UW WIL GESCHIEDE

Lukas 11:1

In Lukas 11:1 lezen wij: "En het geschiedde, dat Hij op ene plaats was en bad, en, toen Hij opgehouden had, sprak één van Zijn jongeren tot Hem: Heer, leer ons bidden gelijk ook Johannes zijn jongeren leerde. En Hij sprak tot hen; als gij bidt, zo zegt:

"Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd; Uw koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in de Hemel, alzo ook op de aarde. Geef ons elken dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is. En leidt ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze."

Hoe machtig veel houdt dit gebed in.Ieder Christen, zelfs ook de kinderen, kent het want dit wordt in hun jeugd reeds aan hen geleerd.

Maar wie is er echter die doordringt in de diepte van de inhoud.?

Wij willen niet in zijn geheel hierop ingaan, maar ons trachten te bepalen bij het opschrift dat wij bovenaan dit schrijven hebben gezet: Uw wil geschiede.

Ons gehele leven moet met dit gezegde doortrokken zijn, maar, hoeveel moeite kost het een mens wel niet om zich dáárbij neer te leggen.!

Wel zingen wij: "Heil’ge Jezus, vorm mijn leden, mijn krachten en begeerlijkheden, dat aan mij alles U gelijk."

Maar, ons zingen moet worden beleefd en dan ook uitgeleefd worden.!

Het is terecht, dat de apostel ons in 2 Korinthe 4:10, leert, dat wij altijd de doding van de Here Jezus in ons lichaam om moeten dragen zodat ook het leven van de Here Jezus in ons lichaam geopenbaard zou worden; want, de doding van de Here Jezus in ons omdragen, bepaalt ons bij het kruis van Golgotha.

En juist dáár, op Golgotha, ligt voor ons de steun opdat des Heren wil met ons geschiede, zowel in de Hemel als op de aarde.

Wij mogen gerust elke dag tot onze Heer bidden: "Heer, stel mij steeds het kruis van Golgotha voor ogen", én, dán zien wij vanzelf de Man van Smarten Die al onze krankheden op Zich heeft genomen.

Wanneer wij bedenken, hoe dikwijls er elke dag door de mens tegen de heilige God gezondigd wordt dan gevoelen wij enigszins welk een oceaan van leed en ellende er door de Heer voor ons op Golgotha gedragen is.

Toen de Heer in Gethsemane was, bad Hij driemaal tot de Vader: "Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt." Mattheus 26:39.

Máár zal u zeggen, ligt er dan in deze uitspraak niet een bede verborgen dat de bittere kelk van het lijden van Hem voorbij zou gaan.?

In zekere win wel, maar, meteen laat de Heer er op volgen: "Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt."

Hier zien wij nu de volkomen onderwerping aan het Woord dat de Heer de Zijnen heeft leren bidden: "Uw wil geschiede."

En, evenals de Vader Hem in die ure een engel uit de Hemel zond om Hem te versterken, Lukas 22:43, zó zal ook uw Vader die in de Hemelen is, wanneer wij op het zwaarste beproefd worden, Zijn engel tot ons zenden om ons te ondersteunen en het kruis dat door Hem aan ons is opgelegd, naar Zijn wil te kunnen dragen.

Elk kind van God heeft wel de ondervinding dat de Here God in Zijn wegen en werken wonderlijk is en dat alles altijd geheel anders uitkomt dan wij ons hadden voorgesteld. Dat is trouwens ook zeer begrijpelijk want de Here God leidt ons nu juist op die wegen die naar het grote doel voeren en wij willen zo graag voor ons zelf de weg banen die naar onze eigen mening de beste is.

Bij dit alles moeten wij echter wel voor ogen houden: "Uw wil geschiede".

In Handelingen 14:22b, lezen wij dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.Die verdrukkingen komen nu juist "om der geloofs wil", want onze weg moet ons zó voeren dat wij het Koninkrijk Gods zullen ingaan en, dat is een Rijk, waar een volkomen harmonie en een ongestoorde vrede zullen heersen.

Dán gevoelen wij, dat wij, die in een wereld vol van zonden en ongerechtigheden leven, en daar ook steeds maar weer daardoor besmet worden, ons zelf steeds meer moeten afsterven en Gode welgevallig moeten leven om in dat Rijk van God te kunnen ingaan.

Daarom is ons leven een scholing om ons te vormen; steeds werkt de Vader aan onze vorming opdat wij straks in de heerlijkheid Gods kunnen delen.

Wanneer de Heer ons op een ziekbed werpt, en, vooral wanneer zulk een ziekte nogal enige tijd duurt, dan kunnen er allerlei vragen bij ins opkomen over het "hoe" en het "waarom". Er kunnen allerlei redenen voor zijn, en, al begrijpen wij die niet meteen, toch zal de tijd aanbreken dat wij zullen zeggen: "Het is goed geweest".

