Het 8ste Hoofdstuk van de, door apostel Paulus geschreven brief aan de Romeinen, is een aaneenschakeling van kostelijke parels van wijsheid, waarvan de één tot vertroosting van de gelovige die zekerheid en rechtvaardiging zoekt bij Jezus Christus, in kostbaarheid niet onder doet voor de ánder.
Bij een aandachtige lezing van deze brief aan de Romeinen, en zeker niet in het minst van het 8ste hoofdstuk, valt het ons al heel gauw op, dat de taal waarin door apostel Paulus in dit hoofdstuk het geestelijke voedsel wordt opgediend, niet gemakkelijk is, en, dat bij een oppervlakkige lezing hiervan, de wijsheid Gods niet zó maar voor het grijpen ligt.
Dat blijkt ook wel uit het feit, dat Schriftverklaarders, in onzen tijd, dus na eeuwen van onderzoek, moeten erkennen dat men de inhoud van deze brief aan de Romeinen nog niet in al zijn rijkheid en diepte heeft kunnen doorgronden.
Wanneer wij ons echter, onder biddend opzien, nederzetten om ons te verdiepen in de wijsheid Gods, dan zal de Geest Gods die immers niet anders dan liefde is, het proberen van ons om die wijsheid en vruchten des levens te ontdekken waardoor de geloofszekerheid meer en meer ons deel zal worden, zeer zeker bekronen.
Onze tijd, en, in welke tijd feitelijk niet, is zoekende naar zekerheid, máár, doet dit veelal onder voorwaarden die het vinden buitengewoon bemoeilijken, om niet te zeggen onmogelijk maken, omdat aan de eenvoudige wijsheid van Christus voorbij wordt gezien en soms zelfs naar de achtergrond wordt verdrongen.
Het is echter een verheugend verschijnsel dat, bij alle wereldzin van onzen tijd, de aloude Bijbelse vraag naar het heil van de ziel, weer in veler harten opkomt.
Deze vraag van de zoekende mensheid wordt door verschillende kerkgenootschappen heel goed aangevoeld, want, onder allerlei leuzen, door bijzondere diensten met predikatiën waarvan de titel op grote aanplakbiljetten de nieuwsgierigheid prikkelt, door de medewerking van bekende organisten en solisten in die bijzondere diensten, trachten zij om de mensen te trekken.
Dit gelukt hen omdat de mensheid zekerheid zoekt en die probeert te vinden, dáár waar dit aangeboden wordt; want, érger dan het wankelen van uitwendige instellingen en toestanden in de staatkunde, is het gevoel van onzekerheid.
Zekerheid, apostel Paulus weet het óók: zekerheid, dát is het wat door de mens gezocht wordt.
Zijn gehele leven door, totdat Christus eindelijk zijn deel is, want, búiten Christus bestaat er géén zekerheid en kómt er geen zekerheid.!
Wanneer wij ons bij de Goddelijke wijsheid, die ons hier in dit 8ste hoofdstuk als een klaterende beek door apostel Paulus wordt getoond, bepalen, dan dringt als het ware de vólle zekerheid van de Christelijke waarheid zich in ieder woord aan ons op, in tegenstelling met de geestelijke en zedelijke ellende van hen, die ónder de Wet waren; de Wet, die wél tot de kennis maar niet tot de overwinning van de zonde leidde, de Wet, die wél het type van volmaaktheid stelde, maar niet de kracht, de zekerheid gaf om die volmaaktheid te verwezenlijken.
Wij lezen dit in hoofdstuk 7.
En dán, dán volgt daarop hoofdstuk 8 met dat grote, massale eerste vers: "Zo is er dus nu geen verdoemenis meer voor hen die in Christus Jezus zijn, want de wet des geestes die het leven werkt, heeft ons, in Christus Jezus, vrijgemaakt van de Wet van zonde en dood." Dát is zekerheid; dát is groot; dát geeft troost.
Zó volgt in dit hoofdstuk het ene troostwoord na het andere, en, wanneer wij eens rustig de tijd nemen en ons geheel uit onze dagelijkse beslommeringen terugtrekken om de inhoud er van op ons te laten inwerken, dán zal die volle zekerheid ook ons deel zijn.
Met het oog gevestigd op Hem, Die alles ten goede werkt, wil deze overdenking proberen u daarbij te helpen.
