DE HEMELVAART.

Mattheüs 28:16-20; Lucas 24:50-53; Handelingen 1:4-12.

Ditmaal willen wij schrijven over een verschijning van de Heer Jezus, om daarna te luisteren naar wat ons verhaald wordt van de wijze waarop Hij de aarde verlaten heeft, van Zijn Hemelvaart.

Over nóg een verschijning van de opgestane Heiland, daarover dan eerst. Deze verschijning had waarschijnlijk plaats, kort vóór Zijn hemelvaart en verplaatst ons in gedachten naar Galilea, maar nu niet aan den oever van de zee van Tiberias, maar op één van de bergen in Galilea..

Was het de Thabor, of de Hermon.?

Wij weten het niet. Best mogelijk, dat het noch de één, noch de ánder was, want Galilea had vele bergen, en iedere verdere plaats aanduiding ontbreekt.

Wat doet het er trouwens toe, welke berg het precies was. Wie er op die berg samen waren, en wat de Heer bij gelegenheid van deze Zijn verschijning gezegd heeft, dat is van meer gewicht.

Wat het eerste betreft, er waren nu eens niet, zoals bij de vorige verschijningen, slechts enkele vrienden of vriendinnen van de Heer bijeen.

Neen, het waren er ditmaal méér dan vijfhonderd.

Of de Heer dan zóveel vrienden en vriendinnen had.? Ja, en och, eigenlijk was het nog maar een klein getal, in aanmerking genomen de vele wonderen van barmhartigheid, die Hij gedurende de tijd van Zijn openlijke werkzaamheid onder zijn volk had verricht.

Maar, wij weten wel hoevelen Hem ontrouw waren geworden en, zo ondankbaar, Zijn weldaden vergeten hadden.

0ndank is 's werelds loon.! zegt een bekend spreekwoord, en hoe waar dat is, wie heeft het méér ondervonden dan de Heer.?

Er waren er echter gelukkig ook, die in dit opzicht een gunstige uitzondering vormden en die in dankbare liefde zich ten nauwste aan Hem verbonden gevoelden.

En, zúlke vrienden waren die vijfhonderd, die zeker wel voor een groot deel bestonden uit kranken, die Hij had genezen, of uit zondaren en tollenaren, die Hij had hen verlost van de vloek en de macht der zonde.

Hoe zij hier nu zo op één en dezelfde dag samen waren.? Ook dát wordt ons niet verhaald, maar ik denk, dat de Heer bij een van de vorige verschijningen, b.v. bij die aan de zee van Tiberias, aan Zijn discipelen de opdracht gegeven had, dat zij bij de verschillende vrienden moesten rondgaan om ze tot deze samenkomst uit te nodigen. En, dat die discipelen, indien die veronderstelling juist is, die opdracht met blijdschap vervuld hadden, daaraan behoeven wij niet te twijfelen.

En, zo waren deze allen dan nu bijeen, vol verwachting van de dingen, die komen zouden. De meesten van hen hadden de Heer nog niet gezien, nadat Hij gekruisigd was. Dat Hij niet meer dood was, maar was opgestaan, natuurlijk, dát wisten zij wel, en daar twijfelden zij ook niet aan, want het getuigenis van de elven dienaangaande, was zó beslist, dat zij er onmogelijk aan twijfelen konden.

Maar dat zij, met dat al o zo verlangend waren naar het ogenblik; dat zij Hem zien zouden, dat kunnen wij ons goed voorstellen. En, dat ogenblik liet niet lang op zich wachten.

Dáár stond Hij reeds in hun midden, Dezelfde van vroeger, en, tóch ook weer zoo geheel anders dan vroeger; heerlijker, hemelser, met iets van bovenaardse gloed, die van Hem afstraalde.

Is het een wonder, dat velen vol eerbied en ontzag voor Hem neerknielden.?

Máár, tóch waren er, die dat niet durfden.

Waarom zij dat niet durfden lezen wij in Mattheüs 28:16-20: "Doch sommigen twijfelden"

Dit kan maar moeilijk van toepassing zijn op sommigen van de elven, zodat juist deze opmerking het vermoeden wettigt, dat wij hier te doen hebben met de verschijning van 1 Corinthe 15:6.

Intussen, ook als wij dit aannemen, is deze twijfel, nog bevreemdend genoeg. Ten minste wanneer wij zouden moeten denken aan twijfel aangaande het feit, dat Hij, die daar in hun midden verscheen, wel waarlijk de Opgestane was.

Zulk een twijfel laat zich na al wat reeds was voorafgegaan, nauwelijks meer denken. Maar zulk een twijfel zal dan ook wel niet bedoeld zijn.

