HET GESPREK MET NIKODEMUS
(Joh.3:1-15)
Uit de H.Schrift is ons van Nikodemus weinig
bekend. Alleen het Evangelie van Johannes vermeldt zijn naam en we vernemen
daaruit dat hij tot de Farizeërs behoorde, dat hij een overste van het volk
was, d.w.z. dat hij lid was van het Sanhedrin, de Grote Raad der Joden en dat
hij een leraar Israëls was, of zoals de juiste vertaling is: een bekend leraar.
Dat hij vermogend was blijkt uit het eerbewijs dat
hij aan de gestorven Heiland bracht: een mengsel van mirre en aloë, bij de
honderd pond.
In de Talmud “een
Joods werk”, dat de leringen van de Joodse wijzen bevat, wordt verteld, dat
er ten tijde van de verwoesting van Jeruzalem een Nikodemus leefde die één der
drie rijkste inwoners van de stad was, de zoon van Gorion, die gedoopt was en
toen zijn lidmaatschap van het Sanhedrin verloor. Het is niet zeker, dat deze
man de Nikodemus uit het Evangelie geweest is.
Van de Bijbelse Nikodemus bestaat een overlevering,
die echter weinig betrouwbaar is, dat Gamaliël, na zijn afzetting als lid van
het Sanhedrin voor hem zorgde en hem onderhield in een landhuis.
Johannes verhaalt, dat Nikodemus in een zitting
van de Raad, waar men minachtend over de Heer Jezus sprak, een poging deed, om
de Rabbi uit Nazareth te verdedigen en er tegen opkwam, dat men iemand
veroordeelde zonder hem gehoord te hebben, wat tegen de Wet was.
Toen men hem onheus antwoordde, zweeg hij.
Uit wat Johannes mededeelt, blijkt, dat er in de
beroemde man een groeiproces te aanschouwen viel. Eerst komt hij DES NACHTS tot
de Heer, later durft hij Hem in een Raadszitting, zij het dan nog zwak, te
verdedigen. En als de Heiland der wereld gedood is aan het kruis, is hij wel
niet zo moedig als een ander Raadslid, Jozef van Arimathea, die het waagde om
tot Pilatus te gaan, maar toch schaart hij zich aan de zijde van die edele man,
om de Gestorvene de laatste eer te bewijzen, wat onder de gegeven
omstandigheden een heldendaad was.
We mogen hier dus uit besluiten, dat hij de Heer
Jezus eerst had leren hoogachten en liefhebben, maar Hem naderhand was gaan
beschouwen als de Messias. Verder zwijgt de Schrift over dezen man.
Toen het nachtelijk gesprek met de Heer aanving,
sprak hij Hem eerbiedig aan met het woord Rabbi,dwz. Meester. Daarin lag een
zekere erkenning, die ontstaan was door de tekenen, die geschied waren en
waaraan Nikodemus een Goddelijke oorsprong toeschreef, anders dan de meeste
Farizeërs, die de daden van de Zone Gods aan de kracht van Beëlzebub
toeschreven.
Hij vangt aan: "Rabbi, wij weten, dat Gij
zijt een leraar van God gezonden, want niemand kan deze tekenen doen,die Gij
doet, zo God met hem niet is."
“WIJ weten”, zegt hij, en dus ligt het voor de
hand, dat Nikodemus sprak uit naam van een groep, die door de wonderen des
Heren twijfelmoedig waren geworden, en Hem niet terstond als een Godsgezant
konden aannemen, maar die Hem toch ook niet wilden verwerpen zonder een nader
onderzoek te hebben ingesteld.
Ze mochten dan geen helden geweest zijn, maar
zoekers naar waarheid waren ze toch. En nu kunnen wij wel spoedig hun
vreesachtigheid veroordelen, maar we moeten niet vergeten, dat het Sanhedrin
machtig was en de Zending van de Heer toch minstens raadselachtig en voor het
natuurlijke verstand niet zo maar te verstaan! Misschien zijn er, die Nikodemus
en zijn vrienden veroordelen, maar die in minder gevaarlijke omstandigheden de
Heer, Die ze beter kennen dan Nikodemus aanvankelijk vermocht, niet voor de
mensen durven belijden!
Hoe het zij, de Heer Jezus, Die immers wist, wat
er in de mensen was, maakte de beroemde leraar Israëls geen verwijt en offerde
Zijn nachtrust op, om de zoekende man de weg te wijzen naar het Koninkrijk.
We vinden in ons hoofdstuk natuurlijk slechts de
inhoud van het onderhoud zeer beknopt samengevat. Daar is meer gesproken dan
wat we lezen, ofschoon dat weinige reeds onmetelijk veel is!
Nikodemus verwachtte, evenals alle vrome Joden van
die tijd, de komst van het Messiasrijk, dat met "uiterlijk gelaat"
zou komen op geheel natuurlijke
wijze, door een bevrijdingskrijg tegen de Romeinen, al was men dan overtuigd,
dat de Messias over Goddelijke krachten zou beschikken om de strijd aan te
gaan.
