LIEFGEHAD TOT HET EINDE

( Joh.13:1)

En, voor het feest van het Pascha, Jezus, wetende dat Zijn ure gekomen was dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad heeft, zo heeft Hij ze liefgehad tot het einde”.

Met deze woorden begint, in het Evangelie van Johannes, de lijdensgeschiedenis van onze Heer en Heiland. Zeer terecht wordt door deze hooggestemde Evangelieschrijver, die men ook wel “de apostel der liefde” noemt, de liefde van Christus in het volle licht gezet. En juist hém moest het hebben getroffen dat die liefde van de Heer stand gehouden heeft tot het bittere einde.

Zíjn gevoelige hart was óók tekort geschoten. 0ok hij had, mét de ándere jongeren, de Meester in de steek gelaten toen de verrader met de bende kwam om de Heer gevangen te nemen. 0ok híj had mede getwist, tot in de Paaszaal aan toe, over de vraag wie er toch wel de meeste zou zijn in het koninkrijk, terwijl de Grootste van alle mensenkinderen Zich voorbereidde tot de dood, een dood, die alleen voor het grootste geboefte bestemd was, de dood aan het kruis.

Tot beschaming, óók van Johannes, had deze moeten aanzien hoe de Heer, bij het horen van de twist om de hoogste plaats, Hij, die uit de hemel was nedergedaald, het slavenwerk van de voetwassing verrichtte, een daad, waarvan de Apostelen maar weinig begrepen en die dan ook, naar de woorden van de dienende Meester, pas later door hen geheel zou worden verstaan. (Joh.12:7).

Johannes en zijn broeder Jakobus hadden heimelijk van de Heer de belofte willen verkrijgen, om aan Zijn rechter- en linkerhand in Zijn koninkrijk te kunnen zitten, welke wens hun moeder, die naar het vlees een tante van de Heer was, aan Hem moest overbrengen. Daaruit bleek, hoe zelfs de, bij uitstek geliefde Apostel, Zijn Heer en Meester nog maar heel weinig begreep, Hem, Die gezegd had, dat de Zoon des mensen niet was gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen. Ook Johannes behoorde tot degenen, van wie de Heer zuchtend uitriep: "0, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? (Matt.17,17).

Toen de Heer op wonderbaarlijke wijze de menigte had gevoed met vijf broden en twee vissen, en de grote schare verzadigd was en er twaalf volle korven brood en vis waren overgebleven, was ook Johannes nog niet voldoende overtuigd van des Heren almacht, want toen, in de nacht na het wonder van de spijziging, de Heer op de golven wandelde, hielden zij Hem voor een spooksel en toen Hij de stormwind legde, ontzetten zij zich bovenmate zeer in zich zelve en waren verwonderd, want zij hadden niet gelet op het wonder van de broden, want hun hart was verhard. Aldus verhaalt ons Mark.6:51,52.

Toen de Samaritanen weigerden, om aan de Heer gastvrijheid te verlenen, waren Johannes en Jakobus daarover zó verbolgen, dat de doodstraf door hen werd begeerd, gelijk Elia door hemelvuur tot tweemaal toe degenen gedood had die hem gevangen wilden nemen.

Maar, wat wat zei Hij, Die beledigd was? "Gij weet niet van hoedanige geest GIJ zijt; want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om ze te behouden".

Johannes was nog vervuld met de geest, die ook in zijn grote naamsgenoot, de Doper, woonde, die de bijl had willen gebruiken om de boom te vellen.

Maar Hij, Die gekomen was, om der mensen zielen te redden, bad de Heer van de wijngaard om nog enig geduld te oefenen, opdat de goede Wijngaardenier nog een poging zou aanwenden, om door bemesting de boom tot vruchtdragen te brengen. (Luk.13:6-9)

Welk een liefde had de Heer steeds getoond in al Zijn woorden en werken en hoe weinig had Johannes, zelfs Johannes, er toen van begrepen!

Op zeer hoge leeftijd gekomen, schreef hij zijn Evangelie en had hij ernstig nagedacht over al hetgeen hij destijds beleefd had. De Heilige Geest had hem, naar des Heren woord, indachtig gemaakt, al wat Hij gesproken had en telkens doorleefde de grijze Apostel in zijn geest al het heerlijke en grootse, waarvan hij getuige geweest was, al was het verhevene erin maar o zo weinig in de dagen van de omwandeling tot hem doorgedrongen!

Alles in de geest overziende, getuigt hij: “Wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid". (Joh.1:14).Wij willen geen stenen werpen op de Apostelen van de Heer!

Wat hebben wijzelf nog geen moeite om de Vleeswording enigszins te verstaan, wij, die de H.Geest hebben ontvangen, Die in alle waarheid leidt!

