De verloren Zoon

De gelijkenis van de verloren zoon is één van de mooiste en bekendste gelijkenis van de Heer, en, deze geschiedenis spreekt ons dan ook sterk aan.

Misschien zal een enkele lezer wanneer hij deze titel leest, dit blad terzijde leggen met de gedachte: “O, de verloren zoon.?; Deze geschiedenis ken ik goed, dat weet ik nu wel.”

Ja, dat zal wel zo zijn, maar toch.... dikwijls blijkt het dat men iets wel vele malen gehoord of gelezen heeft, maar dat men toch niet geheel de juiste bedoeling van het een en ander geheel begrepen heeft.

En, dit komt vooral nogal eens voor met het lezen van de Heilige Schrift.

Wij lezen bij voorbeeld van de verloren zoon, dat hij “tot zichzelf kwam” en dat hij toen bij zichzelf zei: “Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan en tot hem zeggen: Vader.! ik heb gezondigd tegen de Hemel en voor u, en ik ben niet meer waardig om uw zoon genaamd te worden; maak mij als één van uw huurlingen.”

Wij zien hier bij deze zoon een waarachtig berouw; een berouw dat op geen enkele wijze meer aanspraak wil of durft te maken op zijn rechten.

Alleen maar een opnieuw aannemen zonder ook maar enige voorwaarde of pretentie.

Het is echter wel eens voorgekomen dat, bij de terugkeer in de gemeenschap van een broeder of zuster, de bedienaren het verwijt kregen dat zij niet direct “het gemeste kalf” slachtten, zoals dit toch in de bovenbedoelde gelijkenis van de verloren zoon ook voorkomt

En, dat de teruggekeerde niet de berouwvolle houding vertoonde zoals dat door de Here Jezus in de gelijkenis werd geschilderd, dat werd dan niet geheel begrepen.

Bovendien moeten wij vooral niet vergeten, dat de gelijkenissen van de Heer dikwijls meerdere toepassingen hebben, oppervlakkige, maar ook dikwijls in verborgen taal getuigen van de diepe waarheden Gods.Daarom sprak de Heer Jezus dan ook in Mattheus 13:15: “Een iegelijk schriftgeleerde, in het koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.”

Een gelijkenis is, tot voorbeeld en lering, een greep uit het dagelijkse leven.

“Een zeker mens had twee zonen.

Volgens het verhaal waren het twee volwassen mensen, de jongste nét meerderjarig en de oudste één of twéé jaren ouder.

De oudste was rustig en kalm, een goede zoon in het huis.

De jongste daarentegen was min of meer een woelwater, en, misschien omdat hij de jongste was, ook wel wat verwend, want hij was gewend om meestal zijn zin te krijgen.

Wij weten heel goed, dat verwende mensen over het algemeen lastig voor hun omgeving zijn, want, zij moeten altijd gelijk hebben, het beste hebben, het meeste hebben, enz.

Nu hij dus meerderjarig was geworden voelde hij zich heel wat omdat hij nu zelfstandig was geworden en niet meer als een kind onder de verantwoording van zijn ouders viel.

En daarom leek het hem maar niets om nu nog in het huis te zijn en op zijn vingers gekeken te worden; en bovendien, zo dacht hij, had hij meer geleerd dan zijn ouders en bezat hij zeker wel zoveel wijsheid dat hij op eigen benen zou kunnen staan.

Hij verlangde naar de vrijheid waarin hij kon doen en laten wat hij zelf wilde.

Hij was het al snel met zichzelf eens dat hij nu maar eens de koe bij de horens moest vatten en de wereld moest in gaan.

Wanneer zijn vader hem nu het erfdeel dat hem toekwam meegaf, dan kon hij zich ook financieel vrij bewegen en zich er best doorheen slaan.

Wat zou men er later van opkijken wanneer men zou zien dat hij het ver geschopt had.

Toen hij zijn erfdeel van zijn vader gekregen had, kon hij zich het nodige voor de reis aanschaffen, en, zo was al spoedig de dag aangebroken dat hij, met een flinke bagage, afscheid nam en het ouderlijk huis verliet en blij en vol goede moed de wereld introk.

