IK ZAL U GEEN WEZEN
LATEN
(Joh.14:18)
De hoofdstukken 13 tot en met 17 van het Evangelie
naar de beschrijving van Johannes behoren wel tot de aangrijpendste gedeelten
van de Heilige Schrift.
Hij, Die daar sprak: "Een nieuw gebod geef Ik
u,dat gij elkander liefhebt,
gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt,"
toont in deze hoofdstukken, welke onmetelijke en verheven liefde er in Zijn
hart woonde.
Onze Heer en Heiland wist
maar al te goed,dat Zijn aanstaande lijden en sterven bittere smart voor de
Zijnen zou opleveren, wijl ze Hem ondanks de ruim driejarige omgang nog zo
weinig begrepen hadden en bij hen meer aards gezinde dan hemelse neigingen de
overhand hadden.
Zijn woorden aangaande Zijn aanstaande lijden en
sterven hadden hen verward en ze hadden ze maar liever uit hun gedachten
teruggedrongen.
Doch daar, in de Paaszaal,
begon het hun nu toch wel duidelijk te worden,dat al hetgeen
hun Heer en Meester over Zijn smadelijk einde gesproken had,droevige
werkelijkheid zou worden.
Over het gehele samenzijn in de toegeruste
opperzaal,waar de Heiland der wereld de maaltijd instelde,die aan de wereld het
leven zou geven en een zo rijke bron van geestelijke vreugde zou worden, hing
een wolk van droefheid,die eigenlijk weinig in overeenstemming was met het heil,dat de Zoon der mensen ging aanbrengen.
De droefheid van de Apostelen vond haar oorzaak in
hun vleselijke gedachten,in hun liefde tot hun Meester,Die ze beminden,niet als
de Verlosser,maar als een buitengewoon Godsgezant, van
Wiens zending ze echter zulk een slecht begrip hadden.
Thomas zei, bij de laatste maaltijd: "Here
,wij weten niet,waar Gij heengaat en hoe kunnen wij de
weg weten?"
En Filippus had nog zo
weinig verstaan van de openbaring van de Vader in Christus,dat
hij in die laatste nacht vroeg: "Here, toon ons de Vader en het is ons
genoeg”.
Nu begon het hun duidelijk te worden,dat Hij tóch
zou heengaan, dat Hij tóch in de handen van de zondaren zou vallen,dat Hij gedood zou worden.
En, we kunnen ons de droefheid van de Apostelen zo
goed begrijpen. Elk afscheid van geliefde vrienden en verwanten brengt
droefheid,die des te groter is, naarmate de tijd van
de scheiding langer duurt.
En vooral het grote afscheid, dat de dood met zich
brengt, overstelpt de ziel met smart.
Ach,wanneer we weten bij het ziekbed van een
geliefde, dat we naar menselijke berekening hem voor het laatst
aanschouwen;wanneer de droeve zekerheid daar is,dat we de laatste woorden uit
de stervende mond vernemen,dan krimpt ons het hart ineen en alleen de zekerheid
van het leven aan gindse zijde vermag een enkele zoete druppel te mengen in de
bittere beker,die tot de bodem moet geledigd worden.
'Hoe schoon en verheffend is het,wanneer een vader
of moeder,die de rust zal ingaan, door de kracht van het geloof,de kinderen kan
troosten met de zekerheid van de Opstanding des vleses, die een heilige hereniging zal aanbrengen.
De smart van de scheiding wordt er door gelenigd
en als een kleinood van onschatbare waarde worden de laatste woorden bewaard in
het gewonde hart van de achter blijvenden.
We kunnen ons voorstellen,welk
een troost de woorden van de Heer in de harten van de Zijnen moesten
veroorzaken, hoewel niet terstond.
Neen,daarvoor was de droefheid in de laatste nacht
te groot;daartoe was hun geest te zeer verward door hetgeen
geschieden ging. Maar toch ging niet alles verloren!
