van elkaar af geraakt. Diep innerlijk verstaat men elkaar vaak niet meer. Vele jongeren zijn losgebroken en drijven weg, de wijde wereld in. Het is ook bijzonder moeilijk om ze vast te houden. Hoe moet je als ouder handelen? Niet te strak houden, maar ook weer niet te veel toegeven aan hun verlangens. Ze worden hoe langer hoe vroeger losgelaten en dertienjarigen zien er uit als zestienjarigen, terwijl als ze achttien zijn sommigen al de deur uit gaan. Zo verliest men hoe langer hoe vroeger de controle.
Wat voor ouders eerbiedwaardig, traditioneel en heilig is, slikt de jeugd lang niet altijd. Men hoeft natuurlijk niet achter de ouders aan te sjokken en jongeren hebben het begrip nodig, dat zij in een strijd verwikkeld zijn om tot klaarheid te komen betreffende een levensovertuiging en houding, die niet op napraten berust, maar in eigen worsteling is gewonnen. Door schade en schande moet men wijs kunnen worden en verantwoord volwassen. Duizend maal liever en beter de jongste zoon, die terug moest keren om goed thuis te komen, dan de oudste die niet wegging, omdat hij al weg was en vervreemd van de vader.
Bezittingen
Iemand had twee zonen. (Lc.15:11), sprak
de Here Jezus. Beiden gaan, los van het leeftijdsverschil op
reis, want jong zijn is altijd-op-reis-gaan, ook al zet je geen
voet buiten de deur. Ze hebben een verschillende aanpak. De
jongste is een type, die onder alle klassen en standen voorkomt,
namelijk door te breken met het ouderlijk huis. Hij gooit zomaar
weg als waardeloos, wat zijn ouders, de kerk of vroegere
generaties na veel strijd en worsteling hebben verworven.
Ouderschap, gezin, vriendschap, liefde en plicht functioneren
niet meer.
De terugkeer van de verloren zoon -(Murillo)
Hij ontdoet zich ervan, omdat het blijkbaar de praktische betekenis verloren heeft. Vaak argwanend en minachtend staat men tegenover de godsdienstige en morele waarden. De jongste zoon maakt het van de vader verkregen bezit te gelde. Het jonge leven, verkregen van de oudere generatie, is als zodanig in het bezit van vele goederen. Het is rijk aan fantasie, lichamelijke en geestelijke gaven en krachten en daarom biedt het ruime mogelijkheden om van het leven te genieten. Men wil daar het zelfbeschikkingsrecht over en eist de vrijheid om zichzelf te zijn.
God is vaak een leeg begrip geworden en het jong zijn kenmerkt zich door de overdaad, in onze tijd een begeleidend verschijnsel van de weelde. Het kan niet op en nooit is er genoeg. Losgeslagen
We lezen het ook in de gelijkenis: Hij verkwistte zijn vermogen in een leven van overdaad (vs.13). Aan het breken met vroeger zit vaak overdaad vast. Gooi de remmen los en de mens raakt losgeslagen. Als een paard de teugels mist, slaat het op hol. De normloze, de Godloze mens zoekt de felle beleving van volslagen losbandigheid. Men leeft zich uit in het smijten met geld en grote woorden. Maar... de overdaad moet wel betaald worden. En met welke prijs? Alles, lezen we, alles jaagt de jongste zoon erdoor. De relatie met zijn familie, zichzelf met de kracht van de jeugd en tenslotte jaagt hij zelfs God erdoor. Zo duur is de overdaad. Ja de overdaad schaadt ook hier. Verwoestend grijpt de levensverwildering onder de tegenwoordige jeugd om zich heen: verslaving aan de moderne media, seks, drank en drugs verslaat zijn duizenden. Niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk gaat men ten onder.
De reis van de jongste zoon loopt uit op een volslagen mislukking, een geestelijk failliet. De jongste zoon begon gebrek te leiden. Hoe wijd en zijd hij het verre land zich ook voorgesteld had, het bleek ook grenzen te hebben: honger, ondergang. Het gebrek komt vroeg of laat voor menig jongmens dat zijn jong zijn heeft beleefd op deze wijze. Weg zijn de nieuwe relaties, maar ook de relatie met God is weg. Diep innerlijk weet men zich dan ongelukkig en tegelijkertijd machteloos. Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen. Het leven wordt een eenzaam avontuur, zonder idealen, zonder illusies en zonder houvast. Toch laat de Heer dezulken niet los, zoals ook de vader uit de gelijkenis naar de zoon bleef uitzien. En wij, wij kunnen door het geloof hen ondersteunen.
De kracht van het gelovig gebed vermag veel. In de Geest en de liefde van Christus weten we ons gedrongen ons voor de overdadige medemens in te zetten. Tot de bestemming Wij allen, jongeren en ouderen, kunnen nu eenmaal niet goed leven, tot onze bestemming te komen, zonder God, zonder Christus in ons leven toe te laten. Zonder Goddelijke begeleiding gaat de jeugd in haar jong-zijn, maar ook de oudere verloren. We kunnen op velerlei gebied geslaagd zijn, keurig nette mensen die het ver hebben gebracht in deze wereld, maar als we bij dit alles niet met Christus geslaagd zijn, komen we niet op onze bestemming. God vraagt daartoe ons hart. De wereld mag dan op het oog veel te bieden hebben, ze schenkt geen verzadiging, maar laat ons berooid worden, onze ware bestemming missen. 'Geef Mij uw hart,' is de opdracht voor elk christen, jong en oud. Dan kunnen we rekenen op Zijn hulp, op de leiding van de Heilige Geest, want ons is weliswaar geen gemakkelijke reis beloofd, maar wel een behouden thuiskomst. Dat geldt elke zondaar die zich bekeert en met opgeheven handen kan roepen tot de Vader, Die op hem wacht: "Here, hier ben ik." G.Ba.
1