Zeker, hij was een vlotte jongen die zich best kon bewegen en hij had al snel omgang met anderen waarmede hij goed overweg kon.

Het was heerlijk voor hem om zo vrij te zijn en te kunnen doen en laten wat hij zelf wilde zonder dat hij aan de regels en de orde van zijn ouderlijk huis hoefde te storen.

Omdat hij goed bij kas zat, had hij vele vrienden zodat er nog al eens een vrolijk dagje overschoot.

Maar, de waarde van het geld, dat kende hij niet, dat had hij nooit geleerd en daarom dacht hij er niet aan dat zijn geld snel verminderde.

Hij leefde overdadig, en, zoals wij uit de gelijkenis kunnen verstaan, was het dikwijls “wijntje en trijntje”.

Door deze levenswijze duurde het echter niet lang of hij was aan lager wal geraakt; zijn geld was op en zijn vrienden verdwenen, de één na de ander.

Tenslotte vinden wij hem terug als een zwijnenhoeder.

Voor een Jood was dit wel het verachtelijkste werk dat men maar bedenken kon, omdat, volgens de wet van Mozes, de zwijnen onreine dieren waren.

Het was zelfs zo erg met hem gesteld, dat hij, van honger, graag van het voedsel van de zwijnen had gegeten, maar daarvoor geen kans kreeg omdat de verzorgers van de zwijnen dit niet toestonden.

Het was wel zeer treurig met hem gesteld.

Zijn gedachten gingen nu terug naar zijn ouderlijk huis en nu werd er wat in hem wakker, want nu besefte hij pas hoe goed hij het daar altijd had gehad.

Zelfs de knechten van zijn vader hadden het heel goed, ja, zelfs veel beter dan dat hij het nu had.

Hij kwam tot zichzelf, dat wil zeggen, hij begon nu in te zien hoe ondankbaar als hij was geweest terwijl hij het zo goed had.

Nu komt bij hem het plan op om: naar zijn vader te gaan en zijn zonde en schuld voor God en de mensen te belijden.

Hij zal erkennen dat hij door zijn gedrag geen rechten meer heeft om een zoon te mogen zijn, maar ach, als hij dan maar als één van de knechten mocht worden aangenomen.

En, hij laat het niet bij zijn voornemen maar hij staat op en gaat het ook doen: hij gaat terug naar zijn vader.!

Zijn vader: het bedroefde de vader toen zijn zoon vol goede moed het huis verliet; geen dag en geen nacht was zijn zoon uit zijn gedachten en elke dag weer opnieuw keek hij uit naar zijn terugkeer.

Soms stond hij aan de weg te turen om te zien of zijn zoon er al aankwam, totdat hij wérkelijk kwam.!

Maar ach, als een dandy was zijn zoon weggegaan, maar als een vagebond, met gescheurde kleren en barrevoets, kwam hij terug.

Hij kwam echter terug met een berouwvol hart.

De aanleiding tot deze gelijkenis vinden wij in het begin van het Hoofdstuk:

“En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen. En de Farizeeërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen.”

Deze tollenaars en zondaars waren mensen die door het volk diep veracht werden door hun leven in ongerechtigheden; van de Here God en Zijn dienst, moesten deze mensen niets hebben, en, in de Tempel kwamen zij niet.

De Farizeeërs en de Schriftgeleerden lieten hen links leggen.

De Here Jezus was echter niet gekomen voor de rechtvaardigen, maar Hij was gekomen tot bekering van zondaren.

De Heer ging met alle mensen om, óók met deze verachte tollenaren en zondaren, en, wanneer het zo uitkwam dan at Hij ook met hen.

Van de Here Jezus werd gezegd, dat Hij: “ een vriend van tollenaren en zondaren was.” Lukas 7:34

Deze verachte mensen voelden zich tot Hem aangetrokken en zij luisterden met belangstelling naar de woorden Gods die Hij tot hen sprak.