Na de kruisdood was wel
duisternis over de ontstelde jongeren gekomen, maar toch, als de mare van de Opstanding door de vrouwen aan de Apostelen
gebracht wordt,willen ze de blijde tijding zo maar niet meteen aannemen, maar
toch zien we Petrus en Johannes zich naar het graf spoeden.
De laatste snelt er zelfs
henen.
"Ik zal u geen wezen
laten; Ik kom weder tot u!”.
Volgens het woord van de Geliefde hadden ze, als
een vrouw in smarte,daar haar ure gekomen was, wel
droefheid gehad,maar evenals voor deze vrouw blijdschap zou ontstaan,wanneer
het jonge leven zou worden aanschouwd,zouden ze na de droefheid een blijdschap
smaken, die niemand van hen zou kunnen wegnemen, daar het geklonken had:
"Maar Ik. zal u wederzien." (16,22)
Deze beloften mochten dan op het ogenblik,dat de Heer ze sprak,door de
smart op de achtergrond gedrongen zijn geweest,ze
kwamen nu met kracht te voorschijn! En straks, aan de avond van de
Opstandingdag werden ze heerlijk vervuld.
Daar verscheen op geheimzinnige wijze Hij, Die de beloften gesproken had,
en, na deze heerlijke stonde herhaalden zich deze verschijningen verscheidene
malen. Ze waren wel steeds kort en telkens volgde een scheiding, totdat op de
Dag van de Hemelvaart het grote afscheid kwam.
En nu lezen we,dat dit geen droefheid verwekte,maar
dat de Apostelen naar Jeruzalem wederkeerden MET GROTE BLIJDSCHAP.
De Opstanding had hun getoond, dat Jezus van Nazareth waarlijk de CHRISTUS,de van eeuwigheid gezalfde Zoon en Koning was en dat Zijn
beloften stipt vervuld waren, die Hij aangaande Zijn opstanding, gegeven had.
En nu stond het voor hen allen onwrikbaar vast, dat ook alle andere
beloften,die Zijn heilige mond gesproken had en die
nog op vervulling wachtende waren, ook allen zonder onderscheid, even stipt
haar vervulling zouden verkrijgen; even stipt, maar ook even heerlijk, ook alle
verwachting te boven gaande.
Geheel anders, dan ze het zich konden voorstellen.
Met grote blijdschap keerden de Apostelen naar Jeruzalem,terwijl de Heer en
Meester,de Geliefde, toch aan hun ogen was onttrokken.
Maar na de Opstanding had de, nu Opgevarene, weer
nieuwe beloften geschonken en ook,wat de beide mannen in witte kleding na de
Hemelvaart gesproken hadden, was weer een bevestiging geweest,dat Hij zou
wederkomen gelijkerwijs de Zijnen Hem naar de Hemel
hadden zien henenvaren.
“Ik zal u geen wezen laten;Ik kom weder tot
u!"
Zou dit woord nog geen verdere strekking gehad hebben dan alleen de troost
van het wederzien gedurende de veertig dagen tussen Opstanding en Hemelvaart?
O,zeer zeker,die troost was rijk geweest, boven bidden en denken rijk! Maar in verband met de andere woorden, die de Heer in die gedenkwaardige en hoogheilige nacht nog
meer gesproken had,mochten de Apostelen een nog rijker troost,een nog
heerlijker vervulling verwachten.
We zeiden reeds,dat de verschijningen van de
verrezen Heer steeds van korte duur waren. Ze waren bovendien steeds min of
meer geheimzinnig geweest en alles was in de, eerst zo vertrouwelijke omgang
met de Meester, toch wel anders geworden.
Ze gevoelden het,dat de Naam,Die de Heer Zich aanvankelijk zelf steeds gaf:
Zoon des mensen,voor goed afgedaan had en dat Zijn eigenlijke Naam,Die Hem van
rechtswege toekwam,was: “Zone Gods!”
Daardoor was er een zekere afstand ontstaan,wat we duidelijk merken,wanneer we de berichten aangaande de verschijningen
aandachtig lezen.
Hoe zou het ook anders kunnen?
