DE HERE SNELLIJK TOT ZIJN TEMPEL.
(Luk.2 : 22-38)
Het is alweer ruim een maand geleden, dat wij de geboorte van de Heer herdachten. Toen verwijlden we met onze gedachten in het nederige Bethlehem. Maar de tijd schrijdt voort, en de gewijde geschiedenis verplaatst ons thans 40 dagen na de geboorte des Heren in Jeruzalem.
Wij willen ons in de geest daarheen begeven.
Het is een gewone weekse dag. Een en al bedrijvigheid is het in de stad. We bevinden ons temidden van een bonte mengeling van klederdrachten van de mensen, die de, dikwijls nauwe straten, bevolken. Wagens beladen met allerlei handelswaar, getrokken door trekdieren, wier geleiders hen bij de teugel hebben, passeren ons.
De winkels en bazaars hebben hun koopwaar zowel binnen als aan de straat kwistig uitgestald, en de kopers verdringen elkander dikwijls voor die uitstallingen.
Allerlei huishoudelijke artikelen kan men er vinden, alsook veel fruit, groenten en diverse eetwaren, en het publiek voorziet zich hier van hetgeen het vandaag nodig heeft.
In de met zon overgoten straten blinken de talrijke witte gevels van de huizen. Als we wat verder doorgelopen zijn, krijgen we een ruimer uitzicht, en nu zien we voor ons uit de tempel. Zoals we weten, is dit de tweede tempel, die door Zerubbabel na de Babylonische ballingschap is gebouwd.
Om de Joden gunstig voor zich te stemmen, werd deze later door Herodes de Grote uitgebreid en verfraaid. Het is een prachtige aanblik, zoals we van hieruit het gebouw in ogenschouw kunnen nemen. De tempel ligt hoger dan de eigenlijke stad, doordat hij op de tempelberg is gebouwd. Daardoor beheerst hij het gehele stadsbeeld, en vormt a.h.w. de kroon der stad.
Temidden van dit woelige en bonte publiek, dat de straten van de stad bevolkt, ontdekken we op enige afstand voor ons een jonge man en vrouw.
Ongetwijfeld zijn het echtelieden, want de vrouw draagt in haar armen een zuigeling, beschermend tegen zich aangedrukt. Te oordelen naar een zekere mate van onwennigheid, waarmede zij zich door de drukte der stad bewegen, zijn het geen inwoners maar komen zij van elders.
Waarschijnlijk zijn zij reeds gisteren hier aangekomen, en zij hebben de ezel waarop de vrouw de tocht met het kind naar hier heeft mede gemaakt, gestald bij de herberg, waar zij zelf de nacht hebben doorgebracht. Naar hun kleding te oordelen, zijn het geen welgestelde lieden, maar behoren zij tot de kleinen der aarde.
Dat de man in zijn linkerhand een korfje met twee duifjes draagt, bevestigt ons vermoeden. Intussen hebben wij onder het lopen deze twee mensen wat ingehaald, zodat wij nu in de gelegenheid zijn, om hen van terzijde wat nader op te nemen.
En, verrast komen wij tot de overtuiging, dat we ons niet vergist hebben, maar dat ons vermoeden juist is, het is de timmerman Jozef uit Nazareth met Maria, zijn vrouw!
Zij dragen het Kindeke Jezus door de straten van Jeruzalem. Onopvallend schrijden zij voort met hun kostbare last. Niemand slaat acht op dit kleine gezelschap.
En, waarom zou men ook?
Dergelijke groepjes treft men dagelijks aan, het is een heel gewoon straatbeeld. Zonder ernaar te informeren, weet een ieder, wat deze mensen gaan doen. Het doel is natuurlijk de tempel. Daarheen brengen zij hun eerstgeboren Zoon, om met hem aldaar te handelen naar de eeuwenoude wet van Mozes. En inderdaad, zo is het. Jozef en Maria zijn naar Jeruzalem gekomen, om het Kindeke Jezus in de tempel te brengen, en het aldaar aan de Here voor te stellen.
