VOORHEEN en THANS
Eens sprak God tot Abraham: "En in u zullen alle geslachten van het aardrijk gezegend worden"(Gen.12:3).
Deze zegen betrof ook het nageslacht van Abraham. God zegende Israël en stelde het tot zegen voor alle geslachten der aarde. Zo vinden wij in het Nieuwe Testament telkens heen wijzingen naar het geloof van de Israëlietische vaderen, maar ook waarschuwingen om niet in hetzelfde voorbeeld van ongeloof te vallen, zoals er velen uit dat geslacht gevallen waren.
Over deze waarschuwingen willen wij iets zeggen.
Wij lezen hiervan in 1 Cor. 10:1-12. Het moet, door het volk van Israël, dat door een sterke hand uit het diensthuis Egypte was uitgeleid, en dat Gods wonderen had aanschouwd,toch wel als een verschrikkelijk oordeel gevoeld zijn om, in het gezicht van de beloofde erfenis om te komen en dat vanwege hun ongehoorzaamheid en ongeloof.
Stel u voor een schip dat op zijn lange zeereis de stormen en de woedende golven heeft doorstaan, maar dat in het gezicht van de haven vergaat, welk een ontzettende gewaarwording moet dat zijn voor de schepelingen, die, na vele bange dagen en nachten tussen hoop en vrees geleefd te hebben, de vaste wal, het doel van de reis, aanschouwen en toch nog jammerlijk omkomen.
Zeker hadden de Israëlieten zich meerdere malen verblijd in de belofte "Gods volk" te zijn en door Hem geleid te worden tot in het land der ruste.
Maar, het verging hun als de vrouw van Lot, die verlost zijnde uit Sodom, geen afstand kon doen van alles wat haar in die stad lief geworden was.
Eénmaal zag zij om, tegen het uitdrukkelijke gebod in van de Engel, en God strafte haar met de dood. Wij huiveren, als wij daaraan denken.
Israël, verlost uit de dienstbaarheid, ontving wel de belofte van in te gaan in de rust, dat wil zeggen in Kanaän, maar hun gedurige murmureringen en opstand tegen God verhinderden hen om de vervulling van de belofte te ontvangen.
Zelfs Mozes mocht dat beloofde land niet ingaan, en de vurig begeerde belofte niet in vervulling zien gaan, en dat slechts om een, in onze ogen, klein vergrijp.
"Maar in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn terneer geslagen".
"Veertig jaar heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk dwalende van hart, en zij kennen Mijne wegen niet. Daarom heb Ik gezworen in Mijnen toorn: Zo zij in mijn rust zullen ingaan. (Ps.95:10,11).
Hard als het graf is het beeld in Psa1m 106:15: "Toen gaf Hij hun hunne begeerte, maar Hij zond aan hunne zielen een magerheid".
Niettegenstaande zij Gods wonderen zagen, kwam hun ziel om, zij teerde weg. Welk een oordeel.
"En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof". (Hebr.3:19).
Het geslacht, dat wel in Kanaän ingegaan is, heeft het ook verdorven, waarom het later is weggevoerd van die erve naar het land der Heidenen, die Kanaän in bezit namen. Van deze ellende sprak de profeet Micha (7:-1) :"Ai mij want ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer de nalezingen in de wijnoogst geschied zijn; daar is geen druif om te eten, mijne ziel begeert vroegrijpe vrucht..
De H.Geest geeft door dit woord de treurige toestand van Gods volk weer, want Israël wordt hier vergeleken met een fruittuin, waarin nauwelijks een enkele vrucht meer te vinden is.
En, Jeremia weeklaagde over Israël: "Och dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen: zo zoude ik dag en nacht bewenen de verslagenen der dochter mijns volks".
En, op de puinhopen van Jeruzalem klaagde deze profeet: "De Heer is geworden als een vijand; Hij heeft Israël verslonden en Hij heeft de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd".(Klaagl.2:5)
En, toen de laatste profeet in Israël, 400 jaar voor Christus, de komst aankondigde van de lang verwachte, en, door velen zozeer verbeide Vorst, sprak hij: "Maar wie zal de dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur eens goudsmids en als de zeep der vollers; en Hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen en Hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver" (Mal.3:2,3).
De Heer kwam, doch in plaats van in te gaan in het Rijk van deze Vredevorst, hebben zij Hem gedood. En weer herhalen wij het woord uit Hebr, 3:19: "En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof".
Zo was het Voorheen, en, hoe is het nu?
Hoe staat het met het geestelijke Israël, de Gemeente van Christus in deze bedeling?
Lees eens de klachten van de Heer zelf over elk van de zeven tijdvakken in Openbaring 2 en 3!
Tot de eerste Gemeente, die van Efeze, sprak de Heer: "Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten".
En, tot de zevende Gemeente, die van Laodicea, sprak de Heer: "Gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geen dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt".
En verder: "Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop".
