De Here God wekt het volk op en wederom probeert Hij de koude harten van de Farizeeërs tot bekering te brengen.Hij wil ze beschaamd maken.
Er is grote vreugde in de Hemel wanneer één enkele zondaar zich van zijn dwaalweg bekeert, méér dan over negen-en-negentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.
Daarmede zegt de Heer dat
die rechtvaardigen niet de grote, in het oog lopende zonden
gedaan hebben, maar, hoe is het met hun innerlijk gesteld?
Hoe zijn hun harten?
Innerlijk zijn zij verdorven, en, deze toestand is nog veel erger.
De engelenschaar verheugt zich zeer wanneer een zondaar zich bekeert, meer de Farizeeën morden, en, dát is niet de geest die een burger van het koninkrijk der hemelen moet hebben.
De vreugde van de hemelen
moet een echo hebben op de aarde in de harten van de mensen.
Hij, die zich niet verheugen kan wanneer een zondaar zich
bekeert, is niet geschikt om in de hemel te kunnen ingaan, want
bij zulk een gesteldheid van de ziel, sluit men zichzelf uit van
het Koninkrijk Gods.
In een vorige gelijkenis, die van het verloren schaap, toont de Heer Zijn dienaren die het verlorene moeten gaan zoeken.
Hier, in deze gelijkenis echter toont de Heer ons Zijn Kerk.
En, wij kunnen uit deze
gelijkenis begrijpen welk een geestesgesteldheid de kerk van
Christus moet hebben.
Het huis Israëls, en in het bijzonder de Farizeeën kunnen uit
deze gelijkenis zeer veel leren, namelijk, hoeveel moeite men
moet doen om datgene dat verloren is gegaan, wederom terug te
vinden.
De vrouw roept haar vriendinnen en geburinnen te samen en spreekt:"Verheugt u met mij, want ik heb de verloren zilverling teruggevonden."
In deze gelijkenis wordt ons een profetisch voorbeeld voorgesteld.
De vrouw, met haar zilverschat waarover zij zeer zorgvuldig moet waken, is het beeld van de Kerk, van de Bruid van Christus, de Gemeente. Efeze 5:31,32
De Heer der Heerlijkheid
heeft de heerlijkheid des Vaders verlaten om Zich een Bruid te
kiezen op de aarde.
De vrouw, de gemeente van de eerste eeuw, zoals de Heilige
Schrift ons dat vermeld, bezat een rijkdom aan hemelse schatten,
en iedere gelovige lezer van de Heilige Schrift zal tot de
erkenning komen: "Wat was die gemeente rijk,met zijn
apostelen, profeten, evangelisten en herders en leraars en al de
gaven van de Heilige Geest."
Neen, het waren niet alleen apostelen, niet alleen profeten, niet alleen evangelisten en niet alleen herders en leraars,want er was verscheidenheid in die bedieningen.
En dan de gaven van de
Heiligen Geest.
Eén van die gaven was de gave van profetie, en, deze gave wordt
door de apostel Paulus als de schoonste naar voren gebracht.
Want hij zegt immers: die
profeteert, die sticht de gemeente.
Ook aan de vrouwen was deze schone gave geschonken, want, de evangelist Filippus had vier, nog maagdelijke dochters die allen de gave van profetie hadden.
Dit alles staat duidelijk en eenvoudig beschreven in het Woord van God en zó was de gemeente in het begin, toen zij nog in de vurige eerste liefde stond tot haar Heer en Heiland, een schone Bruid, voor haar Man versierd met vele schone geestelijke gaven.
De vrouw in onze
gelijkenis, had tien penningen, zilver.
Het getal tien is het beeld van het Koninkrijk der Hemelen.
Wij denken hier ook aan de gelijkenis van de 10 maagden ons
beschreven in Mattheus
23:1-13.
Het getal tien duidt de volheid aan, en, de eerste gemeente had dus alles ontvangen wat zij nodig had om het Koninkrijk der Hemelen in te gaan.
Deze vrouw, de gemeente, moest over al deze geestelijke gaven zeer zorgvuldig waken, met veel trouw en veel wijsheid, om deze gaven te behouden.
Hierin ligt een waarschuwing waaruit blijkt hoe gemakkelijk een deel der gaven verloren kan gaan, en, heeft de Kerk in de loop der eeuwen niet ontzettend veel verloren?
Ja, bijna alles.!
Apostel Paulus waarschuwde de gemeente reeds hiervoor: "blust de geest niet uit,veracht de profetieën niet."
Reeds in de dagen van de eerste gemeente begon er een verslapping op te treden in het geloof aan de gaven die door de Here God aan de gemeente waren geschonken.
De gemeente te Korinthe was zeer begenadigd met deze gaven, doch, de kerkgeschiedenis heeft ons geleerd, dat zij daar zelfs ook verloren zijn gegaan, en langzamerhand geheel uit de Kerk zijn verdwenen.
De Staat deed zijn intrede in de Kerk, en zo ontstond er een huwelijk waardoor het vertrouwen op de Here God hoe langer hoe minder werd. Dit huwelijk tussen Kerk en Staat had nooit gesloten mogen worden.
Zolang de Kerk werd vervolgd, was het geloof in Christus heel sterk, maar toen zij in de armen van aardse mannen viel, vergat de Kerk haar roeping.
Haar liefde en geloof werden minder en de gaven van de Heilige Geest werden uitgeblust. Onmerkbaar ging al het schone dus zo verloren en men raakte aan deze nieuwe toestand gewoon.