Wanneer de ziekte gepaard gaat met lichamelijk lijden, dan kan het niet anders dan dat de zieke daardoor in de geest verplaats wordt bij het lijden van onze Heer en Heiland, Die zélf zulk een ontzaglijk leed heeft gedragen, en, hoewel het lijden in het vlees verschrikkelijk is, dan kan dit toch leiden tot een verdieping van het geestelijke leven als de waarde van het offer op Golgotha meer en meer tot onze ziel gaat spraken.

Maar, wanneer wij nu eens aannemen, dat de ziekte geen lichamelijk lijden tengevolge heeft, dan krijgt de patiënt de gelegenheid om meer en meer tot zichzelf in te keren en zijn troost te zoeken in het Woord des Heren waarvoor waarschijnlijk in het dagelijkse leven, zoals hij meende, geen tijd gevonden kon worden.

En nu, zie, wat een heerlijkheid en troost liggen er niet in het Woord van God. Hoe heb ik voorheen de kansen die de Here God mij gaf, niet aangegrepen, maar nu, door een gedwongen rust, zie ik hoe de Here God mij telkens deze kansen geeft en dringt de werkelijkheid pas tot mij door: "God, Uw Woord heeft eeuwige waarde, o, bewaar mij steeds dien schat."

Dán kan er in de ziel een vast voornemen worden opgewekt: "O God, als Gij mij weer gezondheid schenkt, dan zal ik U in Uw huis mijn gelofte betalen."

En zó laat de Heer het toe dat wij een korte wijle uit Zijn huis verbannen zijn om Hem daarná des te beter te leren kennen en te volgen.

En, in die wachtenstijd is het juist voor de ziek zo moeilijk om te kunnen zeggen: "Uw wil geschiede", máár, daarom zal hij dan ook door zoveel mogelijk broeders en zusters getroost en bemoedigd worden om het kruis, dat aan hem door de Heer is opgelegd, ondanks alles toch blijmoedig te dragen.

Wanneer de doodsangst ons huis binnen treedt en daar één onzer geliefde panden wordt weggenomen, dan bestaat er een groot gevaar dat wij opstandig worden en daartoe ligt de duivel steeds op de loer. Allerlei argumenten komen er dan op in de ziel, en zó tracht deze verleider U te doen wankelen in uw geloof en u wijs te maken dat de Here God geen liefde is.

Hoe is zulk een gedachte echter in strijd met het Woord van God dat ons leert: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe."

Rouw die ons overkomt, moet zegen uitwerken.

Misschien zijn er onder de lezers van dit schrijven mensen die het in hun hart hiermede niet eens zijn, maar tóch moet het zó zijn.

Alle dingen moeten medewerken te goede voor degenen die naar Gods voornemen geroepen zijn. Romeinen 8:28.

Wanneer de Here God rouw over ons toelaat, dan is het ten eerste Zijn wil en júist dáárom hebben wij ook in dít geval te zeggen: "Uw wil geschiede".

Ten tweede, is élk kind Gods Zijn eigendom en Hij kan het dus opeisen en tot Zich nemen wanneer Hij dat wil, en, dat moeten wij allereerst bedenken en als God dat doet dan heeft Hij daarvoor Zijn Heilige reden.

Want, bemerken wij dan niet dat er onder degenen die ontslapen zijn broeders of zusters waren die niet anders dan met grote moeite hun kruis konden dragen.?

En, dan neemt de Here God ook wel uit dit leven weg om deze of gene te bewaren voor afval. Wanneer wij dit alles overdenken, dan zien wij dat zelfs rouw tóch liefde is. Als er rouw in ons gezinsleven komt, dan kan dit toch op velerlei manier zegenrijk werken; het kan de nabestaanden er bij bepalen dat wij elk ogenblik bereid moeten zijn om onzen Heer te ontmoeten.

Kunnen wij niet in Amos 4:12b lezen: "Zo schik u, o Israël om uwen God te ontmoeten".Ook dit Woord des Heren, dat wij elk ogenblik bereid moeten zijn, is van toepassing op ons leven.

Wij zingen wél: "Wij verlangen o Heer U te ontmoeten en U juichend als Koning te groeten", maar, hebben wij er wel eens bij stilgestaan dat ons leven zó moet zijn ingericht en ingesteld dat wij waardig gekeurd worden om de Bruidegom tegemoet gevoerd mogen worden.?

Willen wij gekroond worden, dan moet er ook wettelijk gestreden zijn, 2 Timotheus 2:5, en, dat wettelijk strijden betekent: voor de zaak des Heren strijden en los zijn van alles wat aards is.

Alles wat ons op deze aarde dient, is slechts van tijdelijke aard en daarom moeten wij het hebben als "niet hebbende", omdat wij het immers bij de dood, of, als de Heer Persoonlijk wederkomt, en wij verwachten Hem toch.?, toch moeten loslaten.

De hoofdzaak is, dat niets in staat is om ons te scheiden van de liefde van Christus; geen verdrukking, benauwdheid of vervolging, of honger of gevaar of zwaard kon Paulus scheiden van de liefde van Christus, maar in Hem was hij meer dan overwinnaar.!