De Heer dus buiten de deur, buiten Zijn Kerk. Is het niet verschrikkelijk.!
In het Voorheen en Thans kan zo'n groot verschil zijn.Wij lezen in Hebr.5:12: "Want daar gij leraars behoorde te zijn vanwege de tijd, hebt wederom van node, dat men u leert, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben en niet vaste spijze".
Er zijn van die mensen, die altijd leren en nimmer tot de kennis der waarheid komen (2 Tim-3:7).
Van die mensen, die nooit verder komen dan de eerste beginselen, die nooit opwassen in de kennis. Zij zijn gelijk Efraïm, waarvan de Heer sprak: Hij is een onwijs kind, want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan".(Hos.13:l3)
Er zijn van die mensen, die altijd maar redeneren. Hoewel hun menigmaal geleerd is, dat al het kwaad, dat er in de wereld is, de schuld van de mensen is, verwijten zij het toch God.
Hoe het hun ook herhaalde malen duidelijk gemaakt is dat, wanneer geroepen dienaren vallen, dit niet te wijten is aan God, die hen riep, maar aan hun onbekeerde hart, toch komen ze er telkens weer op terug en ergeren zich.
Zij blijven redeneren: Hoe kan dit en hoe kan dat?"
En, hoewel zij het daarom" heel goed weten, althans kunnen weten, vragen zij toch altijd nog maar naar het waarom.
Zulke mensen hebben Paulus niet verstaan, die zei: Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind; overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was (1 Cor.13:ll).
Er zijn van die mensen die altijd spreken over de viervoudige bediening maar die er nog nooit die zegen van genoten hebben door er door op te wassen tot een volkomen man (Ef.4:11-16).
Wat is toch de oorzaak van dit alles? Ongeoefendheid.
Deze mensen hebben, zoals weleer Israël, niet begrepen dat ze een loopbaan te lopen hadden (Hebr.12:1).
Zij hebben meer gedacht aan de zegeningen, dan aan de strijd, die er aan voorafgaat. Zij hebben meer gedacht aan de prijs, dan aan de loopbaan, die eerst gelopen moest worden.
Zij hebben meer gedacht aan het Kanaän, dan aan de lange woestijnreis, die afgelegd moest worden vóór men de rust kon ingaan.
Men dacht meer aan de rechten, dan aan de plichten van Gods koninkrijk.
En, zó komt het, dat velen met weemoed terug zien als op een uitgebloeid verleden, als op een schone droom.
Zij spreken van de heerlijkheid des geloofs,die ze in vroeger dagen genoten hebben.
Zij zijn als Asaf, die buiten Gods Huis de dingen overlegde, doch toen hij er weer toe kwam om in Gods Tempel op te gaan, werd zijn gezichtsblik verwijd en lette hij op het einde der zondaren.
Toen noemde hij zich een onvernuftig beest (Ps.73).
Gelukkig als men nog is als Asaf, velen echter, wanneer de ergernissen komen, wandelen niet meer met Hem (Joh.6:66).
De jongste zoon uit de gelijkenis van Luk.15, kon het in het Vaderhuis niet meer uithouden en de oudste bleef er plichtmatig in.
Ach, hoeveel mensen zijn "vreemden" in het Vaderhuis, de Gemeente. Het is wel opmerkelijk, dat, toen de jongste zoon geen uitweg meer wist, hij door de nood gedreven dacht aan de huurlingen van zijn vader.
Het kwam in zijn hart op, om te proberen om ook zon huurling te worden. En daarbij moest dan gelden, dat hij een te groot zondaar was, om weer als kind aangenomen te worden.
Een huurling. Dus los van het Vaderhuis en er toch de zegeningen van willen genieten.
Een huurling, die s morgens komt en 's avonds weer weg gaat. Maar dat wil de Vader niet. En de oudste was zó vreemd in het Vaderhuis dat hij,toen hij het gezang en het gereihoorde, alsof er iets buitengewoons gebeurde, vroeg wat dat toch zijn mocht.
En boos over de liefde van zijn vader wilde hij niet ingaan.
Was die vader dan hard? Neen, maar in het Vaderhuis is de Vader de Bestuurder en is het kind ondergeschikt, moet het gehoorzamen.
Dat Vaderhuis, bedoeld in Lukas 15, kunnen we ook vergelijken met de Gemeente. Daar moet liefde de meeste zijn. Daar worden ook aan elkander de misdaden beleden (Jak.5:16)
De Gemeente is een moederschoot, waarin het kind vrede vindt. Op voorwaarde, dat wij elkander de zonden vergeven, worden ons de zonden vergeven (Matth.6:l4,15).
Zou het in Gemeente niet veel beter zijn, als wij dit Woord van de Heer meer in praktijk brachten?
Juist door deze dingen voorbij te zien komt het verval.
"Laat ons dan ons beijveren om in de rust in te gaan, opdat niemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle" (Hebr.4:11).©sdj