IN CHRISTUS ZALIG ZIJN:
Wanneer wij aandachtig het Woord van God lezen, dan valt het ons meteen op, dat alle omstandigheden waaronder dit Woord gepredikt wordt, een zeker en vast doel hebben.
Bovendien is de rede des Heren zowel uitnemend schoon als treffend,dat geen enkel mens in staat is om zulk een uitnemende rede voort te brengen, in alles handelde de Here Jezus zó, dat de aandacht van opmerkzame mensen getrokken móest worden.
In Mattheüs 4:17 lezen wij dat Hij begon te prediken: "Bekeert u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen."
Dit was een bevestiging van datgene wat Johannes de Doper had verkondigd, en, hierin mocht Johannes zien, dat hij wáárlijk de engel was waarvan de profeet Maleachi had geprofeteerd. Maleachi 3:1.
Deze uitspraak des Heren weer er dus op dat het Koninkrijk ontsloten was, en wel júist door Hém, die deze woorden tot hen sprak.
In het verdere gedeelte van Mattheüs 4 lezen wij over de roeping van de twaalven, die als bouwstenen van het fundament voor het Koninkrijk, werden geformeerd en, tot ondersteuning van hen deed de Heer vele wonderen en tekenen, daarmee aantonende dat Hij wáárlijk de macht had om het Koninkrijk te ontsluiten en, als bewijs van Zijn Goddelijke zending.
Zoals wij in Mattheüs 4:23-26 kunnen lezen deed de Heer deze krachten in Galilea, en, als gevolg daarvan, zijn velen Hem nagevolgd.
"Jezus, de schare ziende, klom op een berg en toen Hij nedergezeten was kwamen Zijn discipelen bij Hem".
Wij willen nú de aandacht vestigen op het "klimmen op een berg".
Men zou kunnen zeggen, dat dit heel gewoon was, en, er zijn menselijkerwijs gesproken ook wel redenen voor, want de Heer kon nu de schare beter overzien en deze schare kon Hem nu veel beter verstaan.
(Bij een bezoek aan Israël, waarbij wij tevens bij de berg waren waar deze rede zou hebben plaatsgevonden, bleek ons, dat, toen wij deze berghelling beklommen, men onderaan de helling ons nog heel goed kon verstaan.)
Sprekers op een vergadering spreken toch immers ook meestal vanaf een platvorm of vanaf een verhoging, daarom spreken de leraars tijdens de diensten óók vanaf een preekstoel.
De Heer Jezus had dit echter niet nodig omdat Hij de Kenner der harten en de Proever der nieren is, en Hij wéét wat er in elke mensenkind leeft.
De Heer sprak van Nathaniel: "Zie, waarlijk een Israëliet in welke geen bedrog is."
Door deze uitspraak van de Heer vroeg Nathaniel: "Vanwaar kent Gij mij.?", waarop de Heer aan hem antwoordde: "Eer dat Filippus u riep, daar gij onder de vijgeboom waart, zag Ik u". Johannes 1:49.
Dit bewijst ons zeer duidelijk dat Christus het niet nodig had om de mensen van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen om daardoor te kunnen zien wat er in de mensen leefde.
Nee, dát had Hij niet van node want Hij was God, geopenbaard in het vlees.Doch, wat had de Heer hier dan hiermede voor, zo zult u vragen.?
Zijn toehoorders waren Joden, die zich er graag op beriepen dat zij de wetten, die de Here God aan Zijn volk had gegeven, zeer goed kenden en ook bekend waren met de omstandigheden waarin de Here God aan Mozes deze woorden heeft gegeven.
Welnu, evenals de Here God nu op de berg Sinai de Wet voor het volk aan Mozes gaf, Exodus 34, en Mozes daarom de berg moest beklimmen, zó gaf nu de Heer Jezus, vanaf deze berg, in de leerrede die Hij uitsprak, de Wet des Geestes van het Nieuwe Verbond als een tegenhanger van de Wet van het Oude Verbond.
