DE

ZALVING TE BETHANIË,
Mattheüs 26:1-16; Marcus 14:1-11; Lucas 22:1-6; Johannes 12:1-8.

Toen wij de vorige keer afscheid van de Heer Jezus namen, was Hij met verschillende feestpelgrims op weg van Jericho naar Jeruzalem.

Er moesten intussen nog enige dagen verlopen, voordat het Paasfeest aanbrak, en zo liet de Heer, toen Bethanië bereikt was, de feestpelgrims verder trekken, terwijl Hijzelf met Zijn discipelen achterbleef om ook ditmaal, zoals Hij reeds dikwijls te voren had gedaan, er de vrienden op te zoeken die Hij daar had.

Lucas 10:38:

Een zeker vlek: namelijk Bethanië, een klein plaatsje dat ongeveer op drie kwartier afstand van Jeruzalem was gelegen, aan de weg van Jeruzalem naar Jericho. Tegenwoordig vindt men daar enkele hutten die bekend staan als het "Lazarusdorp"

In haar huis: Martha zien wij hier als de eigenaresse van het huis waarin zij samen met Maria en Lazarus woonde. Meestal wordt aangenomen dat zij tot de meer gegoeden behoorden wat blijkt uit het feit dat, wanneer Lazarus gestorven is de belangstelling groot was. Johannes 11:10.

De Heer had slechts enkele vrienden onder de rijken; in het huis van Martha was Hij ten allen tijde echter een welkome gast en het schijnt, dat de Heer er dikwijls overnachtte wanneer er grote feesten, bv. te Jeruzalem, waren.

Wie waren die vrienden ook weer.? Dat waren Maria, Martha en Lazarus, die natuurlijk na de opwekking van den laatste Hem nog inniger liefhadden dan vroeger. Hij had er trouwens nog een vriend, een zekere Simon, die Hem eveneens liefhad met zijn gehele hart. Die Simon was vroeger al heel ongelukkig geweest. Wij kennen toch ook wel die vreselijke ziekte, die melaatsheid genoemd wordt ? Mattheüs 26:6; Marcus 14:3.

Simon de Melaatse: deze Simon werd waarschijnlijk zo genoemd omdat hij vroeger melaats was geweest maar hiervan door de Heer was genezen. In de dagen van de Heer Jezus waren er vele melaatsen in Kanaän, en, zoals Hij de mensen van allerlei krankheid genas, zo genas Hij ook menige melaatse. Hoe Hij er eens tien tegelijk genezen, "gereinigd" had, van wie er slechts één zo dankbaar was, dat hij de Heer kwam bedanken.

Welnu, ook die Simon was, zoals wij reeds schreven, vroeger melaats geweest en door de Heer genezen; maar hij was niet ondankbaar, integendeel, nooit vergat hij de weldaad, die de Heer aan hem bewezen had, ja, ook hij had, zoals wij reeds zeiden, de Heer lief met zijn gehele hart, niet minder dan Maria, Martha en Lazarus.

En, wat die vier, toen de Heer dan zo enige dagen vóór Pasen weer te Bethanië was, nu deden.?

Zij bereidden Hem en zijn discipelen, het was op de sabbat die aan het feest voorafging, een feestmaaltijd om op die wijze hun dankbaarheid nog eens te tonen. Simon had er zijn huis voor afgestaan. En Maria, Martha en Lazarus hadden zeker wel mee in de kosten bijgedragen. Martha, die wij leerden kennen als zeer bedrijvig, verloochende ook hier haar aard niet, zij diende.

Wat was het voor de Heer goed om daar te zijn; daar buiten wist Hij, dat Zijn vijanden allerlei boze plannen tegen Hem smeedden, hier was Hij slechts door liefde omringd.

De grote strijd moest nu beginnen. Door de verkwikking hier voor Hem bereid, werd Hij er toe gesterkt; en, wat voor voor Hém prettig en aangenaam was, dat was ook voor die vrienden een genot.

Wat zal er veel in hun harten omgegaan zijn; wat zullen zij eerbiedig tot hun Vriend hebben opgezien en naar Hem geluisterd hebben.!

Wij hoorden vroeger van een maaltijd, ook door een zekere Simon voor de Heer bereid, door Simon de . . ? Ja, door Simon de Farizeeër. Maar hoe anders was het daar geweest !

In één opzicht evenwel was er toch overeenkomst met dien maaltijd. Want wat was daar ook weer gebeurd ? Welnu, ook in het huis van Simon de melaatse, zo werd hij nog altijd ter herinnering aan zijn ziekte genoemd, is de Heer gezalfd, en wel door Maria. zie Mattheüs 26:7; Marcus 14:3 en Johannes 12:2,3.

