Hersteld Apostolische Zendingkerk MAAR WAT ZIJT GIJ UITGEGAAN TE ZIEN

MAAR WAT ZIJT GIJ UITGEGAAN TE ZIEN?

(Lukas 7:26)

 

Wanneer dit artikel verschijnt, dan resten ons nog maar enkele uren, en dan zal het oude jaar tot het verleden behoren.
Een jaar, waarvan de tijdsinhoud voor ons allen dezelfde is geweest, maar hoe oneindig verschillend waren onze ervaringen!.

Het is daarom wel met enig recht, dat men zegt dat het niet zozeer het aantal van de dagen, dan wel de ervaringen zijn, die de tijd aangeven.

 

Met velen van ons is de Heer dit jaar een moeilijke weg gegaan. Sommigen werden aan het ziekbed gekluisterd, van wie enkelen ook nog niet genezen zijn.

Anderen, die reeds bij het begin van dit jaar ziek waren, en die gehoopt hadden dat dit jaar hun de zo vurig verlangde genezing zou brengen, werden in deze hoop teleurgesteld.

 

Ook zijn er onder ons, van wie de Heer wegnam die hun lief waren.

Het leed, hierdoor ontstaan, is moeilijk te dragen.

Moge de Heer de zieken sterken, en hen, die in rouw zijn troosten, en hun alle geloofskracht schenken om te kunnen dragen wat hun werd opgelegd.

 

Ervaringen, waardoor de geloofsweg bemoeilijkt wordt, kunnen echter ook van geheel andere aard zijn, zó zelfs, dat men meent teleurgesteld te zijn in het Apostolische werk,dus in het werk des Heren.

Wanneer men echter de diepere oorzaken onderzoekt, dan zal het steeds weer blijken, dat zij teleurgesteld werden in de mensen.

Meestal waren het gedrag of woorden van hun broeders of zusters in de gemeente, de oorzaak. Dezulken hebben zich vaak een  bepaalde gedachte gevormd, hóe een Apostolische, en  in het  bijzonder, hoe een dienstknecht des Heren moet zijn; zij zijn dus bevooroordeeld!

En nu werden dezen, al of niet terecht, teleurgesteld in hun verwachtingen.

 

Vooroordelen zijn echter niet alleen las­tig, maar vooral in het geloofsleven kunnen zij zo gevaarlijk zijn, en zij kunnen de mens op dwaalsporen leiden.

Meermalen is de Heer Jezus tegen de­ vooroordelen van de Joden ten strijde getrok­ken.

We lezen in Lukas 7:24-25; "Toen nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij van Johannes tot de schare te zeggen: “Wat zijt gij  uitgegaan in de woes­tijn te aanschouwen? Een riet, dat door de wind ginds en weder bewogen wordt? Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens met zachte klederen bekleed? Zie, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven."

 

Hoewel de Heer met deze woorden kennelijk Johannes de Doper aanduidt, bemerken wij toch, bij het lezen van vers 35 en 34, dat zij vooral ook betrekking hebben op de wijze waarop Israël de Messias ontvangen had.

Dit blijkt uit vers 33 en 34: "Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende,

noch wijn drinkende, en gij zegt: “Hij heeft de duivel”.

“De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziedaar een mens, die een vraat en een wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren."

 

Men had de stem eens roepende in de woestijn wel gehoord, naar er verder geen  acht op geslagen.

Men had ook gehoord van de grote werken en woorden van de Heer Jezus, van Wie enkelen zelfs zeiden, dat Deze de Messias was.

Nu was men uitgegaan om te zien, of deze, ook als persoon, in overeenstemming was met hetgeen zij er van hadden gehoord.

 

In de vraag van de Heer: “Wat zijt gij uitgegaan te zien?", ligt een andere vraag verborgen,nml.: Welk beeld had gij u gevormd van de Messias.?

In het tweede gedeelte van de vraag ligt het antwoord reeds opgesloten.

 

Men verwacht­te wel de Messias, maar niet één Die in ne­derigheid en eenvoudigheid zou komen; zij verwachten een Koning.

Wij willen toegeven, dat deze verwachting gebaseerd was op een deel van de H.Schrift.

 

Immers de Joden kenden de H.Schrift, en, dus óók de Messiaanse beloften zoals deze onder meer beschreven staan in Psalm 72:1-11 en Jesaja 32:1.

Deze tekstgedeelten zouden inderdaad doen vermoeden, dat de Messias als Koning en Heerser zou komen.

Alle koningen zouden zich zelfs voor deze Koning nederbuigen, en Jes. 32.1 luidt: "Zie, een Koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht."