En, wélke rede sprak de Heer nu.?
Dát leert ons Mattheüs 5:3: "Zalig zijn de armen van Geest, want hunner is het Koninkrijk der Hemelen."
De Here Jezus begint hier Zijn leerrede met de zaligsprekingen, om hiermede aan te tonen dat het Rijk Gods een Rijk van zaligheid, behoudenis is, namelijk dat van het gemoed en des Geestes, niet van deze wereld, maar van een hogere orde.
Welk een lieflijk beeld ligt hierin besloten, namelijk, dat de behoudenis, zalig zijn, volgt op de vermaning: "Bekeert u, want het Koninkrijk der Hemelen is nabij gekomen."
Bekering was nodig om het Hemelrijk in te kunnen gaan.
Waren dit nu wel nieuwe klanken en nieuwe gezichtspunten voor het volk.?
Neen, maar het is wel in overeenstemming met hetgeen de Heer Jezus leert in Mattheüs 13:52: "Dat een iegelijk Schriftgeleerde in het Koninkrijk der Hemelen onderwezen, voort brengt uit zijn schat oude en nieuwe dingen."
En zó bracht de Heer, als de Wáre Schriftgeleerde, uit de schat van Gods Woord naar het Oude Verbond, nieuwe dingen te voorschijn om daardoor de aandacht te trekken.
Dit nu was een aanvulling op hetgeen we lezen in Psalm 1:1-3: "Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op de weg der zondaren, noch zit in het gestoelte des spotters; maar zijn lust is in des Heren Wet en hij overdenkt Zijn wet dacht en nacht."
DIEGENE is dus gelukzalig, die de wet des Heren dag en nacht overdenkt, dat wil zeggen, dat zijn gehele wezen er naar uitgaat om in Gods geboden te wandelen.
Zulk een man nu, wordt door de Psalmist vergeleken bij een boom die aan de waterbeken is geplant en die zijn vruchten op zijn tijd geeft en wiens bladeren niet afvallen.
De boom, een wilg bv., die aan het water is geplant, trekt als gevolg daarvan veel water tot en in zich waardoor er een grote groeikracht ontstaat.
Des te meer men dan ook de leer des Heren, waarvan het water het schaduwbeeld is, in zich opneemt, des te meer ontwikkelingen in de dingen van het Koninkrijk Gods zult gij in u waarnemen en des te meer zullen dan ook de vruchten die tot zegen van anderen kunnen zijn, daarvan worden aanschouwd.
De Psalmist verwijst naar een boom, waarvan het blad niet afvalt, dat wil zeggen, hier wordt aan ons een boom getoond die in de volle groei is en die een rijke bladertooi heeft en die niet een winter tegemoet gaat waarbij zijn bladeren afvallen.
Zó moet het nu ook bij de wáre Christen zijn; er moet in zijn geloofsleven geen wintertijd aanbreken-het beeld van de verachtering van de genade Gods, maar altijd moet de hoop in hem blijven leven-afgebeeld door het blijvende groen, van de wederkomst des Heren.
De Heer, Die straks zal komen om de vru8chten te oogsten die Hij, door Zijn genade en liefde in Zijn verlossingswerk voor ons heeft aangebracht.
"Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het koninkrijk der Hemelen"
Arm te zijn van geest, dáár komt het op aan, en, wie arm van geest is, die heeft behoefte om die geest te voeden zoals iemand die honger heeft naar voedsel verlangt om zijn honger te stillen.
Hij probeert daarvoor van alles om aan voedsel te komen, denk bijvoorbeeld maar eens aan de afgelopen oorlogsjaren toen er in Nederland hongersnood was en de mensen van heinde en ver kwamen om te proberen om een weinig voedsel te bemachtigen.
Zó zal nu ook de arme van geest alles in het werk stellen om de honger van dien geest te stillen met voedsel, het Woord des Levens.