Deze mensen, die in hun zondestaat zo ver van God verwijderd waren, maar nu door de woorden van de Heer aan zichzelf ontdekt werden, stelt de Heer in deze gelijkenis voor in het beeld van de verloren zoon.

Zij hoorden immers toch ook tot het Joodse volk en daardoor ook tot het Huis Gods.?

Zij waren echter door de zonden en ongerechtigheden daar zeer ver van afgedwaald.!,maar,door de liefde van de Vader in Christus, worden deze mensen weer naar het Vaderhuis geleid.

Maar, evenmin als de oudste zoon in de gelijkenis blij is over de terugkeer van zijn broeder, zo waren ook de Farizeeërs en de Schriftgeleerden er in het geheel niet mee ingenomen dat de Rabbi van Nazareth Zich met deze zondaren inliet, en met hen sprak over de Here God en Zijn dienst.

Volgens hun mening moest Hij zich niet met dit soort mensen inlaten; ja, het was zelfs één van de redenen waarom de priesters en de Schriftgeleerden de Heer niet konden verdragen.

Hij had Zich veel meer aan hún zijde moeten scharen en, evenals zij, Zich niet met deze goddeloze mensen moeten bemoeien.

De Heer Jezus wil hen echter met deze gelijkenis vertellen, hoe het Goddelijke mededogen met de toestand van de mensen is vervuld.

Zeer zeker is de gelijkenis van de verloren zoon ook in onze tegenwoordige tijd nog van betekenis en toepassing.

Evenals de verloren zoon het huis van zijn vader verliet om de wereld in te gaan, zo zijn er ook in onze tijd dezulken die het Huis Gods verlaten om in “vrijheid” in de wereld te gaan leven volgens hun eigen zin en lusten.

De dienst in het Huis van de Vader, is hun te eng en te benauwd geworden.

Zij kunnen het niet meer opbrengen om altijd maar weer te worden bepaald bij de zonde en de ongerechtigheid om dan met boete en berouw tot God te moeten gaan om weer vergiffenis en vrijspraak te ontvangen.

Zij kunnen het niet meer opbrengen om altijd maar te moeten leven naar de wil van God, naar Zijn Woord en Zijn wetten, dat is voor hen te moeilijk.

En, evenals de jongste zoon het huis van zijn vader verliet, verlaten zij ook op zekere dag de Kerk, ofwel het Huis des Vaders, en gaan de wereld in.

Je voelt je pas vrij wanneer je niets meer hoort over zonde en ongerechtigheid en over de wetten van God, dat is pas heerlijk.

In de eerste tijd genieten zij, met hun wereldse kennissen, volop van deze heerlijke vrijheid, en leven in deze vrijheid zelfs overdadig.

Maar, na verloop van tijd zullen zij toch merken dat het geestelijke goed dat zij vanuit het Huis des Vaders meegenomen hadden, erg hard aan het interen is.

Nog eventjes, en zij zijn straks ook zwijnenhoeders en verlangen om hun honger en dorst te stillen met zwijnedrap.

Zwijnenhoeder te zijn is in deze vergelijking zoveel als het omgang hebben met mensen die in al het vuil van de ongerechtigheid leven. 2 Petrus 2:20-22.

Hoe gelukkig is het dan niet, dat men tot zichzelf komt en gaat inzien hoe goed als het voorheen was toen men nog in het Vaderhuis verbleef, en, hoe geestelijk arm men nu is geworden.

Dat men dan opstaat en tot Zijn Hemelse Vader gaat en terugkeert naar het Huis des Vaders war men destijds is uitgetrokken.

Voorzeker, wanneer daar een waarachtig berouw, een boete en belijden is, dan zal het gemeste kalf worden geslacht.

De eigenlijke bedoeling van dit schrijven over deze gelijkenis is, om een nog diepere geestelijke betekenis onder de aandacht te brengen.

De gelijkenis begint met: ”Een zeker mens had twee zonen.”

Deze mens is het type en schaduwvoorbeeld van de Here God in Zijn bemoeienissen met de mensen.