Wij willen ons nu, met de opengeslagen Bijbel bij ons, om de Bijbel, indien nodig, te kunnen raadplegen, bepalen bij de verzen 18-23.
Welnu, apostel Paulus spreekt hierin tot de gemeente van Christus, dús tot óns, over het lijden van de schepping.
In afwijking van de grondtekst, leest de Statenvertaling "schepsel", maar de nieuwe vertalingen spreken allen over schepping.
Schepping wil zeggen: de totaliteit van het geschapene.
De Schepping houdt in zich het schepsel, en, dít omvat op zijn beurt weer de gelovige Christen.
Als gevolg, dat de schepping lijdende is, lijden dus de gelovigen mede, maar niettegenstaande deze gelovigen deel hebben aan de lijdende schepping, geldt voor hen in het bijzonder het troostwoord van de Apostel: "Want, ik ben er zeker van dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die over ONS geopenbaard zal worden. (In deze overdenking volgen wij de vertaling van het NBG). Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods."
Dit alles staat hier wel heel simpel, maar tóch, wanneer wij nu eens goed nadenken, wat moet er zich dan niet een geweldig feit aan het geestesoog van apostel Paulus voltrekken wanneer hij dit zó zegt.?
Dán kan het niet anders of hij beleefd in gedachten die heerlijkheid die ONS geopenbaard zal worden.
Hij ziet die nieuwe hemelen en die nieuwe aarde waarvan Jesaja ons heeft geprofeteerd in het hoofdstuk 65:17: "Die schepping", (doelend op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, zo zegt Otto von Gerlach in zijn aantekeningen op het Oude Testament), "is de wezenlijke herschepping van die aarde en van dien hemel die wij met ogen zien, gelijk het Nieuwe Testament daarvan met de meeste ondubbelzinnigheden spreekt." 2 Petrus 3:7,13; Openbaring 21:1.
Het geestesoog van apostel Paulus ontwaart hier geen tijd meer, niet deze eeuw, noch de toekomende; hij overziet ze beide: hij begrijpt de vervulling van het plan en de gedachten Gods, Die Zijn Zoon zal stellen als koning op Sion, de Berg Zijner Heiligheid, om Hem de heidenen tot Zijn erfdeel en de einden der aarde tot Zijn bezitting te geven. Psalm 2:6-8.
Want dát is het plan en de gedachte Gods van alle eeuwigheid: Zijn Koninkrijk op de aarde. Spreuken 8:23.
En nu, met deze kennis, met dezer zekerheid in zijn geloof, staat apostel Paulus daar en spreekt het woord van onzen tekst.!
Wij moeten, mét Paulus, erkennen dat het lijden er is, en, aan iets wat is, ligt een oorzaak ten grondslag en die oorzaak is de zondige mens zélf, níemand uitgezonderd.!
Wij allen brengen brengen ruimschoots ons deel in het lijden van de schepping en voor ieder mens geldt dat de bezoldiging is: tegenspoed, zonde en dood.
Zeer zeker weet apostel Paulus het, en, al denken wij er niet zo heel vaak over na, het is dan ook niet prettig om er over na te denken, wíj weten het, óók onze geest in ons zegt het, helder en duidelijk.!
Máár, er is hoop en troost, want wij mogen erkennen dat apostel Paulus zijn troostwoord spreekt tot de eerstelingen der kerk.
Dezulken, waar de theorie niet verschilt van de praktijk; dezulken, die niet naar het vlees wandelen, dat wil zeggen: voor wie niet het tastbare, het waarneembare, de materie de hoofdzaak is, maar naar de Geest, want zij toch zullen de troost kunnen verstaan en begrijpen ofschoon het lijden van de schepping, dús óók hún lijden, van ziekte en ramp, dat lijden gevoelen, maar meerder nog in dagen van vreugde en voorspoed.
Want door het geloof zal juist hún strijd in de goede dagen het zwaarste zijn; dan drukt temeer de traagheid en het lijden van de gehele natuur op hen waardoor de Geest Gods in het gelovige hart strijd voert tegen de zo trage en onwillige wereld waaraan het hart als vastgeklonken is en waarvan het slechts door Gods hulp kan worden ontbonden.
Zulk een hart heeft troost nodig en zoekt zekerheid.
En nú is dít het wondere en grote, zowel voor de eersteling in Christus die er oog voor heeft, als voor de wereld, aan wie het ontgaat: Béiden zijn er.!