De Psalmist drukt dit zo schoon uit in Psalm 42: "Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!".
Moest nu deze leerrede van de Heer niet aangenaam klinken in de oren van Zijn toehoorders.?
Hoe geheel anders was deze rede van de Heer, vergeleken bij die van de Schriftgeleerden en de Farizeeërs, die de mensen lasten oplegden zoals de Heer getuigde in Mattheüs 23:13,14.
In Lukas 6:20 lezen wij dat de Heer Zijn ogen opslaat over Zijn discipelen, dat wil zeggen ZIJN jongeren en zegt: "Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk.", en, déze belofte is ook hierin bevestigd geworden, toen de Heer aan hen de macht gaf: "En, Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijk de Vader dat Mij verordineert heeft."
Diegenen dus, die arm van geest zijn, zullen dat Koninkrijk dan ook in zichzelf hebben, zoals Hij gezegd heeft: "Want ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden." Lukas 17:21.
Hóe kan dat Koninkrijk nu ín ons zijn.?
De ordinanties van dat Koninkrijk zijn de dingen van de Geest Gods, en, wie nu de Geest Gods heeft ontvangen, zoals de Heilige Schrift dat aan ons leert, heeft dus dóór de Heiligen Geest dat Koninkrijk in zich.
Dat wil zeggen, de inwonende Heilige Geest zal u leiden en leren alle dingen die bij God te doen zijn.
"Zalig zijn die treuren, want zij zullen vertroost worden:"
In Lukas 6:21 is het weer de Heer, Die Zijn liefdeblikken over Zijn jongeren laat gaan en tot hen zegt: "Zalig zijt gij die nú weent, want gij zult lachten."
De jongeren des Heren hadden álles verlaten, ontdaan van alle aardse schatten, en waren Hem gevolgd, en, nu moesten ook zij, als volgelingen van Jezus, haat en smaad en hoon verduren.
Het volgen van de Here Jezus brengt met zich mede, het dragen van het kruis, namelijk, het strijden tegen de wereld en haar begeerlijkheden, en, wiens lust dat is geworden, die draagt rouw---treurt---over de grote ellende en de zonde waarin de wereld is gedompeld; hij treurt over het mensdom dat zich zo moedwillig in de poel van de afgrond wentelt.
Hij treurt ook over de smaad, die de Here God wordt aangedaan en gruwt ook, evenals eens een Lot, over de zonden van Sodom en Gomorra.
Zalig zijt gij, die nu weent, want gij zult lachten.
Hoe nú.?
Ziet, wederom een Woord uit de oude schatten van Gods Woord, namelijk uit Jesaja 65:13b: "Ziet Mijne knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn."
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven:
Deze uitspraak des Heren is ontleend aan Psalm 37, waar in het 11e vers staat: "De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten en zich verlustigen over de grote vrede."
Zachtmoedigen zijn diegenen die zich klein en nederig tegenover de Here God gevoelen; zij willen geen wereldheerschappij en geen werelds geluk met het geweld der aard verwerven, maar zij zijn het God gezegende zaad dat het gezegend aardrijk zal beërven.
De mens, egoïstisch van aard, wil het hier op aarde maar goed hebben en probeert zich aan alle kanten te dekken zodat hem niets kan overkomen en hij tegen alle moeilijkheden die er zouden kunnen komen, opgewassen zal zijn.
En, op wélke manier de mens dit alles verkrijgt, daar wordt meestal niet naar gevraagd, want, bij de financieel sterken en bij diegenen die hun geweten het zwijgen opleggen, kan men de aardse schatten vinden en dezulken komen ook nu, zelfs in onze tijd van ontreddering en werkeloosheid, niets te kort.
Máár, het zijn niet diegenen die mét Job, kunnen zeggen: "zouden wij het goede van God ontvangen en niet het kwade.?"