God, de Hemelse Vader, en, de beide zonen zijn de typeringen van volkeren.

De ene zoon is altijd in het Vaderhuis gebleven; de andere is daar echter uit weggetrokken.

Wij lezen van de oudste stamvader van het menselijke geslacht, dat hij twee zonen had, Kaïn en Abel.

Voor deze laatste, ABEL, is in de rij van geslachten Seth in de plaats gekomen. Seth betekent: plaatsvervanger.

Het menselijke geslacht splitste zich in de oude wereld, vóór de zondvloed, in twee geslachten, namelijk: de zonen Gods, én de kinderen der mensen.

De kinderen der mensen waren de nakomelingen van Kaïn, die zich, in de opvolgende geslachten, steeds verder van God verwijderden.

De goddeloosheid in dit geslacht van de kinderen der mensen vindt zeer zeker haar toppunt in de persoon van Lamech, van wiens daden wij een beschrijving vinden in Genesis4:18-24.

In diezelfde tijd leefden ook Henoch en Noach.

Dit waren kinderen Gods en nakomelingen van het geslacht van Seth, dat steeds getrouw aan de Here God gebleven was om Hem te eren en te dienen.

In dat geslacht zien wij dan de zoon, die steeds in het Huis des Vaders gebleven was, en, het geslacht van Kaïn is dan de zoon, die reeds zeer jong het Huis des Vaders heeft verlaten en het vlees is gaan dienen met al zijn ongerechtigheden.

Na de zondvloed zien wij al snel een voortzetting van dit beeld zoals dat zich in de oude wereld had vertoond.

Nadat de Here God geprobeerd had om de gehele mensheid in Zijn voorbereidende heilsplannen te betrekken, doch deze schipbreuk leden, nam Hij een Godvrezende Abraham om in hem en zijn nakomelingschap Zijn heilsplan met de mensheid uit te voeren.

De Here God liet de andere volken gaan; evenals de vader aan de verloren zoon zijn erfdeel gaf en hem de wereld in liet gaan.

Zo zien wij ook de Here God handelen ten opzichte van de volken die niet geneigd waren om Hem te dienen maar de dingen van het stoffelijke, natuurlijke leven als het voornaamste en hoogste goed beschouwden.

Echter Abraham en zijn zaad, het volk van Israél, waarvan de oudste zoon in de gelijkenis het type en schaduwvoorbeeld is, zijn door de eeuwen heen in het huis des Vaders gebleven.

Israel was het volk van God aan wie Hij Zijn Tempel- en offerdienst gaf om een geregelde communicatie met Zijn volk te onderhouden.

Hij gaf aan hen Zijn wetten en geboden zodat zij leven zouden naar de rechten van het Huis des Vaders.

De heidenen, als het type en schaduwvoorbeeld van de verloren zoon, weken echter steeds verder van God af.

Alles, wat zij nog aan geestelijk goed hadden meegekregen, raakten zij na verloop van tijd kwijt.

De dienst aan God was bij hen geheel verloren gegaan in de vele afgodendiensten, de aanbidding en verering van beelden, dieren, zon, maan en sterren, terwijl hun afgodentempels plaatsen waren waarin allerlei ontucht werd gepleegd.

Romeinen 1: 23,25 zegt: “Zij hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens en van gevogelte en van viervoetige en kruipende gedierten en hebben de waarheid Gods veranderd in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend bóven de Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid.”

De verloren zoon geraakte zover in het moeras, dat wij hem als een zwijnenhoeder terugvinden.

In dat land waar hij was, was een grote hongersnood, en, dat betekent: een grote schaarste aan voedsel; met de draf, waarmede de zwijnen gevoed werden was men zeer zuinig.

Het zwijn is het type en schaduwvoorbeeld van geestelijk verwaarloosde, tuchtloze, en het Rijks Gods vijandige en verderfelijke mensen.

