Levensvreugde;

In Handelingen 8:39, lezen wij van de Moorman: "En hij reisde zijn weg met blijdschap."

In onze tijd zijn er niet veel mensen die hun weg met blijdschap reizen.

Er is bij de mensen veel behoefte aan levensvreugde; en, ieder mens verlangt er naar, en benijd een ander van wien hij denkt dat daar de ware levensvreugde en blijdschap woont.

Ieder zoekt echter niet dezélfde levensvreugde.

Wij zeggen hierop: er is slechts één blijdschap, namelijk die blijdschap die gevonden wordt bij de Heer.

De apostel Paulus roept het ons toe: "Verblijdt u ten allen tijde.!" dus, in alle levensomstandigheden.

De Moorman, wiens geschiedenis wij beschreven vinden in Handelingen 8, zocht de wáre blijdschap op de goede plaats, én hij vond ze.

Levensvreugde.! O, hoe kunnen ook wij daarnaar verlangen.

Toen de Heilige Geest was uitgestort op de dicipelen, toen waren zij dagelijks eendrachtig te samen met verheuging en in eenvoudigheid des harten.Handelingen 2:46.

Het zaad, dat door de Heer in hun harten was gezaaid, verkreeg wasdom dóór de Heiligen Geest.

In het land van de Moorman, die afkomstig was uit Ethiopië, was het geloof aan de God van Israel ook doorgedrongen.

Reeds ten tijde van koning Salomo was de koningin van dat land, de koningin van Scheba, naar Jeruzalem gereisd om de wijsheid van koning Salomo te horen en zijn rijkdom te aanschouwen.

Toen zij daarvan kennis nam en de majesteit van koning Salomo aanschouwde, toen riep zij in blijdschap en verrukking uit: "Geloofd zij de Herer, uw God,...omdat Hij Israel bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld.!" 1 Koningen 10:9.

Zeer waarschijnlijk zullen haar ervaringen zijn opgetekend in de kronieken van haar land, en heeft wellicht de Moorman, waarvan wij lezen in Handelingen 8, uit die kronieken gelezen welk een zegen Israel genoot dat zij zulk een God, een levende God, bezaten.

Deze Moorman was één der machtigste onderdanen van de koningin der Moren, en het is een groots figuur die hier aan ons wordt beschreven.

Deze man zocht naar vrede, een vrede die zijn eigen god of goden niet aan hem konden geven.

Dáárom ging hij naar Jeruzalem om aldaar de God van Israel in diens Tempel te aanbidden, en, staande in de Voorhof der heidenen die aan de Tempel verbonden was, heeft hij de Tempeldienst aandachtig kunnen gadeslaan.

In het geloof dat de Here God óók hém zou horen, heeft hij Hem aanbeden.

In zijn verlangen om meer te weten over de God van Israel had hij zich een copie van Jesaja's profetie, hoofdstuk 53, aangeschaft, en, met dit kostbare bezit verliet hij Jeruzalem om zijns weegs te gaan.

Tijdens deze terugreis las hij dit, wellicht verschillende malen, maar kon niet begrijpen wat hij las.

Dit moet hem wel zeer teleurgesteld hebben, want immers, hij las en las steeds weer opnieuw maar kon niet begrijpen wát hij las.

Is dit nu niet vreemd.? Zielkundig beschouwd misschien niet.

Deze Moorman zag iets schoons in de dienst van God en werd daardoor ten zeerste aangetrokken.

Wanneer wij aan hem gevraagd zouden hebben: "Wát is dan het schone dat u in dien dienst vindt.?", dan zou hij wellicht geen antwoord hebben kunnen geven.

Deze man was als een kind dat meegaat naar de kerk; het kind verstaat niet veel van dat wat er gepredikt en gebeden wordt, maar tóch voelt het zich daardoor aangetrokken.

De Moorman las hardop en overdacht wat hij las, maar kwam niet tot een verklaring van dat wonderlijke woord: "Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid."

De Heer had echter zijn gebeden verhoort en liet dit, op een verrassende wijze aan hem blijken.

Er kwam een man bij hem, dit was Filippus die enige tijd daarvoor tot diaken was gekozen maar die, vanwege de vervolging der christenen, was gevlucht.

Deze diaken was een bruikbaar werktuig in de hand des Heren om zielen tot Christus te brengen.

Volgens vers 26 was hij door een Engel naar de Moorman gezonden.

Op die eenzame weg ontmoette hij nu de Moorman en daar sprak de Geest Gods tot hem: "Ga toe, en voeg u bij deze wagen."

Wat een wonderlijk weg, dáár, in die woeste plaats, op die eenzame weg en niet in Jeruzalem, krijgt de Moorman het antwoord op zijn gebed.!

Wanneer Filippus bij hem op de wagen zit, dan verklaart hij aan de Moorman de profetie van Jesaja en verkondigt aan hem Christus, als het Lam Gods, die dood en hel heeft overwonnen en zónder Wien de mens zeer zeker zal omkomen.

