Het Feest der Lichten:
Johannes 10: 22,23.
"En het was het feest der vernieuwing des Tempels te Jeruzalem en het was winter; en Jezus wandelde in de Tempel, in het voorhof Salomo's."
Kores, of Cyrus, had, zoals aan ons in het begin van het boek Ezra wordt medegedeeld, in 516 voor Christus, aan de Joden verlof gegeven om de stad Jeruzalem én de Tempel te herbouwen.

Met gemengde gevoelens werd, zoals wij lezen in Ezra 3:11-13, de nieuwe, maar onaanzienlijke Tempel ingewijd.

De profeet Haggaï troostte, in hoofdstuk 2:7-10, het volk echter met de belofte dat in déze Tempel de Heer Zich, als de wens der heidenen, zou openbaren.

Deze woonstede van de God van Israel werd in later jaren door Herodus gedurende een tijd van 46 jaar, verfraaid en vergroot. Johannes 2:20.

In deze Tempel waren in de loop der jaren vreselijke dingen gebeurd, en, iets daarvan willen mededelen.

Met Alexander de Grote, die anno 323 vóór Christus stierf, was de Griekse beschaving tot vér in het Oosten doorgedrongen en was de stad Alexandrië in Egypte het middelpunt van de antieke wijsbegeerte geworden van waaruit de strijd werd aangebonden tegen de leer van het Oude Verbond.

Vele Joden, en vooral de rijken, en helaas vele van de aanzienlijke priesters werden toen aanhangers van het zogenaamde Neo-Hellenisme,-(Hellas was Griekenland)-, der nieuwe opvattingen in welke opvattingen geen plaats meer was voor de God der vaderen.

Er ontstond echter ook een partij van getrouwe Joden, de Chassiediem, ofwel Toegewijden.

Zij werden echter door hun tegenstanders overwonnen waarna het land onder de macht kwam van de Syrische koning Antiochius IV Ephiphanus: deze naam betekent: de Edele.

Door het gedrag van deze koning werd er echter aan zijn verstand getwijfeld waardoor hij in de volksmond de naam: Epimanus: de waanzinnige, kreeg.

Deze vorst is een type van de anti-christ. Zijn gruweldaden kunnen wij onder andere lezen in het eerste boek der Makkabeeers; zo verbood hij de uitoefening van de Joodse Godsdienst, en, op straffe des doods, de besnijdenis.

Op de hoeken der straten werden door hem afgodsaltaren opgericht, en, in de Tempel te Jeruzalem plaatste hij een beeld van de Griekse Oppergod Zeus, (ook wel Jupiter geheten), en liet op het altaar des Heren een zwijn, een onrein dier, offeren.

Het vlees van dit zwijn liet hij koken en met het vleesnat werd de gehele Tempel besprengd en aldus geheel ontwijd.

Duizenden wetsgetrouwe Joden werden door en namens hem gedood.
Op zeker moment was de maat echter vol en een oud, vroom, priesterlijk geslacht met aan het hoofd de oude
Matthias, bond toen de strijd aan tegen deze goddeloze koning.

Matthias stierf echter vrij snel maar zijn vijf heldhaftige zonen, waarvan Judas de beroemdste was, en die de bijnaam Makkabeus verkreeg, zetten de strijd voort.

De betekenis van de naam Makkabeus staat niet vast, maar zou volgens sommigen betekenen "Strijdhamer", een alleszins toepasselijke naam.

Op de 25e van de maand Chislev, (ongeveer in December van het jaar 165 v.Chr), veroverde hij de stad Jeruzalem en nam de Tempel in bezit.

Het Huis des Heren werd gereinigd en opnieuw ingewijd; dit feest van de inwijding werd, met algemene instemming van dankbare het volk, tot een nationaal feest verheven.

Dit feest werd gevierd met het ontsteken van vele lichten, en de soldaten van Judas staken op het Tempelplein honderden fakkels aan, waarop er, volgens de Joodse overlevering in de Tempel een wonder geschiedde.

Wij weten, dat in de Tempel de zeven-armige kandelaar, gevoed met geslagen olijfolie, moest branden. Deze olie ontbrak echter.
Men vond toen in de Tempel toch nog een kruikje met deze, door de Wet van de Here God voorgeschreven, olie, maar dit was echter maar een voorraadje voor één dag.

Máár, wat gebeurde er.?

Zónder dat men de Kandelaar behoefde bij te vullen, brandde hij van deze kleine hoeveelheid olie gedurende de acht dagen dat het feest duurde.
Na deze acht dagen kon men weer op de normale manier de benodigde olie verkrijgen en hield het wonder op.

Dit feest van de Tempelwijding wordt nu nog steeds door de Joden gevierd en heet "Chanoekahfeest", een feest, waarbij nog altijd het licht wordt ontstoken.
Omdat dit feest echter niet door de Wet voorgeschreven is, gaat het niet gepaard met de, door de Wet opgelegde rustdagen, maar wél met grote opgewektheid en blijdschap, vooral in de laatste jaren nu door het Zionisme het nationale gevoel bij de Joden weer zo levendig is geworden.