Misschien waren er nog enkele ouden van dagen die zich nog iets konden herinneren van de vlammen op de kandelaar, maar de meesten waren gewend geraakt aan de duisternis waarin men was terechtgekomen.
Zo heeft de Kerk haar loop gevolgd temidden van de volkeren op de aarde, en het begrip van wat éénmaal was geweest, dat ontbrak geheel.
Doch tóen kwamen de
jaren van 1830-1836.
Napoleon, de Franse Adelaar, lag met geknakte wieken ter neder en
het land verkeerde, evenals een groot deel der andere landen, in
een grote nood.
Men kwam tot bezinning. Schrik vervulde de harten der mensen.
Een deel van het
Christendom ontwaakte en men voelde zich arm, ellendig en naakt.
Dit bewustzijn van arm te zijn en iets te hebben verloren, is de
eerste stap die wordt gezet om hulp te verkrijgen.
Deze eerste stap is echter alléén niet voldoende, want in onze gelijkenis steekt de vrouw een licht aan om iedere donkere hoek in het huis te verlichten en daarna keert zij het huis met bezemen om, net zolang totdat zij het verlorene heeft teruggevonden.
Zij berust niet in haar
verlies en doorzoekt haar gehele huis, en, zó is het óók met
het ontwaakte deel van het christendom gegaan; zij treurden diep
over de toestand der Kerk en over het verlies van datgene wat de
éérste Kerk wél in een zo rijke mate had mogen ontvangen.
Zij liet zich dat niet welgevallen.
Evenmnin als de toenmalig veel gebruikte leuzen: "Noodwendige historische ontwikkeling", en, "Onvermijdelijk proces.?"
De Kerk was echter met deze mooie leuzen niet tevreden en door haar vele gebeden en een nauwkeurig onderzoek van het Woord van God, werd opnieuw een licht ontstoken.
Op haar gebeden en zoeken, gaf de Heer het woord der profetie weder terug, 2 Petrus 1:19 en daardoor kwam nog schrijnender de armoede der Kerk en de diepe oorzaken van de treurige toestand waarin zij verkeerde, aan het licht.
De donkerste plaatsen werden verlicht en de verborgenheden der Heilige Schrift werden uitgegoten over die schriftuur-plaatsen die voor dien tijd onbegrijpelijk waren.
En, hierbij werd het Huis met bezemen gekeerd, want alle verkeerde leringen die in de Kerk ingeslopen waren, werden onderzocht en weggedaan; het Huis werd in de rechte orde weder hersteld.
Door het licht der profetie werd de reeds lang vergeten Goddelijke ordening wederom hersteld.
En, volgens Ezra 2:62,63,moest men wachten totdat de Here God wederom priesters zou roepen om in het Heiligdom van God te dienen want al die ordeningen waren immers verloren gegaan.
Door de Urim en Thummim, licht en recht, zou er openbaar worden wie des Heren dienaren zouden zijn en zo riep de Here God Zijn dienaren weer op dezelfde wijze zoals vermeld staat in Handelingen 13:1-4.
De vrouw doorzoekt het gehele huis want zij is er van overtuigd dat de schat niet verloren kan blijven.
Deze overtuiging werd gerechtvaardigd voor de zoekende zielen in de jaren 1830-1836 want in volle geloofsovertuiging vertrouwden zij erop dat de Here God de schat weer aan Zijn Kerk zou teruggeven.
"Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden." Mattheus 7:7.
De Heer blijft getrouw;
Hij is de Alpha en de Omega, en, hoe groot onze ontrouw ook was,
Hij blijft getrouw want Hij kan zichzelf niet verloochenen.
Biddend en zoekend vond de Kerk de verloren penning weer terug.
De grote schat, benodigd om te behoren bij hen die straks als de vrouw van het Lam op de geestelijke berg Sion zullen staan, is de Heilige Geest die de gedoopte christenen door handoplegging van een apostel der eerste Kerk, werd medegedeeld zodat zij behoorden tot de verzegelden die bij getrouwheid waarlijk op de berg Sion zullen staan.
De Here God gaf wederom apostelen om die Heilige Geest mede te delen en de mens werd wederom een tempel van de Heilige Geest en ontving de Kerk wederom deze schone hemelse gaven.
De engelen zingen Gods lof, en, hier op deze aarde werd God lof toegebracht door hen die door hun zoeken hadden overwonnen.
In de woning der waarlijk rechtvaardigen was gejuich.!
De Kerk had haar volle gaven weder ontvangen en hart en mond loofden de wijsheid, de liefde en trouw van God Jehova, door Christus, onzen Heer, Die niet verandert.
Hij is, en was, en zal komen!
De vrouw was zo gelukkig met haar schat, dat zij haar vriendinnen en geburen riep om zich tesamen met haar te verheugen.
De vriendinnen en geburen zijn schaduwvoorbeelden van andere Kerkafdelingen.
Er ging een manifest uit tot alle hoofden van Kerk en Staat in geheel Europa, naar elk land.
De evangelisten gingen
uit om te verkondigen dat het verlorene wederom was teruggevonden
en dat de Heer het wederom had geschonken.
Deze uitnodiging werd echter met weinig vreugde ontvangen, ja,
zelfs verworpen.
Maar, ondanks dit alles, ging de vrouw met vreugde haar weg en zij verheugde zich met een grote vreugde en deze vreugde zal blijven totdat de Heer wederkomen zal.