DE TEKENEN DER TIJDEN.
"Daarom, zijt
ook gij bereid, want in welke ure gij het niet meent,
zal de Zoon des mensen komen." (Matth.24,44)
Deze woorden werden door de Heer tot Zijn discipelen gesproken kort voordat Hij het grote verlossingswerk op Golgotha zou volbrengen.
Matth.24 geeft, bij aandachtig lezen, ons veel te overdenken. Zeer zeker is veel al in de eerste tijden vervuld geworden. Wij denken aan, vers 1 en 2.
In het jaar 70 is Jeruzalem geheel verwoest geworden, wat door de geschiedschrijver Flavius Josephus wordt vermeldt. Maar als wij dit schriftgedeelte lezen, dan bedenken wij, dat de woorden, welke de Here Jezus gesproken heeft, niet alleen voor die eerste tijden, maar ook voor deze laatste tijd van heel grote betekenis zijn.
Wij lezen in vers 9: "Want velen zullen komen onder Mijn naam, zeggende: Ik ben de Christus en zullen velen verleiden."
Wanneer wij terugzien op alles wat de kerkgeschiedenis ons vermeldt, dan kunnen wij gewaar worden, dat er steeds strijd gevoerd moest worden van het Licht tegenover de duisternis.
In de eerste plaats denken wij aan de vorst dezer wereld, welke steeds tracht het werk des Heren te vernietigen, en veel werktuigen staan hem ten dienste. Het is voornamelijk dat hij de mens tot hoogmoed en zelfverheffing wil opwekken; wat hij al bewerkte bij het eerste mensenpaar.
We lezen in Gen.3 hoe het hem gelukte, om de vrouw te verleiden met de woorden van vers 5: "Maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad," en, in vers 6 lezen we: “En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze en dat hij een lust was voor de ogen, ja een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar en hij at."
Wij zien hier, hoe de zonden zich uitbreidden, aangezien ook Adam slachtoffer der zonde werd. Ja, de Satan had zijn doel bereikt en kon nu verder werken om de mens, naar Gods evenbeeld geschapen, te verleiden en in zijn dienst te stellen; en het is hem maar al te goed gelukt.
Zo getuigt de H.Schrift van Gods gerechtigheid en van de zonde; van het Licht en van de duisternis. Twee machten, staan tegenover elkaar, het goede en het kwade.
Wij horen nog al eens de vraag: "Wát is het goede en wat is het kwade?"
Daar kan maar één antwoord op gegeven worden: “Onderzoek de Schriften, want die zijn het, welke van Christus getuigen en ons het goede verkondigen”.
In Johannes 5:39 staat: “0nderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige Leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen”.
En bij dat woord worden wij bepaald bij onze Heer Jezus Christus, Die, als de grote Waarheidsleraar het goede kwam verkondigen, ja, de Blijde Boodschap kwam brengen, om, door in Hem te geloven, tot de overwinning te mogen komen. Wat heeft er toch al veel onderzoek plaats gehad en wat is de H.Schrift door velen nagespeurd, en, toch moeten wij helaas constateren, dat de mensen, door al dat onderzoek, niet dichter bij God zijn gekomen.
Wat is de oorzaak toch van dit alles?
Wij lazen in Gen.3, hoe de Satan Eva opwekte, om van de boom der kennis des goeds en des kwaads te eten, hoewel het door God verboden was.
De kern van deze verleiding lag in de opwekking tot hoogmoed, tot zelfstandigheid, ja om aan God gelijk te zijn. Welk een verlokking om te aanvaarden God niet meer nodig te hebben, zichzelf te zijn, eigen heer en meester te wezen.
Ja, het eerste mensenpaar mocht de vervulling van satans woorden ondervinden, want hun ogen werden geopend, máár, welk een ontnuchtering trad er bij hen beiden in.
Zo lezen wij in Gen.3:7: "Toen werden hun beider ogen geopend en zij werden gewaar dat zij naakt waren en zij hechtten vijgenboombladeren samen en maakten zich schorten”
0, wat is de mens toch steeds bereid om de naaktheid der zonde te bedekken met vijgenbladeren, door te zeggen: “Het ligt niet aan mij, maar aan hem of haar of door deze of gene oorzaak ben ik tot zonde vervallen”.
Ja, ook heden wordt er veel bedekt met vijgenbladeren om zich te verontschuldigen. Maar wij lezen in Gen.3, dat de bedekking van vijgenbladeren voor God geen bedekking zijn kan.
Gen.3:21 zegt. "En, de Here God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan."