Hierin is voor Israël toch niets bijzonders? Alles is hier gewoon, ja heel gewoon.
Ook is hier niets opvallends; noch aan deze mensen, noch aan het Kind.
Geen aureool of stralenkrans om het hoofd. Zelfs geen kostbaar kleed, waarin het is gewikkeld... het is, zoals Jesaja het reeds eeuwen geleden heeft uitgesproken.
Hij zou als een rijsje opschieten uit de dorre aarde, zonder gedaante of heerlijkheid.
En zo constateren wij het ook hier, zonder goddelijke gedaante of heerlijkheid.
Terwijl wij hierover nog lopen na te denken, zien we, dat Jozef en Maria reeds bij de tempel zijn aangekomen, en de brede stenen trap bestijgen.
Als zij op het grote platform zijn aangekomen, volgen onze ogen hen totdat zij door een der ingangen van het voorhof ingaan, en aan ons oog onttrokken worden.
Wij willen hen daarheen volgen. Of neen, nu nog niet. Wij zullen hier nog even blijven staan, om ons samen te realiseren, en vast te stellen wat thans is geschied!
Want, wij hebben het daareven wel zo gezegd, en zo was het ook: het was alles zo gewoon, zo heel gewoon.
Maar toch, neen, het is geheel niet gewoon, allerminst.
Want opeens staat hier helder voor onze geest, wat God door de mond van Maleachi 450 jaar geleden aan Israël had verkondigd: "Snellijk zal tot Zijn tempel komen die Here, Die gijlieden zoekt, te weten, de Engel des Verbonds, aan Welke gij lust hebt; ziet Hij komt zegt de Here der heerscharen."
En deze profetie gaat hier op dit moment in vervulling.
Ook herinneren we ons, dat, toen deze tweede tempel gebouwd werd, vele Joden, die de eerste tempel gekend hadden, weenden, omdat de eerste tempel veel schoner en fraaier was geweest. Maar was het niet, dat God hen door de dienst van Zijn knecht Haggaï aldus aansprak: "Wie is er onder ulieden overgebleven, die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij het nu? Is dit als niets in uw ogen? Maar hoort, want alzo zegt de Here der heerscharen: Nog een weinig tijds en Ik zal de hemelen, en de aarde, en de zee, en het droge doen beven; ja, Ik zal al de heidenen doen beven, en zij zullen komen tot DE WENS ALLER HEIDENEN, en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen. Want Mijn is het zilver, en Mijn is het goud; DE HEERLIJKHEID VAN DIT IAATSTE HUIS, ZAL GROTER WORDEN, DAN HET EERSTE, en in deze plaats zal Ik vrede geven, spreekt de Here."
Waar de Here Jezus, in de tempel wordt ingedragen, gaan de profetieën van de profeten Haggai en Maleachi, eeuwen geleden uitgesproken, heden in vervulling.
De schone tempel van Salomo heeft nooit deze heerlijkheid verkregen, die nu de minder fraaie tweede tempel ten deel viel.
Maar terwijl de beloften Gods hier in het hart van Jeruzalem heerlijk in vervulling gaan, ontgaat dit toch zo goed als aan geheel Jeruzalem. De Here komt snellijk tot Zijn tempel, en men weet het niet.
Nu niet en straks niet, als de Heer op 30jarige leeftijd in
het openbaar optreedt. (Matth.26:55) Had men
gelet op de tekenen der tijden, dan had men het kunnen en moeten weten, zowel
de leidslieden (Matth.16:2-3) als het volk (Luk.12:54).
De Schrift leert ons, dat de O.T.zaken en geschiedenissen typen en voorbeelden zijn van het Kon.Gods in het N.V.
Zo is de tempel onder Israël de type van de Kerk of Gemeente des Heren.
In 1 Kor.3:16 staat: "Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?"