Het vleesgeworden Woord was nu verheerlijkt; de afgelegde Goddelijke
heerlijkheid was hernomen. Het uit Thomas' mond vernomen woord: "Mijn Heer en mijn God!" had geklonken en was door
de Verrezene aanvaard als de Hem passende hulde.
Hadden de Zijnen na de Hemelvaart alleen als troost de schone herinneringen
gehad, dan zouden deze door de loop der jaren, zoals het steeds bij alle mensen
gaat,verflauwd zijn en een gevoel van verlatenheid zou
onwillekeurig bij hen zijn ontstaan.
Door de lange duur zouden zij zich toch als verlatenen,als wezen gevoeld hebben en de belofte zou niet geheel vervuld
zijn. Daar moest dus iets anders ervaren worden, waardoor het verweesd zijn
niet zou kunnen optreden voor hun gevoel.
En, reeds na tien dagen werd de vraag: "Hoe
zou de vervulling zijn?" op ongedachte,op Goddelijke wijze vervuld,doordat
de "andere Trooster" gezonden werd en de Heilige Geest nederdaalde op
de schare van de honderdtwintig vergaderden,die
eendrachtelijk bijeen waren.
“De andere Trooster”
Eigenlijk is dit woord niet juist vertaald. Het is de overzetting van het
Griekse woord PARAKLETOS, dat alleen door Johannes
wordt gebruikt (14,16.26; 16,7) Ook in zijn
eerste brief (2,1} gebruikt deze Apostel dat
woord,dat eigenlijk beduidt: IEMAND DIE TER HULPE
GEROEPEN WORDT.
In het Latijn heet dat woord ADVOCATUS en dat woord is algemeen bekend, als
de naam van de rechtskundige,die ons helpen moet in
gerechtelijke aangelegenheden. Maar zoals het met vele woorden gaat,ging het ook met dit woord: het kreeg een ruimer betekenis,
en wel die van een helper.
In de genoemde Bijbelplaats (1 Joh.2,1)
lezen we: "Mijne kinderkens, ik schrijf u deze
dingen, opdat gij niet zondigt.En
indien iemand gezondigd heeft,wij hebben een
VOORSPRAAK bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige."
Hier is het woord PARAKLETOS vertaald door VOORSPRAAK, die in onze geestelijke
noden voor ons in de bres springt. Deze Voorbidder was enige jaren de getrouwe
Metgezel der Apostelen geweest. Aan het einde van de Omwandeling kon Hij
vragen: "Heeft het u aan iets ontbroken.?"
En, we kennen het antwoord: "NIETS!"
Deze trouwe Helper zou Zich doen vervangen door een ANDERE HELPER. HOE? Dat
leerde de Dag van het Pinksterfeest.
Onbegrijpelijk,wonderlijk, zoals ook de gehele openbaring van de Zone Gods
geweest was,van de Kribbe tot het Kruis,van het Kruis tot de Hemelvaart,ja, wonderlijk tot in alle eeuwigheid.
Van die Heilige Geest zegt de geloofsbelijdenis van Nicea:"Ik
geloof in de Heilige Geest,die HERE is en levend
maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat,die te samen met de Vader en de Zoon
aangebeden wordt,die gesproken heeft door de profeten."
En de Geloofsbelijdenis,die de naam draagt van een groot
strijder voor de Godheid van Christus, Athanasius,zegt,dat
die Geest éne Godheid, gelijke eer en gelijke eeuwige heerlijkheid heeft met de
Vader en de Zoon, dat Hij ongeschapen is,onmetelijk, eeuwig en almachtig en dat
Hij niet gegenereerd is, noch geschapen,noch gemaakt,maar dat Hij van de Vader
en de Zoon UITGAANDE is.