Zij zijn in de lijdenstoestand zélve, want díe is vol hoop.!
Het lijden der schepping is: het zijn in barensnood, dat houdt in, dat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, als in de tegenwoordige schepping zelve, verborgen liggen en uit haar geboren moeten worden.
Dáárom is het lijden, dat de gelovige in deze wereld noodwendig moet doorstaan, een lijden mét Christus omdat wij de Zijnen zijn, en, ligt daarin ook niet opgesloten dat wij, mét Hem lijdende, óók mét Hem verheerlijk zullen worden.?
Zó vinden wij in de woorden: "dezes tegenwoordigen tijds", ook zon krachtige troost.
Immers, haast álles is te dragen, hóe zwaar het ook moge zijn, als er maar een uitkomst te zien is.
"Waar leven is, is hoop", zeggen wij zo dikwijls in ons dagelijkse leven.
En, hoeveel te meer is die hoop daar, waar ten aanzien van het leven in lijden, een heerlijkheid zal zijn als die welke aan ONS geopenbaard zal worden.!
Maar, dat betekent tevens, dat die heerlijkheid in wezen reeds in ons aanwezig is.
Die heerlijkheid moet nog tot openbaring komen, maar wij bezitten haar omdat wij wedergeboren schepselen zijn.
"Want, met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om diens wil, dat is: Gods wil, Die haar daarom onderworpen heeft."
Hoe moeten wij nu dít vers verstaan en begrijpen.?
Wij moeten hier niet in hoofdzaak aan de wereld denken als aan een van God afgevallen mensheid, want de goddelozen verwachten toch immers niet de openbaring van de kinderen Gods.?
Wellicht zijn er zelfs onder hen die in het geheel niet geloven aan het bestaan van kinderen Gods, en, zéker verwachten zij niet, dat die kinderen openbaar zullen worden in heerlijkheid.
En, wanneer men in die wereld nog wel het bestaan van kinderen Gods in gedachten heeft, en men nog wél een enkele, zij het ook vage, voorstelling van hen en van hun toekomst heeft, zo begeert men toch zeker niet een openbaring van die kinderen Gods waarnaar men met een verlangen naar uitziet.!
Neen, apostel Paulus denkt hier véél grootser en vrijer.!
Hij overziet de samenhang van de gehele schepping en erkent de stoffelijke gebondenheid daarvan.
Hij stelt zich haar voor, als het één grote geheel levende, deels bewust, en deels onbewust, maar tóch afhankelijk van elkaar.
En, deze schepping, uit God voortgekomen, maar door de zonde onder de vloek, ziet reikhalzend uit naar de openbaring der kinderen Gods.
Tot die schepping behoren levende wezens, die aan haar gebonden zijn bínnen de mogelijkheden der natuur; oorspronkelijk echter, zou de mens niet door de natuur beheerst worden, maar was hij gesteld en geschapen om die natuur naar Gods ordeningen te beheersen.
Nú zijn er echter zoveel van die mensenkinderen die, in afwijking van de Goddelijke Geest die in de mens als een levende geestelijke kracht was gelegd, (de Here God had de adem des levens in zijn neusgaten geblazen waardoor de mens tot een levende ziel werd, Genesis 2:7, zich al meer en meer aan het natuurlijke laten binden waardoor het er mee eindigde dat men datgene wat in feite onnatuurlijk is, voor natuurlijk werd gehouden: namelijk: dat de natuur over de mens heerste.
Laten wij er nu eens heel eerlijk voor uit komen en erkennen hoever de mens zijn weg reeds op die onnatuurlijke bestemming is gevolgd, geen gehoor gevende aan de roeping van zijn ziel.
Hoe gemakkelijk gaat zelfs de wáre Christen niet op in de gehoorzaamheid aan die natuurlijke roepstem, aan het toegeven hieraan, totdat het uiteindelijk zover is gekomen dat de natuurlijke mens, zoals de Statenvertaling het uitdrukt in 1 Korinthe 2:14, niet de dingen die des Godes zijn begrijpt omdat zij hem dwaasheid zijn en hij ze niet meer kan verstaan.
"Want de schepping", hier bedoelt apostel Paulus dus de tegenwoordige, nog niet wedergeboren natuurlijke schepping, "is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om diens wil, die haar daaraan onderworpen heeft."