Tot zulk een geloofshoogte moet de Bruid van Christus komen en dit kan zeer zeker niet anders dan door de hulp van de Heiligen Geest.

Maar dán moet ook de gestalte van Christus in ons groter worden, waaruit dan vanzelfsprekend volgt: "Hij, (Christus), moet door de Heiligen Geest in mij wassen en ik minder worden." Johannes 3:30.

Wanneer alles in het dagelijkse leven zijn gewone gang gaat, dan dreigt zelfs het geloofsleven een sleur te worden, en, dát is het gevaarlijkste wat er is.Wij kunnen onszelf dan wel vergelijken met de dwaze maagden want de zelfgenoegzaamheid is een zeer groot gevaar waartegen wij niet genoeg kunnen waken.

Vaak worden er allerlei plannen ontworpen, en, vooral in de gezinnen waar alles, om het zo maar eens uit te drukken, van een leien dakje gaat, vergeet men veelal wat Jacobus 4:13-15 aan ons leert.

Ten eerste, dat ons leven slechts een damp is, en ten tweede, dat alles wat wij gaan ondernemen naar des Heren wil en in des Heren kracht volbracht moet worden.

Daarom spreken wij dus, bij al onze plannen, die feitelijk alleen tot de eer des Heren ondernomen moeten worden.: "Zo de Heer wil en wij leven."

Júist in déze woorden ligt het weer opgesloten: "Uw wil geschiede".

Onderwerping aan de wil des Heren brengt grote zegen en blijdschap. Denken wij maar eens aan de geschiedenis van Naaman de Syriër; de Here God liet toe, dat de jonge Israëlitische dochter weggeroofd werd uit haar land en Hij leidde het zó dat zij de dienstbare werd van de vrouw wier man melaats was.

Het zal voor deze jonge dochter in het geheel niet prettig zijn geweest om, ver van huis en haard, gedwongen door een vreemde macht in den vreemde te verblijven. Máár, zij had zich in deze maar te schikken naar des Heren wil die dit alles zo geleid had.

Ondanks dat was haar geloof in de macht van de God van Israël niet geschokt want dát bewijst zij wel door daarvan te getuigen tegen haar meesteres: "Och, of mijnheer ware voor het aangezicht van de profeet die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen." 2 Koningen 5:3.

Welk een kinderlijk en vast geloof ligt er in deze woorden opgesloten.

Heerlijk is het om zulk een kinderlijk geloof te bezitten, een geloof, dat niet redeneert, maar dat vast gelooft en aanvaardt.

Zij was bewogen met het lot van haar heer en, deze liefde leidde tot de weg van genezing, zowel natuurlijk als geestelijk.Naaman kwam voor het huis van de profeet maar die vervaardigde zich niet eens om hem hoffelijk te ontvangen maar zendt zijn bode naar Naaman met de opdracht: "Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan en uw vlees zal wederkomen en gij zult rein zijn."

Zulk een ontvangst had Naaman in het geheel niet verwacht en hij wordt toornig en geeft uiting aan zijn grieven door te zeggen: "Hij, de profeet, zal zekerlijk uitkomen en staan en de naam des Heren zijns Gods aanroepen en zijn hand over de plaats strijken en de melaatse ontledigen."

Ook hier in dit geval werkte de Here God wonderlijk en zo geheel anders dan dat Naaman zich had voorgesteld.Naaman moest leren te gehoorzamen en zo tot ootmoedigheid gebracht worden: gehoorzamen aan de wil van Israël God, Die Zich op zulk een wonderlijke wijze, door middel van Zijn dienstknechten, openbaarde.

Waren de rivieren Abána en de Farpar niet veel en veel beter dan alle wateren van Israël.?

Zo sprak en dacht Naaman, en, "zou ik mij daarin dan niet kunnen wassen en rein worden.?"

Naaman had in zijn hart al bepaalde gedachten over de wijze waarop zijn genezing zou moeten geschieden, en, dát was nu zijn grote fout en dáárvan wilde nu de Heer hem ontledigen. Hij moest zich onderwerpen aan de wil des Heren en zich schikken naar de ordeningen Gods.

Gaat het nu bij ons ook niet vaak zó, wanneer wij tot de Heer komen met een bede voor deze of gene zaak.?

Dán hebben ook wij, als een Naaman, al een mening in onze harten gevormd, over de wijze waarop de Heer zal werken, maar het komt dan dikwijls geheel anders uit en wij moeten dan daaruit steeds opnieuw weer leren om ons kinderlijk gelovig en stil naar Zijn wil te voegen.

De knechten van Naaman waren het middel om hem te overreden om tóch het bevel van de profeet op te volgen, en, hij mocht dan de zegen ontvangen.

Oók wij kunnen hieruit de lering trekken dat de éne broeder tot steun kan zijn voor de ander wanneer hoogmoed en eigenwaan hem belemmeren om de zegen Gods deelachtig te worden.

De wereld en haar begeerlijkheden gaat voorbij, maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.1 Johannes 2:17.

MARAN-ATHA.!

DE HEER KOMT !