Hieruit mogen wij verstaan, dat God onze zonde, onze naaktheid moet bedekken. Dan worden wij er ook bij bepaald, dat onze Heer en Heiland, door Zijn verzoenend lijden en sterven, als het Lam Gods geworden is tot een bedekking van onze zonden, dat ook wij bekleed moeten worden met het kleed der rechtvaardigmaking, wat geschiedt door de schuldvergeving door Jezus' bloed.
Als wij in deze wereld om ons heen zien, dan kunnen wij aanschouwen, hoe de ogen der mensen geopend zijn om de dingen waar te nemen welke ons door het verstand en de wetenschap der mensen aangeboden worden. Het is als een overweldigende macht, welke over de mens is uitgestort. Wat voor kort nog onmogelijk scheen, is nu door het vernuft der geleerden tot stand gebracht. En wij kunnen ons maar nauwelijks indenken, hoe de mens tot dat vermogen is gekomen. Ja, in deze tijd beleven wij alle grote dingen. Op medisch gebied zien wij als het ware wonderen verrichten, die het mogelijk maken om aan de mensen een langere levensduur te verzekeren.
Op technisch gebied zien wij onbegrensde mogelijkheden, en, met ontzetting lezen wij over de uitwerkingen van de atoomkrachten. Dan denken wij wel eens aan dat eerste mensenpaar, hoe zij verleidt werden om God ongehoorzaam te zijn door het eten van de verboden vrucht, om aan God gelijk te zijn.
Is het ook niet zo in het heden?
Door onheilige toepassing van de Wetenschap, is de mens steeds verder afgedwaald van God.
Is de Bijbel voor velen niet geworden tot een boek van sprookjes en verhalen, waarover de geleerde, en hoogbegaafde mens vaak zijn schouders ophaalt, met medelijden tegenover hen, die nog in dat boek geloven?
Er zijn echter geleerden, die zeggen: "Hoe meer een mens weet, hoe meer hij constateert, dat hij nog weinig weet."
En, hoe staan Gods kinderen tegenover dit alles?
Zij worden door alles wat hun ogen mogen zien en hun oren mogen horen, bepaald bij God, de Almachtige Schepper van hemel en aarde, Die bóven alles wat door mensenhanden gewrocht wordt, vér, ja zeer vér verheven is.
Worden wij, wanneer wij de Bijbel lezen, niet bepaald bij Gods wonderdaden, voor de ongelovige mens onaanvaardbaar?
En nu de vraag:
Hebben de wetenschap en de uitvindingen de mens dichter tot God gebracht?
Helaas, moeten wij antwoorden: "Nee!"
Wij leven in een tijd van haast. De mens is geworden als een door onweder voortgedrevene. De rust
is verstoord door het tempo van deze tijd. De mens heeft nauwelijks gelegenheid
om tot zich zelf te komen, om tot een rustig overleg te geraken, om alles eens
nuchter te kunnen overzien en te overdenken.
De mens is opgenomen in de kolkende maalstroom van dit leven en wordt door de geweldige kracht van deze stroom meegevoerd.
Waar zal deze stroom ons heenvoeren?
Ja, wij moeten de werkelijkheid der dingen zien, hoe de vorst dezer wereld zijn macht gebruikt, waartoe hij heel veel dienaren heeft, welke in zijn dienst staan.
Wij lezen in Luk.21:26: "En des mensen zal het hart bezwijken van vrees en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden”.
En, in vers 27: "En alsdan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk met grote kracht en heerlijkheid”.
En vers 28: "Als nu deze dingen begonnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is."
De Apostel Petrus schrijft in
zijn brief (2 Petr.3:10-14): "Maar
de dag des Heren zal komen als een dief in de nacht, in welke de hemelen met
een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen brandende zullen vergaan en de
aarde en de werkers die daarin zijn, zullen verbranden. Dewijl dan deze dingen
alle vergaan, hoedanig behoort gij
te zijn in heilige wandel en
godzaligheid, verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods, in
welke de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen
brandende zullen versmelten, maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe
hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont! Daarom geliefden! verwachtende deze dingen, benaarstigt
u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem
bevonden moogt worden in vrede".
Woorden van grote betekenis en
voor de ware kinderen Gods ter overdenking, voor ons die leven in de laatste
tijd, waarin zoveel vervuld wordt van wat de Schrift ons openbaart en niet
alleen de Schrift maar ook van datgene wat door de gaven des H.Geestes geopenbaard wordt te midden der kinderen Gods.