 

Het tweede gedeelte van dezelfde psalm 72 belicht de Messias evenwe1 van een geheel anderen zijde.

En, dezelfde profeet, welke van Hem profeteerde: “Zie, een Koning zal heersen naar recht”, profeteerde ook: “Hij had een gedaante of heerlijkheid als wij Hem aanzagen, zo was er geen  gestalte, dat wij Hem begeerd zouden hebben. Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen." (Jes.53:2-3a)

 

Deze voorzeggingen pasten echter niet in het beeld, dat zij zich wilden vor­men van de Messias, en zij brachten alleen die woorden met Hem in verband, welke overeenkwamen met hun eigen innerlijke wensen.

Men behoeft zich ook daarom niet te ver­wonderen, dat zij, wegens een dergelijke eenzijdige, toepassing van de Messiaanse beloften, zich een verwrongen beeld van de Messias gevormd hadden.

Zij waren bevooroordeeld; en het noodwendige gevolg hiervan was, dat zij de Heer Jezus, toen Hij kwam als de verpersoonlijking van nederigheid en eenvoudigheid, niet konden aannemen als de beloofde Messias.

 

Wel geloofden zij in de Heilige Schrift, maar het geloof naar de Schriften houdt in, dat men de gehele Schrift aanvaardt en niet slechts dat gedeelte, dat in overeenstemming is met eigen verlangens.

Gelukkig waren niet alle Joden met dit vooroordeel behept. Nog maar enkele dagen geleden mochten wij de heerlijke vredeboodschap beluiste­ren, die de engelen verkondigden aan de herders in het veld van Efratha: “Vreest niet! , want ziet ik verkondig u grote blijd­schap, die al den volke wezen zal; name­lijk dat u heden geboren is de Zaligmaker Welke is Christus de Here,in de stad Davids. En dit zal u het teken zijn; zult het Kindeke vinden, in doeken gewonden, en liggende in de kribbe”.

 

Deze herders gingen ook uit om het Kin­deke te zien, n.l. de Zaligmaker, Welke is Christus de Here.

Zij zochten evenwel niet naar koninklijke waardigheid, maar sloegen alleen acht op het teken. Het Kindeke, in doeken gewonden, en liggende in een kribbe.

"En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef en het Kindeke, liggende in de kribbe."

Hun natuurlijke ogen zullen, niet veel meer dan een glimp van het lichaam zelf hebben gezien, omdat het, naar Oosters ge­bruik geheel in doeken gehuld was, maar voor het geloofsoog waren deze windselen geen beletsel; het zag er dwars door heen, en aanschouwde het wonder: de Zaligmaker, welke is Christus de Here.

 

Dit was een groot voorrecht, waarvan de Heer Zelf zeide: "Voorwaar, ik zeg u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben be­geerd te zien de dingen, die gij nu ziet, en hebben ze niet gezien”. (Math.13:16-17)

Het zou maar een korte spanne tijds zijn dat men de Here Jezus met natuurlijke ogen zou kunnen zien. Hij zou, na de verlossing der mensen te hebben aangebracht, door Zijn verzoenend lijden en sterven, opstaan uit de doden, en ten hemel varen, om daar weer die heerlijkheid te ontvangen, welke Hij reeds had, eer de wereld was.

 

Maar de Here zou Zijn discipelen geen wezen laten, maar hun een andere Trooster geven, Welke bij hen zou blijven tot in der eeuwigheid.

Van Zijn hemelvaart af wil de Heer Zijn werk op deze aarde werken door die andere Trooster, de Heilige Geest.

Maar dit werk zal tot aan Zijn in wederkomst altijd onder hetzelfde teken blijven staan, hetwelk de herders van de engel ontvangen hebben, nml,: "Gij zult het vinden in doeken gewonden," dwz. Jezus werkt Zijn hei­lig werk door de Heilige Geest door ambten en gaven, maar Hij gebruikt daarvoor mensen.

 

Hij roept Zijn dienaren door profeten mond uit  het midden der gemeente. Dit zijn geen bovennatuurlijke wezens, maar aardse zondige mensen met menselijke tekortkomingen.

Het zijn ahw.de windselen, waarin Gods zegeningen gewikkeld of verborgen zijn, want tot deze dienaren sprak de Heer: “En Ik zal u geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, en zowat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn, en zowat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn." (Math.16:19).

 

En tot de zeventig zeide Hij: "Wie u hoort, die hoort Mij, en wie u verwerpt, die verwerpt Mij, en wie Mij verwerpt, die verwerpt Degene, Die Mij gezonden heeft”. (Luc.10:16)

En in Joh. 20:23 staat: “Zo gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, die zijn zij gehouden."

