UW KONINKRIJK KOME

Een ieder, die hongert en dorst naar de gerechtigheid, ziet uit naar de komst van het koninkrijk Gods.

De Here Jezus heeft ons in het "Onze Vader", leren bidden "Uw koninkrijk kome".
Is dan, met het optreden van de, in het vlees verschenen Christus, dit koninkrijk Gods dan niet reeds gekomen.? In zekeren zin wel.

Johannes de Doper, die in de woestijn van Judea predikte, zei tegen de toegestroomde menigte: "Bekeert U, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen."
Deze Johannes was de voorloper van de Koning van dat Koninkrijk.

De Godmens genas zieken van, bij mensen, ongeneeslijke kwalen; Hij wekte de doden op; en wierp de duivelse geesten uit de bezetenen, en dit alles wees er op dat het Koninkrijk Gods tot de mensen was gekomen.

Kort voordat Christus ten Hemel zou varen, kregen Zijn Apostelen van Hem de opdracht: "Gaat henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb."

Nadat zij het aan hen gegeven onderwijs als de leer van Christus aanvaard zouden hebben, hun Zaligmaker, moesten zij gedoopt worden in Gods Driemaal Heiligen Naam zodat zij burgers zouden worden van het Koninkrijk Gods.

Bij dit onderwijs en de doop moest het echter niet blijven want aan de bekeerden moest bekend gemaakt worden dat Christus nóg méér genademiddelen heeft gegeven.
De bekeerden moesten hun kennis aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods vermeerderen en leren omGods geboden te onderhouden.

De prediking van de eerste Apostelen van de Heer is dan ook niet zonder vrucht gebleven, want, het Koninkrijk Gods breidde zich, gezegend door de Here God, steeds verder uit.

Tot hen, die zich bekeerden, was het Koninkrijk Gods gekomen, zij mochten echter niet nalaten om te bidden:

"Uw Koninkrijk kome."

Zij, die het koninkrijk Gods binnengetreden zijn, moeten steeds uit zien naar, en bidden om de komst van Gods Koninkrijk in Heerlijkheid.

Nu, op deze wereld, is het Koninkrijk Gods nog in nederigheid.

Eénmaal vroegen de Farizeeërs aan de Zone Gods, Lukas 17:20, wanneer dit Koninkrijk komen zou, en, Zijn antwoord aan hen was: "Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat, en men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar.! Want ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden."

Geen enkele aardse glans of luister omgeeft het rijk Gods, want, het bestaat uit mensen die de Zone Gods willen volgen van Gabbatha naar Golgotha.Langs de weg van lijden en smart zullen zij evenwel éénmaal tot heerlijkheid komen, regerende met Christus, als koningen en priesters.

"Uw koninkrijk kome."

Deze, door de eeuwen heen, door talloze kinderen Gods ten Hemel opgezonden bede, zal éénmaal door de Hemelse Vader verhoord worden. Hij zal alle anti-goddelijke machten vernietigen en de troon van satan, de wederstrever, omver werpen.

De profeet Daniel mocht een Goddelijke droom ontvangen over de vier wereldrijken die elkander zouden opvolgen, en, na de ondergang van het laatste rijk zou het Rijk van het heilige volk een aanvang nemen.

Op majestueuze wijze vervolgt Daniel in hoofdstuk 7:27: "Maar het Rijk, en de heerschappij en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel, zal gegeven worden den volke der heilige hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen."

Zó gaan dus de aardse koninkrijken een zekere ondergang tegemoet, maar, het Koninkrijk Gods is onverderfelijk en het zal eenmaal in grootheid en heerlijkheid alle koninkrijken vér overtreffen.

Vóór dien tijd zal, zoals blijkt uit Daniel 7:21 er echter nog een bittere en harde strijd gestreden worden: "Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht."

Deze hoorn die Daniel hier ziet, is het beeld van een anti-christelijke macht die zich dus geheel en al in dienst zal stellen van de duivel, de verleider der mensen.

Toen de Here Jezus op de aarde was, toen heeft Hij der waarheid getuigenis gegeven, hetgeen de vijandschap van degenen wier werken boos waren en die zich niet wilden bekeren, deed toenemen. Toen de Heer gevangengenomen werd heeft Hij, in Wiens mond geen bedrog gevonden werd, de kruisdood ondergaan, en, daardoor zegevierden schijnbaar Zijn vijanden.

De Heiland overwon hen echter door óp te staan waarna Hij inging in de heerlijkheid van Zijn Vader.