Neen, wij hebben de laatste helft van dat vers in verband te brengen met de eerste helft er van, als zij Hem zagen, baden Zij Hem aan, of zij Hem aanbidden mochten, daaraan twijfelden die sommigen.

Zij aarzelden om aan Hem de eer te geven, die Gode alléén toekomt. En zulke aarzeling kan ons niet verwonderen.

Zij waren allen gelovigen, d. i. zij hadden allen in Jezus de grote gave Gods begroet, en met de liefde hunner ziel zich bij Hem aangesloten. Maar daarom hadden zij nog geen heldere leerstellige begrippen aangaande Zijn persoon, aangaande Zijn Zoonschap Gods.

Hem aanbidden konden vrome Israëlieten, die van alle mensenvergoding gruwden-- (((Niets werd bij de Israëlieten van hun vroegste jeugd af aan, zó ingeprent, als de waarheid, dat er maar één God is, en het morgen- en het avondgebed dat elke dag door iedere meerderjarige moest worden opgezegd, begon met het zogenaamde "Schma", dat die naam droeg-schma=hoor--, omdat het aanvangt met de bekende woorden uit "Hoor, Israël, hoor.! De Heer onze God is een enig Heer.!)))-- niet eerder, dan wanneer zij Hem hadden erkend als God geopenbaard in het vlees.

Om hen tot die erkenning te brengen is het doel van het woord, dat Jezus nu, nader komende, tot hen spreekt. Zij hadden het anders gerust kunnen doen, want de Heer is immers de Zone Gods, dien wij als zodanig mogen en moeten eren als de Vader zelf ?.

Trouwens, dat dát zó is, dat blijkt wel uit de woorden, die Hij bij deze zelfde gelegenheid sprak. Zijn verklaring, vol majesteit in Mattheüs 28:18: "Mij is gegeven alle macht," enz.

Inderdaad, een verklaring vol majesteit !

In de Kerstgeschiedenis lezen wij van keizer Augustus, van wien een gebod kon uitgaan, dat de gehele wereld beschreven zou worden. Die Augustus had inderdaad veel macht, maar dan toch uitsluitend op aarde, en slechts voor een korten tijd.

Maar de Heiland zegt hier, dat Hem alle macht gegeven is, niet slechts over een groter of kleiner deel van de aarde, maar in hemel en op aarde; en ook niet maar voor een korten tijd, maar "in eeuwigheid".

De geschiedenis heeft het zegel der waarheid gezet op dit woord: Hij heeft de eeuwen door zijn gemeente verzameld en bewaard en beschermd tot op dezen dag.

Dat Hem alle macht in hemel en op aarde gegeven is, moet dus zo worden verstaan, dat Hij, die als Zone Gods heerlijkheid had bij de Vader eer de wereld was, door zijn gehoorzaamheid tot in de dood, een nieuw recht als het ware op deze macht zich verworven had. Vergelijk Filipp. 2:5-11.

Zijn koninklijk bevel, dat aanleiding geeft om iets te zeggen van de arbeid van de discipelen, en, op te wekken tot steun van en gebed voor dien arbeid: Mattheüs 28:19. "Gaat dan henen," enz.

Het koninklijk gebod, dat met de verklaring vol majesteit van het vorige vers ten nauwste samenhangt, en waarmede de Heer op alle volken en naties en tongen, als op Zijn rijksgebied, beslag legt.

Het is het zendingsbevel, dat de grond is van alle zendingsarbeid. "0nderwijst alle volken," letterlijk: maakt alle volken tot Mijn discipelen, tot Mijn leerlingen.

Het kenmerk van 's Heren discipelen is allereerst de doop, en, in de tweede plaats gehoorzaamheid aan Zijn wil: lerende hen onderhouden, enz.

Zijn troostrijke belofte, die ook voor de kinderen geldt en waarvan het troostrijke voor allerlei omstandigheden kostelijk wordt aangewezen in Deuteronomium 6:4: Mattheüs 28:20: "En ziet, Ik ben met u", enz.

Met deze verklaring vol majesteit, én het koninklijk gebod, is tenslotte nog een troostrijke gedachte verbonden die allen, die waarlijk de Zijnen zijn, zich mogen toeëigenen, want deze gedachte is vervuld door de uitstorting van de Heilige Geest.

Wat er daar op dien berg nog meer door den Heer is gezegd; het wordt ons niet meegedeeld en wij zullen ons maar niet in gissingen dienaangaande verdiepen, om dan nu liever nog te luisteren naar wat ons verhaald wordt van het allerlaatste samenzijn van de Heer met de elven en van Zijn hemelvaart.

Wij moeten daarvoor Galilea weer verlaten en naar Jeruzalem gaan, want daar had dat laatste samenzijn plaats, en wel vroeg in de morgen van de veertigste dag na de opstanding, wáár het was, dat weten wij niet.