Wij kunnen ons voorstellen hoe de Moorman het woord van Filippus ingedronken heeft als water.

Het verging hem, als eens de Emmausgangers die van de vreemdeling een verklaring ontvingen van zeer veel wat voor hen onduidelijk en duister was.

Hún hart was brandende toen de vreemdeling aan hen de Schriften opende.

Zo ook met de Moorman, want, komende bij een water, sprak hij: "Zie daar, water, wat verhindert mij om gedoopt te worden.?"

Ook hier zit symboliek in, want, zijn onbereide hart was door de arbeid van Filippus een vruchtbare bodem geworden waarin het zaad van het Evangelie gezaaid was, het zaad, dat nú op bevochtiging wachtte.

Filippus stelde echter wél de voorwaarde: "Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd."

De Moorman antwoordde en zei: "Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is."

Ná gedoopt te zijn reisde de Moorman zijn weg met blijdschap; zeer zeker zal hij nog wel veel en lang met Filippus gesproken willen hebben, maar de Heer had het anders gedacht want terstond nadat de Moorman gedoopt was, nam de Geest Filippus weg.!

De blijdschap van deze man was echter niet gebonden aan een mens, maar was in Hem, in Wien hij geloofde en Die hij nú had leren kennen.

Op deze wijze werd de profetie in Psalm 68:32 vervuld: "Moorenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken."

Zó werd nu óók openbaar, dat de Heer niet alleen voor de Joden gekomen was, maar óók voor de heidenen.

Deze Moorman was een grootse figuur waarvan wij nog veel kunnen leren, want, zijn handel en wandel was de spiegel van dat, wat er in zijn hart leefde; Hij had zijn levensdoel ingericht naar de hope Israëls; Hij las, maar hij las niet om maar wat te lezen, maar hij las datgene wat hem wijs kon maken om de Here God te leren kennen.

Zulk een streven wordt door de Here God nooit onbeloond gelaten.

Het verging de Moorman net als Cornelius die zijn leven zó inrichtte dat hij hoopte om Gode, hoewel hij Dien niet kende, aangenaam te zijn. Handelingen 10.

Wat men zaait, dat zal men maaien, en, de oogst was, zowel voor Cornelius als voor de Moorman verrassend en schoon, want zij verkregen een blijdschap die nimmer vergaat.

Onze wereld mist die ware blijdschap, want, de vreugde der wereld is slechts schijn en vergaat met de wispelturigheid van het leven.

Oók bij de kinderen Gods kan de vreugde door allerlei oorzaken, verminderen.

Iemand die een ziekte onder de leden heeft, die weet en voelt dat er wat aan hapert, hij kan het niet altijd verklaren, maar het hapert.

Zó kan het óók zijn wanneer de mens verachtert in de genade; hij denkt dan aan de verleden tijd en gevoelt dat het ánders is geworden. Hij geeft de schuld hiervan aan allerlei dingen, maar zoekt het meestal niet bij zichzelf; hij heeft op de juiste tijd niet gewaakt en heeft zich zijn vreugde en blijdschap door de satan laten ontnemen, de satan, die niet kan hebben dat men zich in God verblijdt.

Wij leren van de Moorman, dat door een kinderlijke oprechtheid, vrede en een altijd durende blijdschap wordt verkregen.

In Jesaja 48:18 sprak de Heer: "Och, of gij naar Mijne geboden geluisterd had.! zo zoude uwe vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee."

Het verkrijgen van vrede en blijdschap hangt dus af van het doen van de geboden Gods, want, een stroom van vrede en gerechtigheid wil de Here God geven aan hen die naar Hem luisteren en Zijn wil doen.

Een hoogmoedig mens kan niet gelukkig zijn want hij wil altijd een ander zijn dan hij is. De deugden die hij in een ander ziet, die wil hij tot de zijne maken zónder zich te bekeren.

Een hoogmoedig mens is alleen met zichzelf bezig en daarom is hij niet gelukkig; hij heeft geen vrienden, soms nog wel vleiers die denken dat zij voordeel kunnen behalen door zo'n eigengerechtigde naar de mond te praten.

De getrouwe dienstknecht ging in, in de vreugde zijns Heren. Mattheus 25:35.

Trouw in het kleine, dát is de keur op iemands karakter; al is het betrachten van plicht soms zeer moeilijk, de uitvoering daarvan geeft een heerlijke voldoening.

Wij weten, dat wij de Here God alleen kunnen behagen door Zijn geboden te volbrengen, en, wanneer wij daarnaar streven, dan zullen wij reeds in dít leven een heerlijke vreugde smaken en een eeuwige blijdschap zal ons deel worden bij de wederkomst des Heren.

Reizen wij zo dan onze weg met blijdschap.

Maran-atha,

de Heer komt.!