KOMEN en 0NTVANGEN

Onze Heer en Heiland sprak bij Zijn omwandeling op aarde: "Komt herwaarts tot Mij,allen,die vermoeid en belast zijt,en Ik zal u rust geven" Matth.11:28).

Een uitnodiging, niet gericht tot enkelen,maar tot allen, omvattende het gehele schepsel, tot de vermoeiden en to hen die beladen zijn,tot die allen klinkt die roepstem,om tot de Christus te komen, en de rust te ontvangen.

Welk een tegenstelling klinkt ons hier in de oren vergeleken bij de voorgaande verzen van het Evangelie (Matth. 1O:20-24).

Daar wordt het 'wee' uitgesproken over de drie steden, waarin de Heer zoveel tekenen en wonderen had verricht. Het was zelfs doorgedrongen tot in de gevangenis, waarin Johannes de Doper opgesloten was. Deze Johannes zond twee van zijn discipelen naar de Heer om aan Hem te vragen, of Hij de Messias was, of dat er een andere moest komen.

Tijdens hun aanwezigheid deed de Heer vele tekenen,door zieken te genezen,de blinden de ogen te openen,de kreupelen te doen wandelen en aan de armen het Evangelie te verkondigen en Hij besluit dit alles met te zeggen: “En zalig is hij,die aan Mij niet zal geërgerd worden".(Matth.ll:6).

En, met dit antwoord konden de discipelen van Johannes de Doper terugkeren en aan hem alles vertellen wat zij gezien en gehoord hadden.

Ook Johannes moest, in zijn gevangenschap,er voor waken om niet aan de Messias geërgerd te worden.

Dit woord geldt ook nog voor onze tijd.Geen ergernis hebben aan de werken van de Heer, aan hetgeen Hij doet en ten uitvoer brengt, al is het ook tegen onze verwachtingen en onze inzichten in, ja tegen alles in , zoals wij het hadden gedacht en gedaan zouden hebben met ons menselijk verstand dat dikwijls beïnvloed wordt door de omstandigheden waarin wij verkeren.

Toch sprak de Heer Jezus veel schoons van Johannes.Hij was geen riet dat heen en weder bewogen werd door de wind, maar één die vast stond in de prediking om van Hem te getuigen.

Hij was geen mens, die zich in zachte klederen had gehuld,maar in eenvoudigheid het boetekleed droeg.

De mensen zeiden van hem,dat hij de duivel had,omdat hij zo sober leefde en kleedde. De Heer zegt van hem, dat hij de grootste was onder al degenen die van vrouwen geboren waren,maar, de minste in het Koninkrijk der Hemelen is meerder dan hij.

Zij hadden in Johannes geen voornaam persoon aanschouwd, misschien hebben velen hun schouders opgetrokken en hun mond bewogen door te murmelen van een zonderling.Niet hij, die voornaam is in het oog der mensen, niet hij, die zich zelf prijst, maar hij, die de Heer prijst, die is beproefd. (2Cor.l0:18).

Dezelfde mensen vertelden van de Heer dat Hij een vraat -en een wijnzuiper was, een vriend van tollenaren en zondaren, in tegenstelling met Johannes de Doper, die zeer sober leefde en toch ook, volgens hen, de duivel had.

En, tot deze mensen heeft de Heer gesproken over het Koninkrijk der Hemelen dat, door Zijn komst, naderbij gekomen.

Onder hen heeft Hij tekenen en wonderen verricht, die zij nog nooit gezien hadden en waardoor Hij bewees de Gezondene van de Vader te zijn.

Goed doende, werd Hij toch verworpen.Wel wilden zij genezen worden van hun lichamelijke ziekten en gebreken, maar zich niet bekeren en tot Hem komen om de rust te ontvangen en te luisteren en te doen wat Hij gebood, daar moesten zij niets van hebben.

Zij willen die rust niet. O, wat zal er omgegaan zijn bij de Heiland, die Weldoener, over zoveel ongeloof, ondankbaarheid, over zoveel tegenwerking van Zijn Goddelijke zending om vrede en rust te brengen in de harten van dit volk, waaronder Hij zo dikwijls verkeerde en Zijn majesteit had geopenbaard.