Zowel in de huizen als in de Synagogen gebruikt men voor dit feest lampen met acht lichtpunten, terwijl er nog een negende licht is waarmede de andere acht worden aangestoken.

Op de éérste avond wordt er één licht aangestoken en na enige tijd weer geblust; de tweede avond steekt men het tweede licht aan en daarná het eerste zodat er dan twee lichten branden. Deze worden dan na enige tijd weer uitgeblazen, waarna, op de derde avond hert derde, dán het tweede, en dán het eerste licht wordt aangestoken zodat er dan drie lichten branden. Zo gaat men door totdat op de achtste dag alle lichten branden.

In elk huis heeft élke mannelijke bewoner een Chanoekah-lamp, de ouden zowel als de jongen.

Tijdens het aansteken wordt de volgende spreuk gezegd: "Wij prijzen God, die ons Godsdienstplichten heeft opgelegd tot levensheiliging en uit Wiens Naam en tot Wiens eer ons ook het ontsteken van dit Chanoekah-licht is opgelegd; de Heer, de Koning der wereld, die de vaderen toenmaals op deze tijd zo wonderlijk heeft bijgestaan."

En, voor het dankgebed na het avondeten, wordt er over de gehele wereld hetzelfde Hebreeuwse lied, op dezelfde wijze gezongen.

Op dit feest nu was het dat de Heer, in de winter, in de Tempel was.In onze Bijbelvertaling staat: het Feest der vernieuwing des Tempels. In andere vertalingen: het Feest der inwijding des Tempels.

Bij deze gelegenheid had de Heer de blindgeborene genezen, en, na diens genezing had de Heer aan de Farizeeërs, die in hun hoogmoed en eigendunk aan Hem hadden gevraagd: "Zijn wíj dan óók blind.?", geantwoord: "Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben, maar nú zegt gij: Wij zien.! Zo blijft dan in uwe zonde."

Op dit feest der Chanoekah-lichten schonk de liefdevolle Heiland aan een blindgeborene het liefelijke, natuurlijke licht, als een bewijs dat Híj het Licht was dat in de wereld gekomen was.

Máár, hóe zien wij bij dit grote feit dít wáár worden: "En het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen."

De Heer schonk het natuurlijke licht aan een blinde, máár, over hen, die Hem verwierpen sprak Hij het vonnis uit, dat zij in de geestelijke duisternis zouden blijven. Direct na dit vreselijke vonnis, horen wij de ontroerende woorden waarin Hij Zich de Goede Herder noemt die het leven van Zijn schapen, ten koste van Zijn eigen leven, redden.

Ja, Zijn liefde zou zich zelfs uitbreiden tot de schapen van een ándere stal, hiermede reeds aanwijzende dat Hij was, zoals de profeet Haggaï en anderen reeds geprofeteerd hadden: "de wens der heidenen."

De Heer was tot Zijn Tempel gekomen, maar: "Zij zochten dan om Hem wederom te grijpen en Hij ontging uit hunne hand en Hij ging wederom over de Jordaan". Johannes 10: 39,40.

Het feest der lichten, van de herinwijding van de Tempel, hoewel niet door de Here God geboden, werd door de Heer meegevierd omdat het, ook door Gods leiding, zij het dan niet onmiddellijk, aan het volk des Heren was geschonken als een herinneringsfeest dat tegelijk tot het hart, in een zinnebeeldige taal, van Gods trouw sprak.

Zó is het óók met het Lichtfeest dat wíj vieren, ons Kerstfeest.

Dit is geen Bijbels feest en de begintijden van het Christendom hebben het ook niet gekend.Men vermoed, dat het voor het eerst gevierd is in Rome in het jaar 336 ná Chr. In Antiochië werd het omstreeks het jaar 375 gehouden.

De Adventsdagen werden voor het eerst in de landstreek Gallie in Frankrijk, tegen het einde van de vijfde eeuw, gehouden.

In Rome werden de Adventsdagen pas een eeuw láter ingevoerd door gedurende vier weken, vóór het Kerstfeest, op de Woensdag, de Vrijdag en de Zaterdag, te vasten.

Waarom men hiervan de 25e december heeft gekozen, staat niet vast.Daar zijn verschillende verklaringen voor, maar de meest voor de hand liggende is: Voor de oude Germanen was de winter een donkere, droeve tijd, omdat men zónder kunstmatige middelen, kachels en lampen bijvoorbeeld, door deze donkere tijd moest zien heen te komen.

