Wanneer wij nu eerst met aandacht de bovenstaande Bijbelplaatsen lezen, dan zien wij, dat deze beide geschiedenissen veel dingen met elkaar overeen hebben, náást enkele verschilpunten.
Beide keren moet een mens door de Heer geholpen worden, en, deze mens wordt door Hem in de eenzaamheid gevoerd, apart genomen.
Beiden worden niet genezen door het Woord van de Almachtige alléén, zoals gewoonlijk, maar éérst gebruikt de Heer speeksel en pas daarná spreekt Hij.
In de beide gevallen verbiedt de Heer om ruchtbaarheid te geven aan het feit van de genezing.
Bij de dove vraagt men aan de Heer om bij hem de handen op te leggen; echter, de Heer raakt hem slechts aan;
Bij de blinde vraagt men aan Hem om hem aan te raken, maar Hij legt hem de handen op.
Deze punten van overeenkomst en verschil willen wij goed vasthouden.
Wát de Heer spreekt of dóet, Zijn woorden en daden zijn van een eeuwige betekenis.
De profeet Jesaja noemde Hem: Vader der Eeuwigheid.
En, Zélf sprak de Heer: "Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan."
Zo kunnen wij als zeker aannemen, dat de beide wijzen van genezing bij de dove en de blinde, niet zomaar gekozen werden maar dat de Heer aan de Joden, maar ook aan ons, hiermede iets te zeggen had.
Wij zien voor ons een dove- als gevolg van zijn doofheid kon hij slechts gebrekkig spreken--, en, een blinde, als voorbeelden van de geestelijke toestand waarin, volgens het woord van Jesaja, het volk van Israel verkeerde: "Horenden hoort, maar verstaat niet en ziende ziet, maar bemerkt niet." Jesaja 6:9.
Dit woord van Jesaja wordt door de Heer Zélf aangehaald in Markus 4:12.
De wijze nu waarop de Heer deze beide mensen helpt, wijst ons de richting aan waarin de Heer de geestelijke doven en stommen wil helpen, ja, zelfs geheel genezen wil.
Hij voert ze in de eenzaamheid en niet in de luidruchtige verzamelingen waar men zogenaamd bekeerd wordt temidden van vele nieuwsgierige spotters die zich met de echte of zogenaamde zielsworstelingen van de bekeerden, vermaken.
Mattheus ziet in deze afzonderingswerkzaamheid de vervulling van een ánder woord van de profeet Jesaja: "Daar zal niemand zijn stem op de straten doen horen".Mattheus 12:15-21.
Zeker, de prediking van de Heer was in het openbaar, zelfs voor grote scharen mensen, máár, de persoonlijke zielswerkzaamheid geschiedde in de eenzaamheid, want dáár vindt de ziel haar Heer en Heelmeester; dáár is er geen plaats voor hoogmoed zoals in zoveel samenkomsten waar hij als de vroomste wordt aangezien die het luidst kermt en zucht, waarbij wij onwillekeurig aan het woord des Heren moeten denken: "Gij omreist zee en land om éénen Jodengenoot te maken en, als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemal méér dan gij zijt." Mattheus 23:15.
Maar, wanneer er niemand getuige is van de oprechte zielsworstelingen om tot de Here God te komen, dan kan daar geen hoogmoed opgewekt worden, maar voelt de ziel zich kleiner en kleiner worden voor het aangezicht van de Heilige, en dán openbaart de Here God dáár Zijn heilsgeheimen.
Eigenaardig is het dat de Heer in deze geschiedenis niet alleen het woord gebruikt, maar dit laat voorafgaan door de aanwending van het verachte speeksel dat bij de Joden de grootste minachting uitdrukte.-zie hiervoor slechts Jesaja 50:6 en Job 30:10.
Was dit soms omdat de Heer, volgens de voorstelling van het volksgeloof ook de mening deelde dat het speeksel geneeskrachtig zou zijn.?
Zulke voorstellingen van het begripsvermogen van de Heer verwerpen wij geheel en al.!
Nee, de Heer eiste van deze beide hulpbehoevenden dat zij zich zouden onderwerpen aan de wijze van genezing zoals Hij die wilde; zélfs wanneer dat tegen het gevoel van deze mensen inging.