In Ef. 2:19-22 lezen we: “Zo zijt ge dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen, op welke het gehele gebouw, bekwaamlijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige Tempel in de Here, op welke ook gij medegebouwd wordt tot WOONSTEDE GODS IN DE GEEST”.
Zo was ook de tempel, blijkens 2 Kron.7:1-2, de plaats waar God woonde onder Zijn volk.
(De eerste tempel is de type van de eerste de Gemeente voor 19 eeuwen).
Vanwege het ongeloof en de afgoderij heeft God toegelaten, dat de eerste tempel is verwoest.
Door het betonen van berouw en verootmoediging heeft God in Zijn trouw en barmhartigheid het volk een tweede tempel geschonken.
En, hoewel deze niet zo fraai was als de eerste, nochtans heeft God aan deze tweede tempel meer heerlijkheid geschonken, doordat in deze de Here Christus is ingebracht.
Ook de geestelijke tempel, de Kerk in de aanvang, is naderhand door ongeloof en verbastering van haar oorspronkelijkheid vervallen, en deden haar in de diepste duisternis verzinken. Hoewel de reformatie weer het Licht op de kandelaar plaatste, kwam men toch niet tot een geheel herstel van hetgeen God aan Zijn Kerk geschonken had.
Door verootmoediging en gebed heeft God echter in 1836 opnieuw de gaven van de H.Geest gegeven. Hierdoor verkreeg men de oorspronkelijke bediening terug, en werd de geestelijke tempel herbouwd, gegrond op het fundament der apostelen en profeten.
In dit werk Gods wordt de type van de tweede tempel vervuld, ook wat betreft de mindere heerlijkheid.
Toch zal, naar aanduiding der typen, ook aan deze laatste geestelijke tempel groter heerlijkheid geschieden! “Want snellijk (haastelijk) zal de Heer, maar nu in heerlijkheid, tot Zijn tempel komen”.
Doordat door het merendeel het geestelijk Jeruzalem (de Christenheid), evenals de Joden destijds, niet op de tekenen der tijden zal letten, zal ook deze komst des Heren aan haar ongemerkt voorbijgaan, en komen als een dief in de nacht.
Na deze overdenking begeven wij ons thans ook in de tempel. Wij vinden hier Jozef en Maria met het Kindeke. Naar de Wet was de eerstegeboren Zoon het eigendom des Heren. Oorspronkelijk was hij voor de priesterdienst bestemd.
God zag hiervan echter af, en bestemde de gehele stam van Levi voor de priesterlijke bediening (Num. 3:12;13-8; 11:19).
Toch moest 40 dagen na de geboorte de eerstgeboren zoon in het heiligdom aan de Heer voorgesteld worden. Dit was, om het gezinshoofd er aan te herinneren, dat de Heer recht op het kind had, en het moest dientengevolge dan door een offer gelost worden (Num.18:1516).
Tevens werd dan voor de reiniging van de moeder een offer gebracht.
De Heer Jezus kwam, om Zich geheel ten dienste des Heren te stellen. Ook Hij kwam niet om de wet te ontbinden, maar om deze te vervullen.
Naar Zijn woord: “betaamde Hem, alle gerechtigheid te vervullen".
Op de 8ste dag werd Hij besneden, en hier werd Hij in de tempel aan de Heer voorgesteld en gelost. Hij was gekomen, om aan de mensen in alles gelijk te worden, uitgenomen de zonde.
Ziehier dit ouderpaar met hun kind in de grootste eenvoud en nederigheid der mensen met het offer der geringsten.
Wie zou hier iets van verwachten?
Maar toch, zie, daar nadert een bejaarde man, Hij heeft zich uit het gewoel der stad losgemaakt, en gedreven door de Geest Gods, komt hij de tempel binnen.