In den zomer van 1947 ontdekten
twee herders in een grot te Jericho kruiken met meer dan 2000 jaar oude
perkamenten rollen er in. Deze bleken grote delen van het Oude Testament te
bevatten en van de apocriefe boeken, in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst.
Er was onder andere een volledig boek van Jesaja, de Profeet en een tot nu toe
onbekend apocriefboek, "De oorlog van de
kinderen des lichts en, de kinderen der duisternis", en een boek met, tot
dusverre onbekende psalmen. De geschriften zagen er uit als grote, dorre eikenbladeren,
bruin en met rode vlammen doorschoten. Alles was onleesbaar, maar door de
nieuwe wetenschappelijke middelen met infrarode stralen word het schrift
leesbaar gemaakt en door de archeoloog, Prof. Sukenek,
ontcijferd.
Een Nederlandse letterkundige en
dichter, die op bezoek was bij deze professor, heeft één van die Psalmen mogen
vertalen, welke ook voor ons, in deze veel bewogen tijd veel te denken geeft.
Het is een fragment uit de Psalm der uiteindelijke verschrikkingen en luidt
als volgt: "Als al de hinderlagen der hel zullen worden gelegd, en de
valstrikken van het kwaad zullen worden gespannen; het net der bozen zal worden
gespreid, over der wateren gelaat; als de pijlen der
hel zullen vliegen, heen en weder en onophoudelijk, en stuivende in het rond,
geen hoop meer zullen laten; als het lot is gevallen, dat het oordeel zich
voltrekken moet, en het aandeel der verbolgenheid zal neerkomen op de
verzaakten; ja, als het gramschap slagregenen zal op de veinzers. 0 tijd van
razernij over al Belials gebroed, als de koorden des
doods allen zullen omsluiten, en geen vlucht meer mogelijk is. Dan zullen de vloeden
van Belial zich uitstrekken tot elke waterkust. Vuur
zal verteren allen, die het ontsteken, elke boom, groen of dor, zal verwoest
worden door de stromen van vuur. Het vuur zal uitslaan in een vonkenregen. Tot zij,
die het gedronken hebben, vervaagd zullen zijn. Het zal de grondslagen onder de
klei verslinden en de gewelven van het land verorberen. Het zal de fundamenten
der bergen in hitte doen verkeren en de wortels der rotsen in rivieren van
pek."
Ook wij nemen waar, dat vele Belials mannen zich hebben opgemaakt.
Maar toch, temidden van alle beroeringen heeft God Zijn Kerk geplant, te midden van een krom en verdraaid geslacht. Nog heden is het de dag der genade, waarin de roepstem mag klinken: "Komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u rust geven," spreekt de Heer.
Het zal zijn, zegt de Heer, als in de dagen van Noach. Alzo zal ook de toekomst van de Zoon des mensen wezen: "Want gelijk zij waren in de dagen voor de zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot de dag in welke Noach in de ark ging en bekende het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen."
Ook heden is de Ark des Heren toebereid en wordt, evenals in Noach's dagen, bij elke hamerslag aan de bouw van de ark, het getuigenis gebracht: Bekeert u, bekeert u, want Jezus komt!
Zal men horen én de tekenen der tijden opmerken?
Vele machten der duisternis zijn
uitgegaan om te verleiden, indien het mogelijk was óók de uitverkorenen. Acht
uw vijand niet gering en laten wij niet denken: “Mij kan niets gebeuren, want
wij zijn eerstgeboren kinderen Gods, verzegeld met de H.Geest. Wij weten, hoe het de Satan is gelukt om verstoring
te brengen in de Kerk en haar bediening verdacht te maken.
Geve de Here God ons het geloof en de liefde om staande te blijven in het ware geloof naar de Schriften, opdat het Licht in ons tot overwinning tegenover de duisternis mag komen en wij allen voor Hem, ons aller Heer en Heiland, mogen bestaan, als Hij zal wederkomen.
Nog spreekt de Heer in ons midden door Woord en Geest en getuigt van Zijn Waarheid, vaak met ernstige woorden om wakende en biddende te blijven.
De Here heeft de Zijnen ogen gegeven, om te zien en oren om te horen. Daarom moet steeds ons gebed zijn: "Heer, leert Gij ons, wat Gij wilt, dat ik doen zal”.
Dan zullen wij ons laten leiden
aan Zijn Vaderhand en al zijn wij dan niet groot in deze wereld, veracht, maar
éénmaal zullen we verhoogd worden in Zijn dag, wanneer Hij zal komen om Zijn bruid
tot zich te nemen. Mogen wij allen dan bereid zijn om voor Hem te kunnen
bestaan. Maran-atha! Amen. sdj.