De Heer wijst de weg aan, niet wij.! en, dáárom doet de Heer hier nu juist ánders wanneer men aan Hem vraagt: "Heer, leg de handen op", máár Hij raakt slechts aan.!
Waarom nu toch zo anders dan zoals de mensen het wilden.?
Is het niet, om nógmaals aan te tonen dat Hij geheel vrij is in Zijn wijze van handelen.?
Geloven is het betonen van de absolute gehoorzaamheid aan de Heer van Hemel en aarde.
Geen "Ja maar" van de mens komt hier in aanmerking; de Heer regeert, en het zal ons goed zijn.
Hij is de wetgever, en, ofschoon wij mensen altijd verplicht zijn om aan Zijn wetten te gehoorzamen, is Hij, als bóven Zijn wetten staande, geheel vrij en geen enkel mens zal zich zelfs maar trachten aan te matigen om daarop aanmerkingen te maken.
Zal het vat ook hier met de pottenbakker twisten.? Romeinen 9:20.
Zo zien wij als regel in de Schrift, dat de bekeerden éérst de Waterdoop ontvingen en daarná de Verzegeling tot het verkrijgen van de Heilige Geest.
Maar, hoe ging het nu ten huize van de hoofdman Cornelius.?
"Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welken de Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij." Handelingen 10:47.
Wáárom week de Heer nu af van de gewone wijze van handelen.?
Petrus vertelt het ons in Handelingen 10:34,35: "Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is, maar in alle volken is, die Hem vreesden gerechtigheid werkt, Hem aangenaam."
Door de aanraking der oren en het bevochtigen van de tong met speeksel, werd de genezing ingeleid, maar, daarná kwam het zuchten of blazen mét het machtwoord "Effatha",en de dove kon horen en sprak normaal.
De blinde werd door de Heer in de ogen gespuwd en Hij legde hem de handen op.
Het gevolg hiervan was, dat hij nog onvolkomen, onduidelijk zien kon: "Ik zie de mensen als bomen."
Nú werden de handen op de ogen gelegd en de blinde zag ze allen, helder en duidelijk.
Wijst nu in deze beide gevallen de dubbele handeling niet op een tweevoudige genadebedeling, om tot goed horen, en dus goed spreken, en tot goed zien te komen.?
Wie door de waterdoop tot een kind Gods geworden is, heeft nog niet de volle rijkdom der genade verkregen, maar, wanneer hij daarbij het machtwoord: "Wordt geopend" komt, dán kan men pas met volle kracht spreken.
Wien de ogen na een dubbele zegen-bedeling gezalfd zijn, die ziet ver en duidelijk. Wie alléén de waterdoop heeft ontvangen, ziet de mensen als bomen.
"Gij hebt de zalving, en weet alle dingen", zegt Johannes in 1 Johannes 2:20 en 27 tot de verzegelde gemeente.
Maar óók leren deze genezingen ons dat wij het middel dat door de Heer wordt gebruikt, niet mogen verachten,al lijkt het voor ons dan ook minderwaardig te zijn.
Wat geneest de ziel ánders, dan het geloof aan de Gekruisigde Christus.?
En, was nu juist dat kruis niet de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid.?
Toch is er géén ándere weg om tot God, en dus tot de zaligheid te komen dan het volgen van de verachte weg van de gekruiste Christus.!
Menigeen zucht: was er maar een andere weg.
Hier is de wijsheid des Heren echter geheel in strijd met de wijsheid der mensen.
En, evenals men de Heer wil verlagen tot iemand die het volksgeloof over de kracht van het speeksel deelde, zó wil men ook het geloof aan het verlossende bloed van Christus verlagen tot een overblijfsel van bijgeloof van allerlei heidense volkeren die aan het bloed geheimzinnige krachten toeschreven.
Zó botst de menselijke wijsheid steeds maar weer tegen het Goddelijke plan der verlossing.
Dat er nu, in deze onzen tijd, door de Here God nog dienaren worden gezonden die in Zijn Naam de zonden vergeven, wie wil dat nu in deze tijd nog geloven.?