Het menselijke en het Goddelijke waren zó wonderlijk verbonden.

De Heiland der wereld was, evenals Zijn jongeren, vermoeid van de arbeid; Hij leed dorst door de hitte van de zon; sliep vast te midden van een razende storm. Maar daar waren ook ogenblikken, dat Zijn Goddelijkheid zó sterk schitterde, dat Petrus het uitriep: "Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!"

En, eenmaal vroegen zij allen hoogst verwonderd: "Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee aan Hem gehoorzaam zijn!".

Na de opstanding van de Heer en de uitstorting van de beloofde Geest, was er voor de Apostelen veel duidelijk geworden, wat tevoren in nevelen gehuld was. En, vooral de liefde, die de Christus getoond had, schitterde voor hen als de zon op de middag.

En de Apostel verwonderde zich maar steeds over de onuitputtelijke liefde van de Heer, Die hen, ondanks hun onverstand en kille harten, steeds had verdragen.

Ach, zelfs hij, die met Petrus en Jakobus, meer dan de anderen, het vertrouwen van de Heer genoten en tweemaal met hen getuige waren geweest van Zijn grote macht en heerlijkheid, éénmaal in de opwekking van het dochtertje van Jairus en andermaal bij de verheerlijking op de Berg, had met zijn beide gezellen geen weerstand kunnen bieden aan de macht van de slaap, toen de Zoon des mensen worstelde in de Hof der olijven!

Hoe smartelijk klonken de woorden van de lippen van de zwaar aan gevochtene: "Kunt gij dan niet één ure met Mij waken?"

Wat zullen deze woorden naderhand Johannes en de beiden anderen oorgetuigen van die smartelijke uitroep, een pijnlijke herinnering zijn geweest! Zeker, de Heer had hun alles vergeven, maar wat zou het later een heerlijke gedachte zijn geweest, wanneer zij in de ware zielenstrijd de Heer een enkele zoete druppel in de zo bittere kelk hadden gemengd! In alles, letterlijk in alles, waren ze te kort geschoten.

En Hij? Hij heeft ze liefgehad tot het einde!

Wat getuigde daarvan het Hogepriesterlijk gebed, opgezonden in het aangezicht van een naderende zielstrijd, waar de grote Zoon des mensen als een worm zou kronkelen en in Wien de droevige lijdenspsalmen letterlijk vervuld werden. "Ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen en veracht van het volk". Hij heeft de Zijnen liefgehad tot het einde.

Maar ook wij waren in die liefde begrepen.

Bad de lijdende Hogepriester ook niet voor degenen, die de woorden van Zijn gezanten zouden aannemen?

En bad Hij zelfs nog niet voor degenen, die hun zondige handen aan Zijn heilig lichaam sloegen, om het gruwelijke en onrechtvaardige vonnis van de Joodse raad aan Hem te voltrekken?

"Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen!"

Toen de Farizeën en de oversten van het volk bij het kruis stonden en op hartstochtelijke en lage wijze hun afkeer aan de dag legden, toen hun gruwelijke spotrtende taal de Liefdevolle het hart doorboorde, ook toen liet Hij geen enkel hard woord horen en weer handelde Hij niet gelijk Elia. Neen, niet om te verderven, maar om te behouden was de Heiland gekomen.

En de liefde van de lijdende Zone Gods zou weldra een heldere weerschijn geven in de harten van de Zijnen.

Want hoe troostrijk zegt Petrus tot de Joden, dat zij, die de Vorst des levens hadden gedood, het uit onwetendheid hadden gedaan. (Hand.3,13-17) Ook hier geen verwijt, maar een hartelijke vermaning om tot bekering te komen en Dien te huldigen, Dien zij in verblinding des harten hadden gedood.

En hoe aandoenlijk drukt Paulus zich uit, hij, die de Heer der Heren zo vreselijk had gehaat en toch Diens liefde had ervaren: Niemand van de oversten der wereld had de heerlijkheid van de Zoon gekend, want indien zij deze zouden gekend hebben, ze zouden de Heer der heerlijkheid niet gekruist hebben. (1 Kor.2:8).

Wel is de Liefde de meeste van de hemelse krachten, van het glanzende drietal: geloof, hoop en liefde!

Want, de liefde van de Heer tot de Zijnen eindigde niet op het kruis, met het einde van Zijn aardse leven!

Zijn liefde duurt tot in eeuwigheid!