Misschien wel in diezelfde ons zo goed bekende opperzaal, waar de Heer voor de laatste keer de Paasmaaltijd met Zijn discipelen had gebruikt. Zeker zullen die discipelen er wel van op de hoogte geweest zijn, dat het nu voor voor het allerlaatst was, dat de Meester bij hen was, en wij kunnen ons dan ook zo voorstellen, dat hun hart vol was.

Geen ogenblik hielden zij hun blik van Hem af en, zoals zij nu naar Hem luisterden, hadden zij wel nog nooit naar Hem geluisterd.

Waarover Hij met hen sprak.? Hij zeide hen, wat zij moesten doen, als Hij van hen weggegaan zou zijn.

Dan mochten zij Jeruzalem niet verlaten, zoals zij dat misschien al van plan waren; want, waren er niet vele en bittere vijanden van de Heer, en waren zijn vijanden niet ook de hunne ?

Zij konden er zich dus onmogelijk veilig gevoelen, maar moesten er nochtans blijven, want hier, in Jeruzalem, zou de heerlijke belofte in vervulling gaan, die de Heer hun vroeger ook reeds gegeven had en die Hij thans nog eens herhaalde.

Welke belofte dat was.?

Herinneren wij ons nog het optreden van Johannes de Doper.?

En, wat deze Johannes zoal van de Messias gezegd had.?

En dát nu, zo verzekerde de Heer hun, zou nú gebeuren, niet lang na deze dagen.

De vraag, die de discipelen daarop stelden in Handelingen 1:6: "Heer, zult Gij in deze tijd?"

Maar, ondanks dat de Heer hen had beloofd dat zij, niet lang na deze dagen, de Heilige Geest zouden ontvangen, kwam bij hen de gedachte naar boven of op datzelfde tijdstip ook mogelijk de heerlijke toekomst voor Israël zou aanbreken waarvan de profeten hadden gesproken, bv. in Jeremia 31:31-34 en Ezechiël 37:22-28.

Het antwoord van de Heer op die vraag vinden wij in Handelingen 1:7,8: "Het komt u niet toe te weten," enz.

Let nu eens op, de Heer bestraft hen niet vanwege die vraag, en, Hij zegt ook niet dat de idealen die zij, op grond van de profetieën, voor de toekomst van hun volk koesteren, op dwaling berusten.

Nee, die profetieën zúllen in vervulling gaan en er zál een tijd van heerlijkheid voor het volk van Israël aanbreken. Het zál nog eens aan het hoofd der volkeren staan.!

De Heer ontkent dit in het geheel niet. Op het "wanneer" daarvan geeft Hij echter geen antwoord. Wat dat betreft moeten de discipelen eenvoudig wachten, geduldig wachten, want, dat "wanneer" is Gods zaak. Zij moeten slechts die heerlijke toekomst helpen voorbereiden door de getuigen van de Heer te zijn, zodra zij daarvoor door de Heilige Geest bekwaam zijn geworden.

Wanneer het Evangelie in de gehele wereld gepredikt zal zijn, niet alleen in Jeruzalem en geheel Judea en Samaria, maar tot aan het uiterste der aarde, dán zal geheel Israël zalig worden. Romeinen 11:25,26.

Handelingen 1:4: "als Hij met hen vergaderd was"

Deze laatste samenkomst met de elven, had plaats in de vroege morgen van de 40e dag ná de opstanding. Toen de Heer aan hen Zijn laatste bevelen gegeven had, zie Handelingen 1:4: "Dat zij van Jeruzalem niet zouden scheiden" en "de belofte des Vaders", brak zo langzamerhand het ogenblik van scheiden aan en leidde de Heer hen uit Jeruzalem tot aan Bethanië. Lucas 24:50 en Handelingen 1:12.

Wij moeten echter dat "tot aan Bethanië" niet letterlijk opvatten, maar, in de zin van "op de weg naar Bethanië". Bethanië lag aan de 0ostelijke zijde van de 0lijfberg, ongeveer een half uur vanaf Jeruzalem.

Volgens Handelingen vers 12, had de hemelvaart plaats vanaf de 0lijfberg, niet verder dan een sabbatsreis vanaf Jeruzalem. Een sabbatsreize is ongeveer 2000 el, ofwel een kwartier te gaan, en was de afstand die een Jood, volgens de Rabbijnse inzettingen op een sabbat heen en terug mocht afleggen; grotere afstanden waren verboden.

De weg naar Bethanië was voor hen een zeer bekende weg, want dit was de weg naar de Olijfberg, en, dikwijls hadden zij die weg samen met Hem betreden. Hoeveel herinneringen moesten op die weg niet bij hen oprijzen.

Gethsémané lag aan den voet van de Olijfberg, en, wát was daar ook weer gebeurd.?