Hij was de Vredevorst die sprak: "Neemt Mijn juk op u en leert van Mij,dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht," en die sprak: “Wee u Chorazim, wee u Bethsaida, wee u Kapernaüm”.

De zachtmoedige Heiland toornde over deze steden,die niet tot Hem wilden komen om die rust voor hun zielen te vinden en te ontvangen.

De heidense steden Tyrus en Sidon stelde de Heer tegenover Chorazin en Bethsaida,in wier midden Hij zooveel goeds gedaan had, want de eersten zouden zich bekeerd hebben,als zij dit alles aanschouwd hadden.

De heidenen zouden tot Hem gekomen zijn, en zouden geluisterd hebben naar Zijn Woord, zij zouden Zijn geboden hebben opgevolgd om het juk op zich te nemen en de last te dragen,om rust te vinden en te ontvangon.

En dan de stad Kapernaum, waar de Heer woonde, (Matth.4:13; 9:l), die dat grote voorrecht mocht smaken om Hem het meeste in het midden te hebben,waar Hij de meeste tekenen en wonderen had doen geschieden, waar Hij de aard van het Koninkrijk der hemelen in een keur van gelijkenissen uitbeeldde, (Matth.13),deze stad was ten hemel toe verhoogd, maar zou om haar vijandschap en ongeloof (Matth.l2:.l4) tot de hel toe neergestoten worden.

Hoe ontzettend was hier het oordeel over deze stad, want de Heer sprak: "Zo in Sodom deze krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden tot de huidige dag gebleven zijn.”

Sodom,de stad met haar gruwelijke zonden, die door God was omgekeerd door vuur en zwavel, zou door de tekenen en wonderen van Hem en in Zijn tegenwoordigheid, aan het oordeel en deze straffen ontkomen zijn, door de bekering van haar zonden en de wil te doen van de Zoon des Vader,die gekomen was om te behouden dat verloren was.

Vreselijk wordt hier de toorn des Heren afgeschilderd over Kapernaüm (haar naam betekent: schone en aangename stad), dat niet wilde komen en ontvangen.

Haar inwoners gaven geen gehoor aan de uitnodiging van de Heer.Zij waren niet vermoeid en belast, zij hadden rust in de wet van Mozes en waren beladen met hun eigengerechtigheid.

Tot de hel toe nedergestoten, zo was het oordeel van Hem,die tot een oordeel in de wereld was gekomen (Joh.9:39-4l).

Zij wilden het grote verzoeningswerk van de Verlosser en Zaligmaker der wereld niet zien

Zij hadden de Heer in hun midden gehad en Zijn daden mogen aanschouwen, Zijn woorden mogen horen en toch, Zijn uitnodiging om tot Hem te komen, niet aangenomen.

Ziende zouden zij met blindheid geslagen worden en in hun zonden blijven, ja daarin omkomen en geen rust vinden voor hun zielen.

Kapernaüm wordt niet meer gevonden, haar bestaan is weggevaagd en de plaats van deze schone en aangename stad is woest.

"Komt herwaarts tot Mij, allen,die vermoeid en belast zijt", is de uitnodiging van de Koning der Koningen aan ons, arme mensenkinderen.

Hoevelen zijn er niet die de moeiten en de lasten van het leven hebben te dragen.

Ouders, die zich beijveren om hun kinderen op het goede pad te houden, het smalle pad dat ten leven leidt en die moeten zien dat zij hun eigen weg, de brede weg met al zijn verleidingen en verlokkingen zijn opgegaan,die hen naar het verderf voeren zal.

Ook met ziektetoestanden kunnen we het zo moeilijk hebben, als daar geen genezing intreedt ondanks vele gebeden, en, die onze geest zo terneer kunnen drukken. Anderen hebben te kampen met werkloosheid,de gesel,die de gehele wereld teistert en waaronder zeer velen gebukt gaan, niet wetende waarheen te gaan om in hun dagelijkse onderhoud te kunnen voorzien.

Wel willen werken, maar geen werk kunnende vinden, worden velen in de verleiding gebracht om weg te nemen wat hun niet toekomt.

En, dan nog de twijfel, die ontstaat in ons geloofsleven,wanneer er dingen geschieden, die wij niet verwacht hadden en er zich toestanden kunnen openbaren die ons doen twijfelen of ons werk wel uit God is.