De zachtmoedige echter, die ziet verder en die is er van verzekerd, dat er een erve Gods voor hem beschoren is.
Wélke erve Gods.? Zie Jesaja 65:17-23.!
"Als de vorige dingen niet meer gedacht zullen worden en de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde geschapen zijn, dán zullen zij zich verheugen en vrolijk zijn tot in eeuwigheid.
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.:
"Rein van hart", dát is de tegenstelling van hetgeen de Heer Jezus leert in Mattheüs 15:19: "Want, uit het hart komen voort: boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen."
Wie zien nu die reinen van hart?.
Psalm 24:3-6 leert het ons, namelijk, "zij zullen klimmen op de berg des Heren", dat wil zeggen, in Gods nabijheid mogen vertoeven, en zij zullen staan in de plaats Zijner heiligheid, die rein van handen en zuiver van hart zijn, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid en die niet bedrieglijk zweert.
Díe zal de zegen ontvangen van de Heer en gerechtigheid van de God des Heils.
Kollossensen 3:2 leert ons: "Bedenk de dingen die bóven zijn en niet die op de aarde zijn want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus, erborgen in God."
"Gij zijt gestorven", dat wil zeggen, gij zijt door de doop met Christus medegekruisigd om nu niet meer de oude mens der zonde te dienen, maar in nieuwigheid des levens te wandelen, want, onze wandel moet zijn in de Hemelen waaruit wij onzen Zaligmaker verwachten. Filippenzen 3:20.
De Here Jezus zegt in Johannes 15:3 tegen Zijn discipelen: "Gijlieden zijt nu rein om het Woord dat Ik tot u gesproken heb", én, voegt daar aan toe: "Blijf in Mij en Ik in u".
In Hem te blijven, dát geeft ons de zekerheid dat Hij óók in óns blijft en, dán zullen wij zeer zeker veilig wandelen.
Het Woord gelovig aannemen, dat is voor de ziel een voortdurende heiliging, want, immers dat Woord brengt ons tot zelf onderzoek en wij constaterend dan steeds bij ons fouten en gebreken die wij door de kracht Gods zullen en moeten corrigeren om Gode welbehaaglijk te leven.
Máár, des te meer zullen wij dan ook het Ambt der Verzoening , dat de Heer Jezus, als gevolg van Zijn verdienste, aan Zijn Kerk heeft geschonken, waarderen.
Dát is óók een zaligheid die niet is af te meten; een genade, die wij, bóven zovele millioenen die maar teugelloos voorthollen op de weg der zonden, hebben ontvangen.
"De reinen van hart zullen God zien".
Wat is dit niet een schone uitspraak des Heren.!
Mozes vraagt in Exodus 33, of de Heer Zijn heerlijkheid aan hem wil tonen, waarop de Heer tot hem zegt-vers 2: "Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien, want Mij zal geen mens zien en leven."
Nee, inderdaad, wij zouden zeer zeker wegsmelten als was in het vuur, maar tóch zullen wij, volgens 1 Johannes 3:2 Hem zien, gelijk Hij is, ja, zullen aan Hem gelijk wezen.
Hóe is dát dan nu mogelijk.?
Door Hém, namelijk Christus, hebben wij toegang gekregen tot de Vader; door Zijn Verlossingswerk heeft HIJ dat voor óns volbracht.
Door het ontvangen van de Heiligen Geest der belofte, Die het onderpand van onze toekomstige erfenis is, zullen wij moeten komen tot de mate van de grootte der volheid van Christus. Efeze 4.
Dán moeten wíj mínder worden en Hij, dóór de Heiligen Geest, in ons wassen.
Dán zullen wij met Hem verenigd worden en met Hem, in het Rijk des Heren, als Koningen en Priesters mogen heersen.
Beijveren wij ons dan om die hoge rang en stand in het Godsrijk te mogen beërven, opdat een eeuwige vreugde ons deel zal zijn.
Maran-atha, de Heer komt.!