En, zonder op dit uiterlijke te letten, loopt hij op dit ouderpaar toe, neemt het kind in zijn armen, en met de blik hemelwaarts geslagen, zegt hij, zichtbaar ontroerd: “'Nu laat Gij, Heer, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid die Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken; een licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.
De H .Schrift verhaalt van deze man, Simeon, dat hij rechtvaardig was en Godvrezend, verwachtende de vertroosting Israëls, en de H.Geest was op hem.
En hem was door de H.Geest geopenbaard, dat hij niet sterven zou, eer hij de Christus des Heren zou zien.
Nu Christus in de tempel gebracht werd, dreef de Geest Gods hem daarheen. En door de verlichting des H.Geest, zag hij in dit Kind de beloofde Verlosser en Heiland.
"Snellijk zal tot Zijn tempel komen, de Here, Die gijlieden zoekt."
Hoelang en met welk een sterk verlangen zal deze man naar de vervulling van de belofte uitgezien hebben! Simeon woonde te Jeruzalem. Ook wij hebben door Jeruzalems straten gewandeld, en hebben daarbij gadegeslagen, hoe alles op deze gewone door de weekse dag druk in actie was. Maar wat in Jeruzalem plaats greep, en aan geheel Jeruzalem ontging, werd aan deze man geopenbaard.
Het waarachtige geloofsleven met God, en het heerlijke verlangen naar de vervulling van de belofte, deden hem deze grote dag beleven.
Hij heeft de komst des Heren mogen aanschouwen!
Ook wij verwachten de Heer, maar nu in heerlijkheid. De bruidsgemeente ziet met, hartelijk verlangen uit naar Zijn komst, en bereid zich daarop voor.
Zij let op de tekenen der tijden, en beluistert daarin de naderende voetstappen van de komende Bruidegom.
Wat Simeon te beurt viel, is voor haar een zekere profetische voorzegging en waarborg, dat wanneer de Heer komt, er zullen zijn, die Hem zullen zien, zonder de dood gezien te hebben. Die dus levend veranderd zullen worden.(1 Thess.4:17).
Ook de oude Anna strekt hiervan tot een voorbeeld. Zij week niet van de tempel, God dienende, nacht en dag. En toen de Heer tot Zijn tempel kwam, was ook zij daar, en Heeft, mét Simeon haar Heer aanschouwd en beleden.
Maar, hóe zal het zijn met het grote geestelijk Jeruzalem?
Paulus zou opnieuw schrijven: “Ik heb begeerd, om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen, doch ik vrees,dat, gelijkerwijs de slang Eva heeft bedrogen ook uw zinnen bedorven zijn om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is”.
De dag des Heren zal haar, naar ons voorbeeld, onvoorzien overkomen.
Evenals Jeruzalem het te druk had met allerlei, toen de Heer in de tempel werd gebracht, zo is zij druk met allerlei en velerlei; met sociale aangelegenheden, congressen en oecumenische verbondschappen, het uitdragen van het Christendom op alle terreinen des levens, enz.
En, de uitgesproken toekomst verwachting is: een zalig sterfbed, en de wederkomst des Heren ten oordeel over een aantal eeuwen.
Het is een lange rij van Godsgetrouwen, mannen zowel als vrouwen, die, door de eeuwen heen met een hartelijk verlangen hebben uitgezien naar de komst van de beloofde Heiland en Koning.
Zij hebben die dag echter niet mogen beleven.
Maar, aan het einde van deze lange rij, staat een man, Simeon, en een vrouw Anna, die, weliswaar op hoge leeftijd deze glorierijke dag hebben aanschouwd.
Zo hebben ook velen, in de loop der eeuwen, uitgezien naar de komst van de Hemelse Bruidegom, in wélke nachtwake Hij ook komen mocht.
Zij zijn allen ontslapen, maar de dag nadert met rasse schreden dat Christus aan Zijn levende Bruid zal verschijnen.
Want: “Snellijk (haastiglijk) zal de Heer tot Zijn geestelijke tempel komen. SdJ.