De, door Daniel in de droom geziene hoorn, die ogen had en een mond die grote dingen sprak, en wiens aangezicht groter was dan van zijn medgezellen, deze hoorn zal krijg voeren tegen diegenen die de waarheid prediken en de nederlaag zullen lijden.

Op deze nederlaag zal echter hun eeuwige overwinning volgen, terwijl de boze macht onschadelijk gemaakt zal worden zoals het voorzegd is in Daniel 7:26:

"Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende tot het einde toe."

In de loop der eeuwen hebben de bozen samengespannen om het werk Gods te verhinderen. Dat dit laatste niet is gebeurd is te danken aan de trouw en de almacht van de Here God, Die aan de macht van de boze perk en paal heeft gesteld.De vijanden van God zijn in vele gevallen weliswaar zeer machtig maar zij zijn niet almachtig.

Het geloof van de kinderen Gods moet gedragen worden door de overtuiging dat de Almachtig op een juiste tijd zal ingrijpen om Zijn werk op aarde te behouden. Dit Godsrijk op aarde wordt gevormd door mensen die nog moeten strijden om éénmaal in te gaan in het koninkrijk Gods in heerlijkheid.

Om dat toekomstige, komende Goddelijke Rijk te mogen beërven, hebben ook een Abraham, een Izaäk en een Jacob gestreden, want, zij verwachtten de stad die fundamenten heeft en welker Kunstenaar en Bouwmeester de Here god is. "Zij zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren."

Naar het getuigenis van de Zone Gods, zullen genoemde aartsvaders éénmaal aanzitten in het Koninkrijk der Hemelen, mét de velen die komen zullen van het Oosten en het Westen en die door hun geloof en werken behoren tot het geestelijke zaad van Abraham.

"Uw Koninkrijk kome".

De komst van dat Rijk zal op aarde een einde maken aan de vele verdrukkingen die de kinderen Gods moeten ondergaan. Dit Rijk van God is niet van deze wereld en, evenmin mogen burgers van deze wereld zijn; daarom zal dit Rijk niet met de wereld vergaan en zullen zijn wáre en getrouwe burgers aan het eeuwig verderf ontkomen.

De Koning van het Koninkrijk der Hemelen heeft éénmaal in dienstknechtsgestalte op de aarde verkeerd. "Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er gene gestalte, dat wij van Hem begeerd zouden hebben."

Oók voor hen, die vervuld zijn met wereldzin, heeft het, in de staat der vernedering verkerend Godsrijk, niet begeerlijks. Hoevelen zijn er niet die strijden om verbetering van het tijdelijke bestaan, maar die zich in het geheel niet bekommeren om de eeuwigheid.
Verre van het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid te zoeken, jagen zij de dingen van deze wereld na; zij behoren niet tot de kudde die geleid en geweid wordt door de Grote Herder der schapen, Jezus Christus, Die gesproken heeft:
"Vreest niet, gij klein kuddeke, want het is uws Vaders welbehagen ulieden het koninkrijk te geven." Lukas 12:32.

Maar weinigen zijn er die de smalle weg bewandelen, ten opzichte van diegenen die zich op de brede weg bevinden; dáárom spreekt de Heer over een klein kuddeke. Wij moeten proberen om deel uit te maken van dit kleine kuddeke aan hetwelk eenmaal het verheerlijkte Koninkrijk gegeven zal worden.

De laatste zin van het Onze Vader luidt: "Want Uwer is het Koninkrijk en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen"

Zij, die vervuld zijn met de Geest die uit God is, zullen in het toekomstige Koninkrijk Gods een zetel krijgen, en, omdat zij uit God zijn, daarom horen zij dáár ook thuis.

De rechtvaardige zal uit zijn geloof leven; ja, geloven moet hij dat het licht de duisternis zal overwinnen; geloven moet hij dat, hóe zwaar en moeilijk de geloofsweg ook kan zijn, het einde zeer zeker zalig zal zijn.Indien wij verdragen, dan zullen wij ook met Hem heersen en geen macht van ziekte en dood, van duisternis zal ons ooit meer kunnen deren.
Indien wij Hem daarentegen verloochenen, dan zal Hij ons eveneens verloochenen zodat wij buiten het toekomstige Koninkrijk zullen blijven staan.