Uit de vergelijking van deze verzen blijkt, dat óók Maria, Martha en Lazarus aanwezig waren in het huis van Simon, en dat de vrouw wier naam door de beide eerste Evangelisten niet genoemd werd, Maria was. Nardus: een zeer kostbare welriekende zalfolie die getrokken werd uit de nardusplant. Deze zalf werd vooral in Tarsus gemaakt en in albasten flesjes met een nauwe hals, bewaard en verkocht. Omdat deze zalf zeer kostbaar was, werd zij dikwijls vervalst, vandaar dat er met nadruk wordt vermeld, dat deze nardus onvervalst was.

"Goot ze uit op Zijn Hoofd":- zie Mattheüs en Marcus.

"Heeft de voeten van Jezus gezalfd" zie Johannes.

Is hier strijd.? Nee, Mattheüs en Marcus delen eenvoudig het feit mede van de zalving, en, het was de gewoonte om slechts het hoofd en de baard te zalven.

Johannes geeft ons méér bijzonderheden en staat zelfs stil bij het feit dat er zóveel zalf aanwezig was, tot een gewicht van een pond, dat een gedeelte van de zalf óok nog over de voeten van de Heer kon worden uitgegoten. De zalving van de voeten gold in die dagen als een buitengewone grote onderscheiding.

Waarom deed Maria dit nu.?

Dat hoeven wij immers niet met zoveel woorden te zeggen ? Dat deed zij, ja, dat deed zij gedrongen door haar grote, zeer grote liefde jegens Hem, die haar broeder aan haar had teruggegeven.

Zeker, door die liefde gedrongen had zij ook reeds mee geholpen aan het bereiden van deze feestelijke maaltijd. Maar dat was haar niet genoeg geweest. Zij had behoefte om iets bijzonders te doen. En, zij gevoelde die behoefte nú vooral zo krachtig omdat zij er een voorgevoel van had dat de Heer nu spoedig door de hand van Zijn vijanden zou sterven.

Het liefst had zij aan Hem gevraagd om maar weg te gaan en zijn vijanden te ontvluchten want o, hoe sidderde zij, als zij er aan dacht, dat Hij sterven ging.

Maar, wat haast nog niemand had begrepen, daarvan daar begreep zij althans wel iets, namelijk, dat de Heer uit liefde voor zondaren wilde sterven, en, dáárom vroeg zij dat dan ook niet, en dáárom bracht zij aan Hem zo'n groot offer.

Die zalf had zeer veel geld gekost, maar het was voor haar niets te veel geweest want als zij nog méér had kunnen doen, dan zou zij dat met vreugde in het hart hebben gedaan.

Wat was het, terwijl zij dit haar liefdewerk volbracht, stil geworden in het vertrek, dat geheel door de liefelijke reuk van die zalf vervuld werd.

Sommigen verbaasden zich er over hetgeen zij deed, anderen knikten goedkeurend omdat zij de Heer die hulde van harte gunden.

Er was er echter één die niet in deze vreugde deelde: Judas. Hij verbrak het eerst de plechtige stilte door zoiets te mompelen van: "Roekeloze verkwisting !". "Jammer van het geld dat zó vermorst is.! Was die zalf maar verkocht en de opbrengst er van aan de armen gegeven, dat zou ten minste nog iets nuttigs geweest zijn. Om zó maar driehonderd penningen weg te gooien ; 't is een schande.!"

En waarlijk, dat sloeg in. Andere discipelen vonden, nu Judas zo sprak, dat hij toch eigenlijk wel gelijk had en begonnen Maria eveneens te berispen.

Die arme Maria.! Het werd baar bang te moede. Zij had het toch zo goed bedoeld. Zou ik nu werkelijk - zo vroeg zij angstig zich af - zou ik nu wérkelijk verkeerd gehandeld hebben.?

Zou ook de Heer misschien boos op mij zijn.? Was de Heer boos op haar .? Nee, de Heer is nooit boos wanneer men wat uit liefde voor Hem doet. En Hij was ook niet boos op Maria; maar nam haar tegenover Judas en de anderen in bescherming. Hoor, wat Hij zei: "Laat af van haar", enz.

"Die Mij eren, zal Ik eren", zo lezen wij in 1 Samuël 3:30.

En, volgens die regel handelde de Heer hier met Maria, toen Hij tenslotte ook nog zei: "Voorwaar zeg Ik u, al waar dit Evangelie". enz.