De Heer waarschuwt ons in Mattheus 7:6 voor dezulken, door te zeggen: “Geeft het Heilige niet aan de honden, noch werp uw paarlen voor de zwijnen, opdat zij niet te eniger tijd dezelve met voeten vertreden, en, zich omkerende, u verscheuren.”

Zo worden aan ons de heidenen in hun afwijkingen, afdwalingen en dwaasheid van gedachten, in handel en wandel, getekend.

Zij zijn dus het beeld van de jongste zoon die het Huis des vaders verliet.

Van het volk van Israél zegt de Here God in Exodus 4:22: Alzo zegt de Here:Mijn zoon, Mijn eerstgeborene is Israél.”

Onder de volkeren was Israel van Godswege de Eerstgeborene, de oudste zoon; en, deze zoon is steeds in het Huis des Vaders gebleven; Hij stelde hen onder de Wet, -van Zijn huis-, in bewaring van de heilige dingen Gods.

Daarom zegt de Here Jezus in Johannes 4:22 tegen de Samaritaanse vrouw bij de waterput: “de zaligheid is uit de Joden.”

De Here God heeft de heidenen uit het Huis des Vaders laten gaan, en, door de eeuwen heen overgelaten aan de gedachten van hun hart, echter, om hen straks, in de volheid der tijden, tot één te verzamelen in Christus.

Hoe word ons hier, in deze gelijkenis, de afwachtende houding van de Vader geschilderd: “En, als hij nog verre was, zag zijn vader hem, en werd met innerlijke ontferming bewogen, en, toelopende, viel hem om zijn hals en kuste hem.”

Ziehier, het voorbeeld van de liefde Gods in Christus, ten opzichte van de heidenen, om in de volheid der tijden, dat wil zeggen, als de tijd daarvoor rijp is, hen door Christus weer naar het Huis des Vaders te leiden.

Paulus schrijft in Efeze 1:10, dat het het voornemen van God was om in de bedeling van de volheid der tijden, alles tot één te verzamelen in Christus.

En, in het tweede hoofdstuk van de brief aan de Efeziërs, schrijft hij: “Daarom, gedenk dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees en die Voorhuid genaamd werd van degenen die genaamd zijn besnijdenis in het vlees die met handen geschiedt, dat gij in die tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israël en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld, maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. En, komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd aan u, die verre waart en aan die, die nabij waren. Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers en huisgenoten Gods.”

Hoe heerlijk zien wij hierin de vervulling van hetgeen in de gelijkenis van de verloren zoon voorkomt; want, de zoon zegt: “Ik ben niet meer waardig om Uw zoon genaamd te worden, maak mij als een van uw huurlingen.”

De vader antwoord echter: “Brengt hier voor het beste kleed en doet het hem aan, en geeft een ring aan zijn hand en schoenen aan de voeten en breng het gemeste kalf en slacht het en laat ons vrolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden.”

Nee, geen huurling, of, zoals apostel Paulus schrijft: "geen vreemdelingen en bijwoners,” maar als medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, neemt God die verloren heidenen aan.

Deze gelijkenis van de verloren zoon, spreekt ons allen wel sterk aan, want zien wij in deze geschiedenis ook niet iets terug van onze eigen geschiedenis.?

Behoorden wij oorspronkelijk ook niet tot die heidenen die zo ver van Gods Huis waren afgeweken en die verloren dreigden te gaan in de dingen van de wereld.?

Wij hebben immers ook, evenals de verloren zoon, gezegd: “Ik ben niet waardig om uw zoon genaamd te worden, maak mij tot een van uw huurlingen.”

Laten wij dan, in deze gelijkenis steeds het grote beeld terugvinden van de ontferming God, onze hemelse Vader, Die ons in Christus, als verloren zonen en dochteren heeft aangenomen en in Zijn Huis heeft gebracht, niet als huurlingen, maar als huisgenoten Gods.

Wat hopen, dat de overdenking van deze gelijkenis onze harten met nog meerdere dankbaarheid en wederliefde tot onze hemelse Vader mag vervullen.

MARAN-ATHA.!

DE HEER KOMT.!