Volgens Joh.14,26 is Hij door de Vader
gezonden in de Naam des Heren Jezus. Zijn zending door de Vader, is niet in
tegenspraak met de zending ook door de Zoon, want alzo
zegt de Heer: "Zo iemand Mij liefheeft,die zal Mijn woord bewaren; en Mijn
Vader zal hem liefhebben en WIJ zullen tot hem komen en woning bij hem maken. "(vers 26)
In deze zin moet het WEDERKOMEN verstaan worden,dat
de Heer bedoelde in de belofte, dat
Hij de Zijnen geen wezen zou laten.
En juist dat woning maken door die gezonden Geest zou de Apostelen,maar ook
degenen die door hun woord in Christus zouden geloven,de zekerheid geven,dat ze geen wezen waren.
De beloften,we zeiden het reeds, zouden
vervagen,wanneer er niets zou blijven dan de HERINNERING,die verbleekt door de
lange duur.
Maar nu kwam die inwoning,die geloofszekerheid zou werken,want immers is het
die Geest,die met onze geest getuigt, dat wij kinderen
Gods zijn. Want wij hebben niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom
tot vreze,maar wij hebben ontvangen de Geest der
aanneming tot kinderen, door welken wij roepen:"ABBA, VADER!" (Rom. 8,15,16) .
Wie kan de rijkdom van deze geloofszekerheid verstaan in zijn volle omvang?
Hier helpt geen verstand des mensen!. De inwonende
Geest openbaart ons trapsgewijze die rijkdom door de
sprake der liefde Gods tot de Bruid des Heren, Zijn Kerk in haar geheel en in
de harten van haar kinderen in het bijzonder. Wie die Geest in zich laat
inwerken, hoort Zijn stem duidelijk en klaar,zodat hij geen wetenschappelijke
bewijzen behoeft voor het Godsbestaan,noch dogmatische
uiteenzettingen van de Verlossing in Jezus Christus.
De taal der Liefde van de GELIEFDE tot hen, die Hij liefheeft, tot allen,
die Zijn woorden getrouwelijk bewaren, is zo sterk, dat ze geen enkele
bevestiging behoeft.
Paulus wijst er dikwijls op, dat voor de heidenen, die gelovig geworden waren,
een rijkdom was geopenbaard, toen ze God leerden kennen, toen ze huisgenoten
Gods mochten worden, burgers van Zijn Rijk, erfgenamen Gods en erfgenamen met
Christus.
Al deze uitingen van de grote Apostel der heidenen zijn onuitputtelijk rijk
aan gedachten en scheppen een steeds opwellende bron van vreugde en doen met
heimwee uitzien naar het ogenblik, dat wij Hem mogen aanschouwen, Dien we nu reeds liefhebben zonder Hem te hebben gezien, (1 Petr.1,8) met een onuitsprekelijke en heerlijke
vreugde, verkrijgende het einde (d.w.z. het DOEL) van ons geloof, de zaligheid
der zielen.
Ja, hij prijst God de Vader van onze Heer Jezus Christus, Die naar Zijn
grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop door de
opstanding van Jezus Christus uit de doden tot een onverderfelijke, onbevlekkelijke, onverwelkelijke
erfenis, die in de hemelen bewaard is voor ons, die in de kracht Gods bewaard
worden door het geloof tot de zaligheid, die bereid is
om geopenbaard te worden in de laatste tijd. (1
Petr.1:3-5)
Als Petrus op deze heerlijke dingen gewezen heeft, dan wijst hij op de
strijd, die de kinderen Gods wacht, maar daar ze nu van hem gehoord hebben, wat
loon er voor hen is weggelegd na de strijd, zullen ze
die strijd niet vrezen noch trachten om hem te ontlopen, maar ze willen hem
strijden op de wettige wijze, opdat ze dan naar het woord van Paulus ook
eenmaal de kroon der rechtvaardigheid zullen ontvangen, die voor deze dienaar
des Heren was weggelegd, maar die ook weggelegd is voor allen, die des Heren
verschijning liefgehad hebben. (2 Tim. 4,7.8)
Met deze geloofszekerheid zijn we geen wezen, dank zij de getrouwheid van
Hem, Die Zijn beloften houdt tot in eeuwigheid. AJK/SdJ