En tot ons allen is de roepstem, om te komen tot Hem,die al ons zuchten en roepen hoort, die onze roodgeschreide ogen aanschouwt,door de tranen die wij hebben doen vloeien om de moeilijkheden en lasten die we te dragen hebben.

Als dan de vraag in ons binnenste opkomt en de ziel het uitschreeuwt en het woord over onze lippen komt, “waarheen?”, hoort dan, want klinkt daar van des Heilands lippen:"Komt herwaarts tot Mij,allen,die vermoeid en belast zijt,Ik zal u rust geven".

Hoe zullen wij die rust ontvangen? Door het geloof in Hem,dat Hij is de Vredevorst,die rust en vrede schenken kan onder al deze toestanden, wanneer wij het alles in Zijn hand leggen, die de macht heeft ons daaruit te verlossen, maar ons ook wil beproeven,hoe groot onze liefde en vertrouwen tot Hem wel is.

In die liefde bepaalt Hij ons bij Zijn woord,de heilige Schrift en bij dat Licht tot zelf onderzoek of bij ons de oorzaak aanwezig is, waarom al deze dingen geschieden.

Kunnen er bij ons ook toestanden zijn, waardoor wij zelf de gevolgen over ons hebben doen komen?

Houden wij het Getuigenis wel hoog?

Leeft er in ons werkelijk het geloof, de hoop en de liefde die wij met woorden zeggen te bezitten?

Behandelen wij de heilige dingen wel met die eerbied en die heiligheid, welke wij verplicht zijn te tonen?

Ziehier, enkele vragen, die wij aan onszelf moeten voorleggen tot zelf onderzoek. Apostel Paulus schreef aan de gemeente te Corinthe, om het sacrament van het Heilig Avondmaal met eerbied en heilige ernst te gebruiken, en zichzelf niet tot een oordeel te eten en te drinken. “Daarom”, zo schrijft hij in 1 Cor.11:30: “zijn onder u vele zwakken en kranken en velen slapen.”

De Heer Jezus zegt in Matth.6:33: “Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid”, dat wil zeggen: aan Gods eis voldoen, Hem liefhebben en de naaste als u zelf; Hem dienen in geloof, hoop en 'liefde, wat zo vaak over het hoofd wordt gezien.

De gerechtigheid Gods, wordt geopenbaard door de H. Geest,die Hij uitgestort heeft (Joh.16 :7-15) en Die ons wijst op onze tekortkomingen en nalatigheden.

Zo zullen wij, als volgelingen van de Heer, als Zijn Bruid, doen wat Hij zegt in Luk.9:23-27 ons kruis, de oude mens opnemen en de Heer nadragen, ons zelve verloochenen en des Heren werken verrichten.

Dat is niet gemakkelijk, maar de Heer eist het van ons om het leven te behouden.

Wij moeten geloven aan des Heren woord.

Als ons geloof groot en vast is en wij niet twijfelen, zullen we naar dat geloof ontvangen wat ons ontbreekt op de geloofsweg en zo het naar de wil van de Heer is, verlossing uit onze beproevingen. (Matth.21:2l,22).

Lees hierbij aandachtig wat Apostel Jacobus geschreven heeft in Jac. 1.

Hoevelen zijn er niet die des Heren woord, Zijn uitnodiging hebben gelezen als een klank uit de verte, als een echo uit het verleden om rust te ontvangen op hun geloofsweg en die de weg niet kunnen vinden van het nog altijd van kracht blijvende woord; die tot de ontdekking zijn gekomen dat zij nog zoveel missen, wat naar de H.Schrift wordt aangeboden:"Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt.Ik zal u rust geven".

Om die rust te ontvangen moet men tot Hem komen en doen wat Hij ons opdraagt.

En dan hoort men uit Zijn mond, zo lieflijk en onderwijzend: “Neemt Mijn juk op u en leert van Mij,dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart,en gij zult rust vinden voor Uwe zielen.Want Mijn juk is zacht en Mijn last is 1icht.”

Een juk is er om een last te dragen. Het; juk van de Heer is zacht, het wordt haast niet gevoeld op onze schouders ,want de last is ook zo licht. Maar, niet allen kunnen en willen deze woorden van de Heer onderstrepen.