En daar hoort hij, uit de mond van de Man, Die
misschien de Messias is, dat er een geheel andere weg tot het Messiasrijk was,
een wonderlijke weg: een nieuwe geboorte.
Sommigen zien in de uitroep van Nikodemus spot,
maar ten onrechte. Daartoe was hij te ernstig en te veel met eerbied vervuld.
Zijn uitroep: “Hoe kàn een mèns wedergeboren
worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijn moeders schoot ingaan en
geboren worden?”, ontsproot uit een geheel natuurlijk verstand, dat niet in
staat was, om Goddelijke zaken te doorzien.
De Heer gaat op die uitroep niet in, maar herhaalt
op plechtige wijze Zijn uitspraak en vermeerdert deze met de mededeling, dat
niemand in het Koninkrijk Gods kan ingaan, dan dat hij wedergeboren wordt uit
WATER en GEEST. Dus: DOOR EEN SCHEPPINGSDAAD GODS.
Nikodemus kon hieruit opmaken, dat er van een
aards rijk geen sprake kon zijn en dat het geestelijke Rijk alleen door
geestelijke burgers kon worden betreden, die hun geestelijke staat niet uit
eigen kracht en ontwikkeling konden verkrijgen, maar door een SCHEPPINGSWONDER.
"Wat uit het vlees geboren is, is
vlees," zegt de Heer. Met andere woorden: de natuurlijke mens kan uit
zichzelf niets geestelijks voortbrengen.
Daartoe is nodig, dat de GEEST gaat werken, opdat
de natuurlijke zaken omgezet worden en geschikt gemaakt voor het geestelijke
leven.
De Heer geeft toe, dat dit alles het natuurlijke
verstand te boven gaat en gebruikt nu een beeld uit het dagelijks leven, dat
voor Nikodemus duidelijk kon zijn, aangezien in zijn taal eenzelfde woord
bestaat voor WIND en GEEST.
De Heer zegt: "De wind blaast waarheen hij
wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij
heengaat: alzo is een iegelijk die uit de GEEST geboren wordt."
Hoe eenvoudig
is het beeld en toch reeds in natuurlijke zin zo waar, wat ieder kan waarnemen,
wanneer hij zich buiten bevindt. In de verte ziet hij de toppen van de bomen of
de oppervlakte van het water in beweging komen en even daarna voelt men de wind
over zich heengaan en verderop worden eveneens de boomtoppen en de water-
oppervlakte bewogen.
Waar begon deze beweging? Waar eindigt ze? Niemand
kan het zeggen, maar de bewegende kracht was er.
“Alzó is een iegelijk die uit de Geest geboren
wordt," zegt de Heer ten slotte.
Nikodemus is verslagen. “Hoe kunnen deze dingen
geschieden?" vraagt hij.
De Heer antwoordt met een wedervraag: "Zijt
gij de bekende leraar in Israël en weet gij deze dingen niet?"
De Heer laat hem voelen, dat zijn menselijke
wijsheid ontoereikend is, om, de eeuwige dingen te verstaan, maar Hij, met Wie
Nikodemus zich onderhoudt, zou hem nog wel andere, nog hogere zaken kunnen
openbaren, daar Hij in de Hemel vertoeft.
Maar zo lang Nikodemus nog geen begrip heeft van
de eerste beginselen, zal de openbaring van het hogere voor hem van geen nut zijn.
En nu zegt de Heer iets, wat Nikodemus wel met grote verwondering zal hebben
vervuld: "En niemand is opgevaren in de Hemel, dan die uit de hemel
nedergekomen is, n.l. de Zoon des mensen, Die in de Hemel IS"
Dit laatste wonderlijke woordje herinnert ons aan
een ander gezegde van de Heer Jezus: “Eer Abraham was, BEN Ik."
Hier leren we dus twee zaken: Voor de Heer bestaat
er geen tijd, daar Hij altijd IS en ondanks de Vleeswording, waardoor Hij op
aarde woonde, was Hij nochtans in de Hemel, d.w.z. dat Hij in volkomen eenheid
met de Vader leefde.
We lezen niet, dat Nikodemus nog verder iets
gevraagd of gezegd heeft. Voor zoveel mysteries zal hij wel het hoofd gebogen
hebben en hij zal wel gevoeld hebben, dat hij tegenover een Leraar stond van
een hogere dan de menselijke orde. Dat het nachtelijk onderhoud op hem een
blijvende en overweldigende indruk heeft gemaakt, toonden we reeds hierboven
aan door het ons bekend gedrag van deze man, toen hij de Heer in het Sanhedrin
verdedigde en Hem naderhand mede de laatste eer bewees.
Wat we verder lezen inde verzen 14 en 15, zal voor Nikodemus ook wel raadselachtig
geweest zijn.