Hoe was alles sedertdien veranderd.! Tóen werd Hij tot het allerdiepste toe vernederd, nú was Hij op het punt om verheerlijkt te worden. Hóe dat geschiedde, toen zij op de top van de Olijfberg gekomen waren, vinden wij opgetekend in: Lucas vers 50: en Handelingen vers 9:

Deze beide tekstgedeelten vullen elkander aan. Zegenend gaat Hij, Wiens lust het was om, zolang Hij op aarde was, te zegenen, voor het oog van de Zijnen heen.

Let eens op de eenvoud en de soberheid waarmede aan ons de hemelvaart wordt medegedeeld. Die eenvoud en soberheid zijn wel speciaal het kenmerk van de waarheid, want, hoeveel gelegenheid was er hier niet om hiervan een schitterend gebeuren te maken en de Heer te laten opvaren met vurige paarden en vurige wagens, omstuwd door hemelse heerscharen.?

De verbazing van de discipelen was echter groot toen zij, vol ontroering, hun Meester nastaarden en bleven staren toen de wolk Hem reeds aan het oog had onttrokken.

Wat was dit alles wonderlijk.!

Was Hij nu wérkelijk voorgoed weg.?

Wat zal hen dit bedroefd hebben gemaakt. Maar merk dan eens op hóe zij werden vertroost, zoals Handelingen vers 10 en 11 ons zegt: "Twee mannen in witte kleding"

De verbazing van de discipelen, die natuurlijk vol ontroering hun Meester nastaarden en al maar opwaarts bleven staren, ook toen de wolk Hem reeds aan hun oog had onttrokken.

Wat was dat alles wonderlijk.!

Geen wonder, dat zij in het eind nog bemoedigd, ja, vervuld met blijdschap (Luk. vs. 52) de Olijfberg verlieten.

Ook wij moeten ons verblijden over de hemelvaart. Allereerst ter wille van de Heiland zelf. Wij gunnen Hem, die hier op aarde zoveel voor ons wilde lijden, immers zo graag de heerlijkheid des hemels ?

En hoe groot is die heerlijkheid. Wij hoorden Hem zeggen: "Mij is gegeven alle macht", enz.

Welnu, de hemelvaart was voor Hem het bekleed worden met die macht, Hij is nu gezeten aan de rechterhand Gods des Almachtigen Vaders.

Maar ook ter wille van ons zelf moeten wij ons over de hemelvaart verblijden.

Lichamelijk is Hij nu niet meer op aarde, dat is waar. En, ik kan me voorstellen, dat je dat eigenlijk erg jammer vindt. Hoevelen heeft de Heer, toen Hij op aarde was, niet geholpen en beter gemaakt, En als wij nu hulp nodig hebben of ziek zijn, of iemand, van wien wij veel houden, is ziek, dan, ja, dan kan de gedachte wel eens bij ons opkomen: "Och, was de Heer Jezus nog maar op aarde." Aanstonds vloog ik naar Hem heen! Maar dat is toch eigenlijk een heel domme gedachte.

Want, wat zou het ons baten, indien Hij al op aarde was, als Hij niet juist dicht in onze buurt woonde, als Hij Zich b,v, nog in Palestina bevond ? De reis daarheen is immers veel te ver ? En nu Hij in den hemel is ?,nú weten wij, waar wij Hem zoeken moeten en vinden kunnen.

Omdat Hij in den hemel is, is Hij ons altijd nabij. Dit hebben wij gewonnen door de hemelvaart: "een Heiland, die ons overal ziet en hoort, die met ons is; - denk nog maar eens aan dat andere woord, dat wij Hem eveneens hoorden spreken: "die met ons is, alle de dagen".

Terwijl er eindelijk nóg een reden is die ons hier blij mag maken: "Hij is naar de hemel gegaan om er ons plaats te bereiden".

Soms gebeurt het, dat een vader naar een ver land gaat, naar Amerika b.v., en dat hij vrouw en kinderen achterlaat.

Waarom?. Omdat hij hen niet liefheeft ?.

Nee, omdat hij in dat verre land eerst alles voor hen in gereedheid wil brengen, om dan, wanneer alles in gereedheid is, ze te komen halen of ze te laten overkomen.

Zó is het met den Heer en met ons.

Als wij Hem liefhebben, dan zullen wij éénmaal zijn, waar Hij is. Dán behoren wij bij Hem, zoals de kinderen behoren bij hun vooruit gereisde vader.

Zoals de apostel het zegt: "God heeft ons met Christus in de hemel gezet". Efeze 2:6.

Maar nog eens: dat geldt alleen van ons, als wij Hem liefhebben. Hebben wij Hem lief. ?.

 

Terug naar Overdenkingen voor Hemelvaart en Pinksteren