Ook hier probeert men de opdracht: "Wien gij de zonden vergeeft, die zijn ze vergeven", nadat de Heer op Zijn jongeren geblazen had, Johannes 20:22,23, in verband te brengen met allerlei volksgeloof uit het antieke Oosten.
Máár, tevergeefs, geen redeneren over het speeksel kon hier helpen, máár, alleen het gehoorzamen aan de geneeswijze van de Heer kon slechts genezen. Het geloof aan Zijn Woord kan slechts redden zónder dat wij er onze menselijke opvattingen over laten gaan.
Zó is het óók met het sacrament van de Verzegeling.
Hoe verzet men zich algemeen tegen dit, zo duidelijke heilsmiddel; wát een uitvluchten worden er al niet bedacht.!
Maar tóch leert de Schrift geen andere wijze ter verkrijging van de Heilige Geest.
Het is waar, de gezonden dienstknechten van heden zijn wel heel verachtelijk als middel daartoe; want, leefden Paulus of Petrus nog maar, óf, was de Heer Zélf nog maar op de aarde.!
Máár, wát zegt Jesaja 53 aangaande de Knecht des Heren.? en, zijn deze woorden dan niet stipt vervuld geworden.?: "De verachtste onder de mensen?"
Wát moet Paulus getuigen, hij, die heden de "heilige" Paulus wordt genoemd?
"Wij zijn geworden als uitvaagsel der wereld en aller afschrapsel tot nu toe." 1 Korinthe 4:13.
De Heer heeft nóg éénmaal speeksel gebruikt, en wéér was het, in twee handelingen, bij een genezing.
Lees eens Johannes 9:1-7.
Wéér een blinde wiens ogen bestreken werden, nu met een mengsel van leem en speeksel.
Neen, het allermoeilijkste moest nog komen: blind zijnde, moest hij nu heengaan naar het badwater van Siloam, welke naam "Uitgezonden" betekent.
Uitgezonden; eigenaardig treft ons deze naam.
O, dat men zich maar onderwierp aan de Bijbelse geneeswijze tot volkomen heling, to een volmaakt zien door zich te onderwerpen aan de kracht des Heren, die in Zijn gezonden dienstknechten geopenbaard wordt.
Dat men toch geen aanmerkingen maakte tegen de door de Heer gegeven manier.
Dat men toch het verachtelijke middel met beide handen aangreep, want dán zou men de hand des Heren vatten.
Niet dat de dienstknechten iets van- of uit zichzelve vermogen, maar, in hun zwakheid wil de Here God Zich heerlijk openbaren tot heil want de Here God gebruikt in Zijn werk, in alle tijden, nu eenmaal mensen tot heil van mensen.
De Here Jezus stelde eenmaal Naaman de Syriër tot een voorbeeld voor de eigengerechtigde Joden.
Wát waren zij toen beledigd dat hun het geloof van een onbesnedene tot navolging werd aangeprezen. Lukas 4:27.
Tóch wilde deze heidense overste niet meteen het eenvoudige voorschrift van de profeet Eliza opvolgen, maar hij liet zich toch verreden en toen week zijn melaatsheid van hem en zijn vlees werd zacht als van een kleine jongen. 2 Koningen 5:1-14.
Zó kan het geloven aan de Bijbelse geneeswijze de melaatse ziel slechts genezen.
Hóe zullen de drie genezenen het speeksel geprezen hebben, dat éérst veracht, hen tóch tot zegen had gediend.!
Hoe kunnen de kinderen Gods ook nu het werk van de Heer prijzen dat aan hun ziel gewerkt is door middelen, die wel veracht worden bij de wijzen der wereld maar waarvan zij de geneeskracht aan hun eigen ziel ondervonden hebben.
Hier geldt nog altijd het Goddelijke Woord dat tot Petrus gericht werd toen hij het gezicht van het laken met de reine en onreine dieren zag: "Wat God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken." Handelingen 10:15.
Zó zullen wij van elk geneesmiddel voor ons eeuwig behoud, slechts onderzoeken of het een Goddelijk, een Bijbels middel is.
Zo ja, dán redeneren wij niet verder maar onderwerpen ons er aan en het gevolg zal zijn: een volkomen geestelijke gezondheid.
MARAN-ATHA,