Die schepping is dus vanwege haar vruchteloosheid vergankelijk, "in hope echter", zo zegt hij, "omdat ook de schepping zelve van de dienstbaarheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods."
Tot zólang blijft de natuurlijke, niet wedergeboren mens, aan de natuur onderworpen; zij is hem te machtig; zij bereidt hem de dood niettegenstaande hij haakt naar het leven en intuďtief "onsterfelijkheid" aanvoelt.
En, zoals nu de natuurlijke mens als bij intuďtie zich "onsterfelijk" voelt, zó ligt er in de natuur óók een onbewust streven naar onsterfelijkheid verborgen maar zij kan die niet bereiken zolang als de mens, als het hoogste wezen der schepping, nog sterfelijk is, of, om met apostel Paulus te spreken: zolang de zonen, dat wil zeggen de kinderen Gods, niet geopenbaard zijn.
Tot zólang moet zij nood gedwongen reikhalzend blijven uitzien naar die onsterfelijkheid, en, hoewel zij dit niet beseft, wacht zij op deze manier onbewust op de openbaring der kinderen Gods.
Tot zólang staat zij óók aan de vergankelijkheid bloot, want de meester is daar, de dood, de bezoldiging der zonde, het toevallen aan de vorst der duisternis.
Uit het voorgaande volgt nu als vanzelf, dat het onmogelijk is om op de weg van de natuurlijke ontwikkeling, evolutie noemen wij dat, tot vrijmaking te komen; hij blijft het pad ten verderve, hóe gunstig het in deze levensperiode ook moge gaan.!
Ook dát is zekerheid.!
Máár, de vrijmaking geschied wél door verlossing.!, door vernieuwing van de schepping tot een hógere orde: dat wil zeggen, door wedergeboorte.!
En, als gevolg nu van het feit dat aan de onsterfelijkheid de wedergeboorte ten grondslag ligt, ziet, terwijl de natuurlijke mens denk dat hij er kan komen door evolutie, de tegenwoordige schepping evenzeer reikhalzend uitziet naar die wedergeboorte.
De aarde, mét ál het geschapene, was gesteld om door de mens te worden beheerst.
Welnu, alles, wat deze aarde nu nog biedt aan luister en schoonheid, is voor ons zeker een bewijs, een profetie zouden wij haast willen zeggen, van de toekomende heerlijkheid van Jezus Christus, waarnaar het ganse schepsel al mag het hoe en waarom aan hen ontgaan, uitziet, als zijnde de Macht die zal heersen en regeren op het dán gezegende aardrijk.
Zeker, de aarde zal vrijgemaakt worden van de banden der verderfenis.
Wanneer??, met de openbaring der kinderen Gods.!
Dát is het begin van die vrijmaking, langzaam in de voorbereiding, maar plotseling in het verschijnen.
Niemand kan nagaan wanneer die openbaring zal geschieden, maar wij, die het Woord geloven, hebben de zekerheid en wéten dat zij aanstaande is en dat het de openbaring zal zijn in heerlijkheid van de Zoon des mensen, waardoor de kinderen Gods, verheerlijkt tot de vrijheid in Christus, zullen komen; de openbaring, die zal aanvangen als Christus de Zijnen zal opwekken uit de doden en ons, die leven, zal veranderen in een punt des tijds om samen Zijn wolk van getuigen te vormen.
Maar wij zien echter ook dat het bloed van Jezus Christus niet alleen voor óns heeft gevloeid, maar voor de gehele schepping; de losprijs is niet alleen voor ons, maar zij is óók voor háár betaald, doch niet eerder dan dat de kinderen Gods geopenbaard zullen zijn en dán zal zij tot de erkenning daarvan komen.
Voor een ieder die dorst naar de kennis en het geloof in Jezus Christus, is Hij nu reeds de Vreugdebron; wij ervaren dat dagelijks.
Maar, wanneer eenmaal de kinderen Gods geopenbaard zullen zijn, dan zal de vreugdebron daar zijn voor de gehele schepping; álles, ja álles, zal deel hebben aan de glorie van Jezus Christus.
En, dát is zekerheid.!
Laten wij dan de Driemaal Heiligen God, Die ons, zondaren, in Zijn ontfermende liefde en genade, nú reeds een zodanige zekerheid wil schenken, daarvoor danken.