Tot hun schrik zag men dat de dagen al korter en korter werden totdat er een keerpunt kwam: de kortste dag. Na enkele dagen kon men dan, bij nauwkeurige waarneming, aan de horizon zien dat de zon weer langere banen zou gaan beschrijven. Men vatte dan weer moed, en, drie dagen na de winterzonnestand, op de 25e december, begonnen dan de Joelfeesten, bij welke feesten men met veel luidruchtigheid de boze geesten verjoeg. (Hierin vinden wij de oorsprong van het schieten en lawaai maken op de Oudejaarsavond terug).

Het Joelfeest was dus het feest van het komende zonnelicht.

En, omdat Christus het Licht der wereld is, werd de geboortedag des Heren op de 25e december gesteld.

Volgens ouderwetse Bijbelbeschouwing kwam de Christus ongeveer vierduizend jaren ná de Schepping.

Elk duizendtal jaren van voorbereiding werd vertegenwoordigd door één week, zodat men vier Adventsweken voor het Kerstfeest vaststelde. Nog weer later werd het zogenaamde Kerkjaar, met de eerste Adventsweek geopend, waarnaar dan de Liturgie geregeld werd.

Wij schreven het reeds: Het Kerstfeest is geen Bijbels Feest, maar tóch vieren wij het graag, ten eerste om de Vleeswording als een zeer bijzonder feit te herdenken en tévens als een symbool van het Licht dat in de wereld verschenen is.

Ongelijk hebben diegenen die dikwijls de kerkdiensten verzuimen, maar die het Kerstfeest niet willen missen. Dezen begrijpen niet veel van de Vleeswording en van de andere grote heilsfeiten.

Wie alleen op de feestdagen naar Gods Huis opgaat, verstaat de zin van de Rustdag niet, de dag der Overwinning, want: was Christus niet opgestaan, tevergeefs zou ons geloof zijn.

Wij vieren het Kerstfeest, dat wil zeggen het Christusfeest, graag mee en willen in dankbare vreugde met hart en ziel instemmen met het mooie lied: "Daar is uit 's werelds duisteren wolken, een Licht der lichten opgegaan."

En, in de Adventstijd zullen wij, ontroerd, zingen: "Verhoogd zij 't dal, de berg geslecht", gevolgd door de aandoenlijke regels: "Ziet hier, uw Vorst, der heeren Heer.!"

Vooral in de komende dagen zullen wij het nodig hebben om ons te versterken door dit, en door andere liederen der hope, want, Antiochus Epiphanus in een andere vorm; is in andere landen reeds verschenen. Donkerheid en duisternis bedekt de aarde en de volkeren en wéér zullen de Godsdienstige plechtigheden verboden worden; wéér zal vervolging allen bedreigen die de Christus Gods zullen belijden.

Vooral in de tijd van de grote verdrukking die nú al aanvangt, zal het oog gericht moeten zijn op het Licht der wereld, dat Licht, dat alle duisternis voor eeuwig zal doen vlieden.

Het volk van Israel moest het aanzien dat er zwijnevlees op Gods Altaar geofferd werd.Van deze ontheiliging van de Tempel zegt het Boek der Makkabeeen: "In het 145e jaar, op de 15e dag der maand Chislev, liet de koning Antiochius de gruwelijke afgod der verwoesting op het altaar Gods zetten."

Wie denkt hierbij, wanneer hij dit leest, niet aan het woord van Daniel: "En zij zullen het gedurig offer wegnemen en een verwoestende gruwel stellen.?"

Maar, de Heer Jezus zegt ons, dat deze Bijbelplaats op iets anders ziet, op iets toekomstigs, waarop ook apostel Paulus doelt wanneer hij het heeft over iets dat de mens der zonde tegenhoudt. Matth.24:15 en 2 Thess.2:3-10.

Wij gaan een donkere toekomst tegemoet; duister voor het ongeloof, maar wij moeten, volgens het woord des Heren, het hoofd opwaarts heffen omdat onze verlossing nabij is.

De getrouwe eerstelingen zullen het volle licht eerder smaken dan zij, die geen olie in de lampen en vaten hebben.

Het Elisa-getuigenis zal een lot treffen, dat zó zwaar is, dat men er slechts met angst en beven aan kan denken.Het zal dan bijna onmogelijk zijn om de Heer te dienen; maar, wanneer men het beest zal aanbidden, dán wacht de eeuwige straf. Openb.14:9-12.

Dit zal een vreselijke tijd zijn en daarom moeten wij de tijd uitkopen want de dagen zijn boos.

Maar, ondanks al het woeden van de satan, zal éénmaal de dag komen dat het eeuwig licht zal zijn.

Dán zal ook Israel zijn Lichtfeest leren verstaan en mét alle verlosten de eer, de dank en de aanbidding brengen aan het Lam dat voor de grondlegging der wereld geslacht was.

Zo is ook onze Adventstijd nu wel ernstig, maar ook nú komt door de duistere wolken het Licht der Lichten stralen.!

Maran-atha,

de Heer komt gewis.!