"Uw Koninkrijk kome"

Met de komst van dit Koninkrijk zullen de eindbeloften Gods vervuld worden; niet op een aards en dus een vergankelijk Koninkrijk moeten wij onze hoop stellen, maar op het toekomstige Rijk Gods dat een Rijk van vrede zal zijn.
Apostel Paulus schrijft in
2 Timotheus 2:8,9: "Houdt in gedachtenis dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit de zade Davids, naar mijn Evangelie, om hetwelk ik verdrukkingen lijdt tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord Gods is niet gebonden".

Wanneer wij ons al het lijden voor ogen stellen dat apostel Paulus voor het Koninkrijk Gods heeft moeten ondergaan, dan verstaan en begrijpen wij dat hij heeft kunnen schrijven: "Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen." 1 Korinthe 15:19.

Evenwel, Christus, Die na veel lijden, smaad en hoon, de wreedste dood heeft ondergaan, onze zonden dragende, is uit de doden opgewekt en daardoor de Eersteling geworden zijnde dergenen die in Hem geloven en ontslapen zijn.

Deze wetenschap gaf aan Paulus de moed om het lijden en het strijden vol te houden; want, aan het einde van de geloofsweg zag hij de overwinning van Christus, Die, na het zwaarste lijden, óók het grootste loon heeft ontvangen.

Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo zullen wij óók mét Hem leven opdat wij de rijke vrucht van Zijn verlossing in eeuwigheid zullen smaken.

Als wij dan weten, dat de toekomst des Heren steeds naderbij komt, dan zullen wij lankmoedigheid moeten betrachten en onze harten, de zetel van het geloof, steeds moeten versterken.

"Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijne ziel heeft in hem geen behagen." Hebreeen 10:38.

Door het geloof kunnen wij, óver de grens van ons aardse leven, inzien in ons eeuwig Vaderland. Op hen, die geloven in het toekomstige Rijk Gods, rust Gods welgevallen; en, hoe zwaarder de geloofsstrijd wordt, des te vuriger zullen zij bidden: "Uw Koninkrijk kome."

Zij, die zich onttrekken, komen onder de heerschappij van de boze, de boze, die uitnemend de kunst verstaat om de mensen maar wat voor te spiegelen. Wanneer men zich aan het Koninkrijk Gods onttrekt, dan onttrekt men zich aan de weldadige invloed van de Heiligen Geest en loopt men het gevaar om een speelbal van de boze te worden.

Met en in de Geest begonnen zijnde, moet men óók met de Geest eindigen om het Koninkrijk Gods te beërven.

Volgens Lukas 19:11, dachten de discipelen dat het Koninkrijk Gods meteen openbaar zou worden omdat hun Meester nabij Jeruzalem was. De Meester bestreed hun mening echter door hun te zeggen: "Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelve een koninkrijk te ontvangen en dán weder te keren. En, geroepen hebben zijn tien dienstknechten, gaf hij aan hun 10 ponden en zeide tot hen: Doet handeling totdat ik kome".

Christus, Die éénmaal uit de Hemel is nedergedaald en uit de Geest is geboren, is die welgeboren Man, Die naar een ver gelegen land, dat wil zeggen, naar het Hemelse Vaderland, is afgereisd alwaar Hij het bestuur over Zijn Koninkrijk, Zijn in strijd verkerende Kerk, aanvaard heeft.

Toen de Godsmens op aarde wandelde, was de tijd er nog niet rijp voor om Zich als Koning aan vrienden en vijanden, de laatsten tot onderwerping of vernietiging, te openbaren, want vóórdat zulks zou geschieden, moest er nog veel gearbeid worden.

Van hun getrouwheid en ijver zou het afhangen of Zijn dienstknechten in het toekomstige koninkrijk, over tien, dan wel over vijf steden de macht zouden verkrijgen.

De profeet Zacharia profeteerde van de heerlijkheid des Heren aan het einde der tijden.

Zacharia 14:9 luid bv.: "En de Here zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de Heren één zijn en Zijn Naam één."

Onder de Christenen heerst zeer veel verdeeldheid; de één meent op déze, en weer een ánder meent op díe wijze God te moeten dienen.

Ook zijn er nog zoveel heidenen die verschillende begrippen hebben omtrent de Godheid en die hun verschillende goden hebben die allen hun eigen naam hebben.
Aan het einde der tijden zal hier verandering in gebracht worden doordat Christus Zich als Koning in majesteit aan de volkeren der aarde zal openbaren.

Heidenen, Christenen en Joden, zullen één Vadernaam aanbidden en zij zullen gezamenlijk belijden dat er geen ándere naam gegeven is dan de Naam van Jezus Christus, door Wien zij zalig kunnen worden.

MARAN-ATHA,

Het Koninkrijk Gods komt gewis.!