Als wij de Heer liefhebben, is Zijn juk zacht en Zijn last licht in Zijn ordeningen en inzettingen.

Hoe minder de liefde is, des te harder is het juk en wordt de last niet licht maar zwaar gevonden. Het juk opnemen is voldoen aan de geboden van de Heer. De Heer heeft Zijn Apostelen geroepen en ze uitgezonden met Zijn geboden (Matth.l0).

Het aannemen van de gezonden Apostelen,was het aannemen van Hem,die ze gezonden had. (Matth.l0:40).

Het verwerpen van deze gezondenen en hun woord, zou een verwerpen van de Heer zijn. (Luk.lO:12-l6).

Willen wij het juk opnemen, dan moeten wij leren van de Heer, om nederig en zachtmoedig te zijn, om de beloofde rust te ontvangen.

Niet in hoogmoed en eigengerechtigheid zal deze verkregen worden.

Rusten kunnen we op een bed (de leer), waarop we ons lichaam,onze ledematen kunnen uitstrekken.

Wanneer dan dat bed door ons zelf wordt samengesteld, naar onze inzichten en menselijke instellingen dan zal dat een valse rust, ons zelf opgedrongen, te smaken geven, een bed, dat niet voldoet aan de eisen van het lichaam,doordat de beloften des Heren niet ontvangen worden(Jes.28:ll-29). Het aanvaarden van de uitnodiging om tot Hem te komen, om Zijn rust te ontvangen, doet ons het juk opnemen,doet ons geloven in de leer der Apostelen en de last daaraan verbonden is het onderhouden van Zijn geboden.

Zeer velen zeggen te geloven in de Heer Jezus, maar leggen Zijn juk ter zijde.

Hoogmoed en eigengerechtigheid, ook wel hun eigen belangen, brengen mede, dat zij zich verlustigen in hetgeen er is samengesteld.

Als wij, in onze dagen getuigen tegen deze menselijke inzettingen en verwijzen naar de leer der Schriften, hoe de Kerk moet zijn samengesteld om als bed de rust te geven, dan worden de schouders opgehaald en met minachting ziet men neer op dat kleine aantal dat zich vasthoudt aan de volle openbaring Gods.

Daarom zegt de Heer: "Het is voor de wijzen en verstandigen verborgen,maar aan de kinderkens wordt het geopenbaard”

Wie geen kind wil zijn, zal het niet verstaan. Een kind gelooft hetgeen gezegd en beloofd wordt.

Als men zich groot voelt en geen kind wil zijn,dan gaat het verstand een woordje meespreken.

Men gaat overwegen en gaat uitvluchten zoeken om aan de greep van de waarheid te ontkomen.

Gelukkig dat in onze tijd nog de Kerk aanwezig is, en met een opdracht is vervuld, om de zielen toe te roepen om tot de Heiland te komen en daar rust te ontvangen in des Heren ordeningen en inzettingen.

“Wie u hoort, hoort Mij, die u verwerpt, verwerpt Mij", was het woord des Heren.

Nog is dit woord van kracht en houdt in de zegen en de vloek.

Kapernaüm was de woonplaats van de Heer. Hij vertoefde in hun midden en deed er grote krachten en deze stad was daardoor tot de hemel toe verhoogd geworden. Haar ongeloof, haar hoogmoed en eigengerechtigheid waren de oorzaken, dat het oordeel over hen kwam om tot de hel toe neder gestoten te worden.

Het getuigenis van de de Apostolische Kerk wordt nog gehoord in elke plaats in wier midden zij vertoeft. Ze heeft de taak om de volkeren aan te zeggen, wat daar geschieden zal, dat er een grote verdrukking zal komen zoals er nog nooit geweest is en nooit meer zijn zal (Matth.24:2l).

Ze mag spreken van haar hoop en verwachting,de wederkomst van de Heer, ,van de opstanding der ontslapenen uit de doden en de levende verandering in een punt des tijds om de Heer tegemoet te mogen gaan. (1 Corinthe 15:51,52),

Kapernaüm, (het geestelijk Babylon), is tot de hemel verhoogd door het getuigenis van de Apostolische Kerk, maar zal tot de hel worden nedergestoten. ©.sdj.