De Heer Jezus wil Zijn genadegaven mededelen aan eenieder, maar via de door Hemzelf geroepen dienaren.

 

Nu vraagt de Heer aan de zoekende mensheid: "Wat zijt gij uitgegaan te zien?; zoekt gij de Zaligmaker, Welke is de Christus de Heer?”.

Dan is het Gods woord bij monde van de engel, die hun de weg wijst, nml. “Gij zult het vinden, in doeken gewonden” d.i. Gods werk gewerkt door mensen.

 

En zij, die uitgaan om te zien, zullen eerst de windselen zien; en, blijven zij met hun natuurlijke ogen daarop staren, om deze aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, och, dan zullen zij ongetwijfeld vele zwakke plekken kunnen ontdekken.

Als men van de Heer Jezus, als het groene hout, reeds zeide: “Zie daar, een mens die een vraat en een wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren”, welk oordeel zal men dan over het dorre hout vellen?

 

Vanzelfsprekend legt het feit, dat men gezalfd is, en daardoor dus alles moet weten, aan de mens beperkingen op, en, deze zal, zoveel als in zijn vermogen is ernaar moeten streven om een waar gelovige van Christus te zijn.

Maar, dit ernstige streven zal toch niet kunnen voorkomen dat men fouten maakt.

 

Apostel Paulus moest ook van zichzelf bekennen: “Want ik weet, dat in mij, dat is: in mijn vlees, geen goed woont. Want, het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet”. (Rom.7:18).

Men maakt dan de zoveel voorkomende fout, om de leer te verwarren of te vereenzelvigen met de belijders van de leer.

Dezulken gingen wel uit om te zien, maar zagen niet het door henzelf gevormde beeld en zij werden teleurgesteld in hun verwachtingen, omdat zij bevooroordeeld waren.

 

Maar zij, die onbevooroordeeld uitgaan om te zien, zoals de herders het deden met een kinderlijk eenvoudig hart, zij zullen, met hun geloofsoog, dwars door de windselen heen zien en Gods heerlijkheid mogen aanschouwen, vol van genade een waarheid.

Het is goed, ook voor ons Apostolischen, om aan het einde van dit jaar aan ons de vraag voor te houden: “Hóe zijn wij in het afgelopen jaar uit gegaan om te zien; hebben wij misschien ook teveel op de fouten en zwakheden van onze broeders en zusters acht geslagen?

Was onze kritiek in verband met het Apostolische werk wel altijd opbouwend? Of was wellicht bedilzucht of hoogmoed onze drijfveer?

Het Nieuwe Jaar ligt nog ongerept voor ons; laten wij dan uitgaan en zien met een eenvoudig en nederig hart.

Onze ogen zullen dan niet blijven staren naar de windse­len, maar ons geloofsoog zal daar doorheen zien, en Gods liefde aanschouwen, in Zijn Heilige sacramenten, in het ambt der verzoening, en in alle genademiddelen, welke Jezus aan Zijn kerk geschonken heeft.

 

Dan zullen wij niet meer willen kritiseren, maar mee willen helpen met alles wat in ons is. Ook onze zwakke broeders en zusters in liefde willen dragen, want, zo schrijft apostel Paulus:

“De liefde bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij verdraagt alle dingen. De liefde vergaat nimmermeer, maar hetzij profetieën, zij zullen teniet gedaan worden, hetzij talen, zij zullen ophouden, hetzij kennis, zij zal teniet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele, doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is teniet gedaan worden”. (Coll.13:9-18 ).

Zijn wij dan gevoerd geworden naar de kribbe, de Heer wil verder met ons trekken, ­wellicht op een  weg vol beproeving en teleurstellingen.

 

"De dienaar is niet meer dan de meester”.

Ook Zijn weg was daar vol van, en voerde zelfs naar Golgotha.

Maar eenmaal zal Hij ons ook voeren naar de 0lijfberg en zullen wij met Hem óp mogen varen ten hemel.

Dan zal hetgeen ten dele is, teniet worden gedaan, en het volmaakte ons deel zijn; dan zullen wij Hem mogen aanschouwen, want wij weten, dat, als Hij geopenbaard zal zijn, wij aan Hem  gelijk zullen wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. (Joh.3:2b)

Zonder windselen en in Zijn volle heerlijkheid en Majesteit zullen wij Hem mogen aanschouwen, en eeuwig en altoos met Hem zijn .sdj.