"En gelijk Mozes de slang in de woestijn
verhoogd heeft, alzó moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een
iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven
hebbe."
Nikodemus is van die wonderlijke verhoging getuige
geweest, toen hij op Golgotha de Leraar van God aan het vloekhout zag hangen.
We lezen in Joh.12:32 en
33, dat de Heer met de verhoging, als de door Mozes opgerichte slang,
Zijn kruisdood bedoelde. Evenals het zien op de koperen slang, de, door de
vurige slangen gebeten slachtoffers genas van de dodelijke beet, zo zou alleen
het zien op de gekruiste Christus allen genezen, die door de oude slang, de duivel,
gebeten waren.
Het middel, door Mozes op Gods bevel gegeven, was
wel wonderlijk. Waarom juist zo’n vreemde handelwijze? Zeker, er was verband
met de slang, die het mensenpaar in het
Paradijs verleid had, maar vreemd was het toch. Maar... wie het middel
verwierp, moest sterven!
Het Kruis van Christus is ook zo tegen het
verstand indruisend. Maar wie de Gekruiste niet aanroept als de enige Middelaar
Gods en der mensen, valt de eeuwige dood ten prooi.
Hier hebben we niet te begrijpen, maar in het
geloof te aanvaarden, zoals we ook de wedergeboorte uit water en Geest te
aanvaarden hebben.
Zonder deze, zegt de Heer, is geen toegang in het
Koninkrijk mogelijk.
Er zijn er onder ons wel eens geweest, die
meenden, dat het water waarvan de Heer spreekt, de Waterdoop voorstelt en, dat
de Verzegeling met de Heilige Geest aangeduid zou zijn met het woord Geest; Dat
is echter een naïeve dwaling.
Ik schrijf hierover, wat de
"Geloofsbelijdenis der Apostolische Gemeente” dienaangaande zegt.
Deze Geloofsbelijdenis dateert uit het jaar,
waarin apostel Schwartz met zijn medehelpers in Nederland kwam.
In een groot aantal zijn deze geschriftjes
verspreid. Ik schrijf dan vanaf art.16: "Wij geloven, dat de heilige doop
het bad der Wedergeboorte en -vernieuwing door de Heilige Geest is, om hier
eerst in het Rijk Gods gebracht te worden en dat ieder mens, die niet gedoopt
is of niet in zijn doop gelooft, buiten het Rijk van Christus staat en voor het
toekomende Christusrijk verloren gaat (Joh.7:34);
verder, dat iedere doop geldig is, die door een rechtmatig geordend leraar aan
een dopeling is volbracht met water in de Naam Gods, des Vaders, des Zoons -en
des Heiligen Geestes”.
En, dan lezen we in art.18: "Wij geloven naar
Hand.8:17, dat nevens de Heilige Doop en het
Avondmaal de gelovigen nog een handoplegging van Christus' Apostelen nodig
hebben, om de Heilige Geest als verzegeling, gave en onderpand te ontvangen,
ten einde eerstelingen te worden van Christus in Zijne heerlijkheid."
Welk een wonder geschiedt er dus, wanneer er
iemand gedoopt wordt!
"In de beginne schiep God de hemel en de
aarde. De aarde nu was woest en ledig en duisternis was op de afgrond en de
Geest Gods zweefde op de wateren."
Alzo lezen we. De levendmakende Geest gaf de adem
des levens aan de levenloze stof, telkens als Gods stem riep. Zo wordt de in de
erfzonde geboren mens, daardoor tot de eeuwige dood vervallen, levend door de
wedergeboorte uit water en Geest.
Of ons verstand daar mee
voor een verborgenheid staat, vraagt de Heer niet. Hij zegt ons, dat álleen op
die wijze de geboorte tot stand komt, die toegang verschaft tot het Godsrijk.
Zeker, het natuurlijke
verstand kan deze zaken niet verstaan. Maar... is dat zo erg?
Wie kan het ontstaan van
het natuurlijk leven verklaren?'
Meer nog! Wie kan
juist zeggen wat stof is? Het is immers alles raadsel.
En, welk een gerustheid
geeft het, wanneer we ons leiden laten door Hem, Die uit de Hemel is
nedergekomen en Die mede zat in de heilige Raad Gods vóór de afgronden daar
waren!
"De Here bezat Mij
in het begin Zijns wegs, vóór Zijn werken, van toen aan”.
Lezen we Spr.8:22-31, waar dat wondere
wezen Gods beschreven wordt. En dan volgen er zulke kostelijke raadgevingen:
"Nu dan kinderen, hoort naar Mij, want welgelukzalig zijn zij, die Mijn
wegen bewaren. Hoort de tucht en
verwerpt die niet. Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks
wakende aan Mijne poorten, waarnemende de posten Mijner deuren. Want die Mij
vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van de Here; maar die tegen Mij
zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen die Mij haten, hebben de dood
lief!" AJK/SdJ