Ten bewijze daarvan gaf Hij de Zijnen het H.Avondmaal, dat tot Zijn gedachtenis zou worden gevierd, niet alleen door de Apostelen, die getuigen waren geweest van de instelling van het H.Sacrament, want de Heer zelf heeft op ons bekende wijze aan Zijn apostel Paulus geleerd, dat de Kerk daardoor de dood des Heren zou verkondigen TOTDAT HIJ KOMT.(1 Kor.11:23-26).

Wat is het goed, dat wij inde Apostolische Kerk elke Zondag het H.Avondmaal vieren! Een ernstig bezwaar is er aan verbonden: de sleur kan ook hier een dodende, ja een dodelijke werking uitoefenen. We weten, dat er in sommige kerkafdelingen gelovigen zijn, die zich zó zondig weten, dat ze niet de moed hebben om tot de dis des Heren te naderen en, waar men het soms in zonderlinge verblinding een bewijs van vroomheid vindt, wanneer men zich zó onwaardig acht, dat men zelden of nooit het H. Avondmaal nuttigt. Hier bereikt de mensenmoordenaar van de beginne zijn doel, want wie het vlees van de Zoon des mensen niet eet, noch Zijn bloed drinkt, heeft geen deel aan Hem.

Maar ook de bovengenoemde sleur is gevaarlijk!

Want, wie het Lichaam en het Bloed van de Heer niet onderscheidt, dat wil zeggen, het niet met geloof en eerbied nuttigt, wie het brood onwaardig eet en de kelk onwaardig drinkt, die zal schuldig zijn aan het Lichaam en Bloed des Heren.(1 Kor.11:27).

Zijn wij dan niet allen onwaardig?

Wanneer de liefde van de Heer zich niet had uitgestrekt, óók over ons, op wie die aan de einden der eeuwen gekomen zijn, we zouden zeker onwaardig zijn, maar nu geeft de Heer ons door het licht van Zijn Geest de gelegenheid om ons zelf te beproeven. Daartoe worden we vermaand, reeds in het begin van de dienst, waarop we ons nederbuigen, om de zonden te belijden om daarna door het Ambt der verzoening te worden vrijgesproken in de Naam van de driemaal Heilige God.

Dan zijn wij om des woords willen, dat over ons geklonken heeft, naar het woord van de Heiland, rein en dan mogen we naderen tot de dis des Heren. Van groot belang is het, dat het woord der vermaning ernstig is, zodat het tot de gewetens spreekt en men maar niet gedachteloos de woorden van de zondebelijdenis naspreekt.

De kinderen Gods moeten het telkens horen, dat zij slechts vergiffenis kunnen verkrijgen, wanneer zij zelf vergeven, wie hun iets schuldig is.

Ook de gebeden bij de aanbiddende dienst moeten de heiligheid van de Heren en Zijn grote liefde steeds doen uitstralen.

De naam drukt het zo juist uit: Aanbiddende dienst.

Eer moet worden toegebracht aan Hem, Die Zich zo diep vernederde, ook voor ons, maar ook eer aan de Vader, Wiens liefde Hem bewoog, om de Zoon Zijner liefde te zenden en over te geven aan de bittere en smadelijke dood aan het kruis.

Ere ook aan de Heilige Geest, Die onze harten verlicht om de geheimen van het Koninkrijk te verstaan voor zover dat ons, sterfelijke mensen, is gegeven.

Hij heeft ons lief tot het einde, tot het einde van deze bedeling en Paulus leert ons, dat kennis, profetieën en de tongentalen zullen verdwijnen, maar dat drie zaken blijven, geloof, hoop en liefde en dat deze laatste de meeste is.

Dus tot in alle eeuwigheid zal de liefde van Christus ons deel zijn.

Wat heeft de apostel Johannes, die aan ons de grote liefde van de Heer tot de Zijnen leert, heerlijk van die liefde in zijn eerste brief geschreven!

En daar leert hij ons, de van Christus ervaren liefde in eigen hart, om te zetten in liefde tot de broeders en gaat daarin zó ver, dat hij schrijft: "Hieraan hebben we de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; EN WIJ ZIJN SCHULDIG VOOR DE BROEDERS HET LEVEN TE STELLEN". (1Joh.3:16)

Daaraan voegt hij een aanmaning toe, om ook in stoffelijk opzicht elkander tot troost te zijn. (vers 17).

We kunnen nooit genoeg opzien naar de Paaszaal, waar de Heiland aanzat, óók nog met de man, die Hem verraden zou en die Hij tot het uiterste nog wilde redden en tot wie Hij traks in de Hof zou zeggen: "Vriend, waartoe zijt gij hier?"

En toch was, nadat Judas de bete genomen had, de satan in hem gevaren.

Wiens hart, moge het nog zo verkild zijn door allerlei omstandigheden in het leven, wordt niet warm door de stralen van die Liefde Zon?