Hóe is dat woord uitgekomen. Want, dat wij nu over deze Maria en haar daad van grote liefde schrijven, is dat ook niet een vervulling van dat woord.?

Zo werd Maria gerustgesteld, en zo werden de discipelen beschaamd.

En Judas? Die werd verbitterd.! Nee, die Judas was niet zo bezorgd voor de armen, als hij zich had voorgedaan. Hij was een dief. Een dief ?... hij, de discipel van de Heer.? Ja, maar hij was niet altijd zo slecht geweest.

Hoe hij zich indertijd werkelijk met geestdrift bij de Heer zich had aangesloten, maar... met een zondige neiging in zijn hart. Hoe hij des Heren waarschuwingen tegen die zondige neiging steeds maar in de wind had geslagen, maar op die wijze dan ook meer en meer in haar strikken was verward geraakt. Hoe door de liefde tot het geld tenslotte de liefde voor de Heer bij hem geheel was uitgeblust.

Waarom hij dan toch bij de Heer gebleven was.?

Deze Judas had zich éénmaal met geestdrift onder de discipelen geschaard. De Heer had hem onder de twaalven opgenomen en ongetwijfeld iets goeds in hem ontdekt, een geestelijke aanleg, die, wanneer die ontwikkeld werd, hem voor het apostelschap geschikt zou hebben gemaakt.

Hóe is hij dan tot zijn snode daad gekomen.?

In antwoord op deze vraag moeten wij wijzen op zijn geld- en hebzucht; dát waren de zonden die hij niet bestreden had en die daardoor steeds meer de macht over hem hadden gekregen. zie Johannes 8:34.

Zeker, hij was in het begin met geestdrift voor de Heer en Diens zaak vervuld geweest, en had ook wel gevoeld dat de woorden die de Heer sprak, woorden van eeuwig leven waren. Die geestdrift was echter gaandeweg bekoeld toen het steeds duidelijker bleek dat in zijn gemeenschap die geld- en hebzucht geen voedsel kregen maar door de Heer veroordeeld werden. En, zolang hij nog kon hopen dat de Heer koning zou worden in aardse zin en dat dan aan hem een erepost in dat koninkrijk ten deel zou vallen, zólang hield hij het nog bij de Heer uit.

Toen die hoop echter geheel vervlogen was, toen de Heer, tijdens de maaltijd bij Simon, nog weer eens onomwonden uitgesproken had dat Hij sterven ging, tóen voelde hij een haat tegen de Meester opkomen, de Meester in Wien hij zo bitter teleurgesteld was.

En toen, tóen blies de satan, zie Lucas 22:3, hem de boze gedachte in, dat, wanneer hij zich niet kon verrijken door Hem, hij het wellicht kon proberen om zich ten koste ván Hem te verrijken.

Een paar dagen later verlaat hij het huis van Simon en gaat naar de vijanden van de Heer om te onderhandelen over de prijs waarvoor hij de Heer aan hen zou overleveren. De hebzuchtige werd een dief en de dief een verrader. Hij had een apostel kunnen worden; hij werd echter een duivel.

En wat is er nu in het eind van Judas geworden ?. Om dat te zien gaan wij nu nog even in gedachten naar een vergadering van de Joodse Raad of het Sanhedrin, die een paar dagen later werd gehouden. In het huis van Simon heerste de liefde, hier heerst echter de haat.

Waarover beraadslaagt men daar.? Over het feit dat de Heer moet sterven, want dat besluit was reeds eerder, onmiddellijk ná de opwekking van Lazarus, zie Johannes 11:47;53, gevallen.

Men begreep echter heel goed, dat men voorzichtig te werk moest gaan vanwege de grote aanhang die de Heer had onder de Gallieërs die in grote getale in Jeruzalem waren.

Wie treedt daar echter binnen en maakt gemene zaak met de vijanden van de Heer.? Judas, hij is de verrader geworden van zijn lieve Meester.! Voor een handje vol geld, zie Mattheüs 26:15, wil hij proberen om Hem aan Zijn vijanden over te leveren.

Is dit niet om er van te gruwen ?

Zullen wij nu Judas veroordelen.?

Zijn zonde wél, maar hém niet. Laten wij in plaats daarvan liever bidden, dat de Heer ons voor elke zonde bewaart.

Wij weten niet, waartoe wij komen kunnen, als wij niet biddende tegen de zonde strijden. Judas was ook eens een aardig jongske, wiens moeder hem leerde om de knieën te buigen voor God. Laten wij dus biddende strijden tegen elke zonde. Dat doen wij niet tevergeefs. Want Hij, die ook voor ons wilde sterven, zal dan ons helpen.